Nooit meer eten

De maag ligt lekker ruim achter de ribben, de geest wordt scherp, het lichaam komt te voorschijn uit zijn profane omhulsel van lillend vet. Rob van Erkelens, levend op een streng dieet van koffie en sigaretten, over de ongekende mogelijkheden van hongeren.
IK BEGREEP HET ineens toen ik op een middag, lang geleden, in een of andere lente - of herfst, of zomer, of winter; de tijd vertroebelt de herinnering - door mijn moeder werd meegenomen naar het Kröller-Müller Museum in Otterloo, in het Park de Hoge Veluwe. We doorkruisten de zalen, bekeken de schilderijen (toen had je nog niet zoveel installaties, video-happenings, environments en andere nieuwerwetse kunstdingen - drie dimensies voldeden grotendeels; alleen Von Graevenitz, herinner ik mij, maakte vierdimensionale kunstwerken, waarin de tijd zogenaamd mede een rol speelde: eigenlijk gewoon platte schilderijen waar draaiende dingen op gemonteerd waren), beleefden kortom een ideale middag. Voor mij kreeg die echter pas tegen het slot de impact waar men op hoopt bij museumbezoek: die schok, die verrassing, die oogopener of blikverruimer die het leven vanaf dat moment heeeel anders zal maken.

Die verrassing, dat inzicht, kwam toen we alle museumzalen gehad, alle tentoongestelde werken gezien en de beleefde consumptie genoten hadden. Dat laatste deden we in een soort serre, een kantine-in-stijl met enorme glazen schuifdeuren die openden naar de tuin. Het Kröller-Müller Museum bezat een enorme tuin, die weer werd omgeven door de onafzienbare bossen en heidevelden van de Hoge Veluwe. Vanuit de serre kon men al een of twee van de tientallen sculpturen zien die de beeldentuin bevolkten. En daar, zou blijken, ging het om.
Giacometti en Moore, in die volgorde. De beelden van Alberto Giacometti brachten al een serieuze tinteling teweeg, en die van Henry Moore openden mij de ogen. Giacometti plaatst uitgemergelde mensenfiguren op sokkels waarbij ze in het niet lijken te vallen. Ze zijn spijkerdun en graatmager, maar maken een energieke indruk. Ze lijken in beweging te zijn, op weg naar elkaar, om elkaar hartelijk de hand te schudden.
Moore kiest voor sculpturen die lijken op laatste restanten van menselijke vormen, wezens zonder hoofd, zonder gezicht. In de tuin van Kröller-Müller stond een liggend beeld van Moore. Het heette Liggend beeld of zo en toonde een mensachtige figuur met een enorm gat, een holte waar je zo doorheen kon kijken op de plek waar de maag hoorde te zitten. Midden in het massieve dofgrijze brons bevond zich een heldere, stralende cirkel van blauwe lucht en groene bomen.
En ik begreep. Ik begreep wat er met mij aan de hand was. Ik was een standbeeld van Henry Moore. Of dat wilde ik zijn.
HET GEVAL WAS dat ik sinds enige tijd hongerde. Na enkele jaren vegetariërschap, een soort halfslachtige en lafhartige variant op het echte versterven, had ik mijn vork aan de wilgen gehangen en een pact gesloten met de honger. Op een streng dieet van koffie en sigaretten ging ik leven, en dat deed ik ook.
Ik stond op gespannen voet met de wereld, daar had ik ook de leeftijd voor. Alles was lelijk en de mensen gedroegen zich als beesten. Ze waren een aanfluiting voor hun soort. Vooral door de manier waarop ze aten.
Een gezellige familie hobbelt breeduit over de stoep, ieder gezinslid verscholen achter een mega-zak Vlaamse mayonaise met frites. Het kauwt met de mond open. Het morst op voorbijgangers. Het schreeuwt elkaar spetterend toe. Of ze nog een berehap zullen nemen? Mam? Een berehap?
Iemand zegt bulderend dat ze na het diner in dat exquise restaurant ‘mooi wel effe de snackbar in gedoken’ is, omdat 'dat toch niet vult, man, die kleine rotporties’.
Met een glimmende kop en een vieze grijns slaat de man zich omstandig op de uitpuilende hangbuik en galmt: 'Nee, deze jongen heb het goed voor mekaar! Haha! Niks te klagen!’
WE VOEDEN ONS, anders gaan we dood. Dat is heel eenvoudig, en dat is heel waar. Drinken, slapen en eten zijn onze primaire behoeften - en primair betekent beslissend over leven en dood. We nemen dagelijks allerhande stoffen tot ons om ons lichaam in staat te stellen zonder al te veel ruis, zonder hinderlijk horten en stoten zijn functies te vervullen. Het mensenlichaam is een motor en eten is de brandstof. Zonder benzine kun je ook niet autorijden. Toch?
Functie nummer één van eten is een zuiver praktische: het behoedt ons voor omvallen. Wie dit soort eten ontbeert, wie dus niet in zijn basisbehoefte kan voorzien, heeft honger.
Zoals met alle behoeften geldt ook voor eten dat als eenmaal aan de basisvraag is voldaan, de drang, de wil, de wens of het verlangen te eten niet automatisch stopt. Maar dat is geen moeten, het is een keuze. Dat is een tweede functie van eten, een toegevoegde waarde. Wie zijn begeerte naar eten van dit soort onbevredigd ziet, heeft geen honger, maar trek.
Wie hier in dit vette land leeft, heeft nooit honger. Alleen trek. Zelfs buiten politiek correcte kringen wordt sissend gereageerd als je per ongeluk zegt dat je honger hebt. Want dat kan niet. Alleen in Afrika hebben ze honger. Hier, in ons vette land, hebben we hooguit trek.
Ik had honger, regelrechte honger. Elke dag. En dat was goed. Ik testte mijn lichaam uit, wilde zien hoe ver ik kon gaan, waar de grens lag. Ik wilde wel eens weten hoe nodig het was om steeds weer te eten. En op koffie, water en wijn bleek men ver te kunnen komen. Wanneer men niet van elke appelflauwte in paniek raakte, bleek het lichaam een behoorlijk vaste burcht te zijn, ook bij een slechte behandeling.
Was dat nou allemaal nodig, dat gevreet en geschrok en geprop dat ik om me heen zag, overal om me heen zag? (Waar stilaan ook steeds vaker mijn dromen van vervuld raakten, tot ik op een kwade nacht gillend wakker werd uit een zompige kakofonie van mond- en klauwlawaai, van bunker- en smakgeluiden, voortgebracht door een orgiastische kluwen vette eetmensen, die duizendvoudig rondkrioelden op een berg gebakken aardappels met vet spek zonder zwoerd chips wokkels buggles hamburgers kaasbroodjes ijstaarten gehaktballen bifi-worsten vlaflippen suikerspinnen oliebollen appelflappen - gillend en transpirerend schoot ik overeind.) In hoeverre had dat nog met eten te maken?
Ik ben sindsdien een hongeraar gebleven. Ik hou van honger, ik hou van het gevoel dat ontstaat als het lichaam geruime tijd geen voedsel heeft gekregen. De maag ligt dan ruim en kaal achter de ribben en trekt steeds meer samen. Botten worden stilaan zichtbaar onder de huid. Hongert men gedurende lange tijd, dan wordt het lichaam een standbeeld dat dag na dag verder te voorschijn komt uit zijn omhulsel van vet en vlees.
HEEFT DE HONGERAAR, de magerzuchtige, een hekel aan het eigen lichaam? Dat kan zo lijken, per slot van rekening onthoudt hij het de broodnodige brandstoffen. Hij veronachtzaamt het, negeert zijn signalen (want moeten we niet 'luisteren naar ons lichaam’? Moeten we niet ons lichaam, en de tekenen die het geeft, 'lezen’?) en lijkt het te behandelen als een stuk vuil.
De niet-eter hoeft echter niet een hekel te hebben aan de eigen fysieke verschijningsvorm. Het kan ook een kwestie van bot-vieren zijn, waarbij het hongeren juist een eerbetoon is aan de skeletteuze vorm van het lichaam: dat wordt namelijk ontdaan van alle vet, alles wat zo onnodig om de beenderen en spieren spant en een dof stootkussen vormt in de confrontatie met de wereld.
Hoe dunner, hoe scherper men is. Men is zich bewust van elke vezel, elke pees in het vermaledijde, het geliefde lichaam. Hoe dunner men is, hoe intenser men het leven ervaart.
In het verhaal 'The Mazarin Stone’ bereidt Sherlock Holmes, de briljante detective, zich voor op een bijzonder ingewikkelde case door drie dagen in bed te blijven, zonder te eten of te slapen.
Hij zegt tegen Watson: ’… maar in de tussentijd mogen we het toch wel prettig hebben, toch? Is alcohol toegestaan? De sigaren liggen op hun oude plek. Je hebt ondertussen, mag ik hopen, toch geen hekel gekregen aan mijn pijp en mijn beklagenswaardige tabak? Want die moeten deze dagen de plaats innemen van voedsel.’
'Maar waarom eet je dan niet?’
'Omdat de zintuigen veel scherper worden als je ze uithongert. Jij als dokter, beste Watson, moet toch toegeven dat al het bloed en alle voedingsstoffen die aan de spijsvertering ten goede komen, verloren zijn voor het brein. En ik ben een brein, Watson. De rest van mij is puur een aanhangsel. En daarom dien ik me in de eerste plaats te bekommeren om het brein.’
Hongeren is een strijd: een strijd tegen de spijsvertering, dat afschuwelijke instrument van het lichaam. De spijsvertering is de moeder aller afvalprodukten, waarvan de namen en verschijningsvormen genoegzaam bekend zijn. Het lichaam scheidt stoffen af die te verschrikkelijk zijn voor woorden. Is er grotere schande denkbaar dan zich te ontlasten?
Waar Sherlock Holmes op doelde, is een van de grote voordelen van het hongeren: na enige tijd levert het versterven een periode van extreme luciditeit op. De geest, aangescherpt door onthouding, wordt extreem helder en doorziet alles, alles. De ogen sperren zich open, de hersenen reageren bliksemsnel en nauwkeurig op vele, vele impulsen. Het denken verloopt gejaagd, opgevoerd en trefzeker. Dan gloeit alles, dan zijn de zenuwen strak gespannen en reageren ze adequaat op elke prikkel. Er zijn veel gedachten. Niet slechts vluchtige, van die spinsels die in no time weer vergeten zijn, zoals bij het roken van hasj of wiet, maar zeer werkbare, houdbare en constructieve ideeën. Deze periode is zeer hevig, maar duurt slechts kort. Men noemt hem wel the burn.
Na the burn, die hemelse, gloeiende lichaamsbrand, stort de hongeraar in. Als hij daar weer van is bijgekomen - veel fruit, granen en rode wijn - gaat het versterven verder. Het is een serieuze aangelegenheid, namelijk, waar men niet in één of twee weken mee klaar is.
Voor Sherlock Holmes is de mens in eerste instantie geest. In zijn geval vooral een rationeel wezen, een denkende entiteit. Het lichaam is daarbij een hinderlijke last. Voor middeleeuwse mystici was het lichaam eveneens het versterven waard, maar voor hen was niet zozeer het denken als wel het voelen de doorslaggevende reden om zich te onthouden van voedsel, te versterven. We hebben het niet over afvallen, lijnen, rustiger aan doen, vegetarisch gaan leven, ophouden met suiker of biodynamisch gaan eten, we hebben het over het echte werk, het versterven. Dat is niet zomaar langzaam maar zeker vergaan, afsterven, zeg maar, maar ook het zich opzettelijk onthouden van aardse genoegens. Versterving is de oefening van het geestelijk leven ter beheersing van de driften, nodig voor een leven zonder aardse genoegens. Lijnen is tragisch, want men kan eten, wil eten, maar mag het niet. Hongeren is heroïsch: men kan, men mag, maar men wil niet.
Om in contact met God te komen, is het lichaam een nodeloos juk. Uit religieuze overwegingen hongeren heeft als doel het wereldse te ontstijgen en een geestelijk wezen te worden, echter niet een rationeel, zoals bij Holmes, maar een spiritueel.
Maar de middeleeuwen zijn voorbij, en dus ook de mystieke hang naar God. Wie tegenwoordig opzettelijk en vrijwillig afziet van alle aardse genoegens die hem ter beschikking staan - en dat zijn er toch vrij veel - is uitgesproken raar. Dat is een godsdienstwaanzinnige. Of een communist. Of een Greenpies. Of een Irakese asielzoeker. Of een moeilijk meisje met moeilijke problemen. Aan niet-eten, opzettelijk hongeren, wordt door onze cultuur automatisch een (hoger) doel, een (diepere) zin, een (bredere) betekenis toegekend, in tegenstelling tot aan wel-eten, dat eenieder zonder verdere drukte en problemen naar hartelust doet.
De hongeraar dient zich telkens te verantwoorden. De versterver wordt altijd direct gevraagd waarom hij dat doet, welke principes hem in godsnaam naar zijn verbijsterende gedrag hebben gedreven - net zoals vegetarisme, eenmaal opgebiecht, steevast verantwoord en gemotiveerd dient te worden. Ooit aan iemand die net de laatste vijf centimeter van een frikadel-speciaal in zijn mond propte (en een paar vegen van het speciaal over zijn wangen smeerde) gevraagd waarom hij vlees at, of dat 'uit principe’ was en of hij daar de wereld mee dacht te verbeteren?
Precies.
Eten is de norm, niet-eten de afwijking. Dat is niet raar, en dat is ook niet erg. We voeden onszelf, anders gaan we dood.
Maar het gaat mij om het stompzinnige, het vanzelfsprekende, net niet-nadenkende, het niet-proevende eten, het moderne, afgestompte doorgefebode consumeren van vandaag. Proeven mensen nog wat ze eten? Hebben ze nog in de gaten wat ze hap na hap, bak na bak in hun nimmer rustende mond stoppen? Voedsel moet vullen, eten dient in de eerste plaats de maag: het lichaam moet vol zijn, eventuele leegtes van binnen uit voorzorg alvast gevuld met wat maar vullen kan.
Weet de onaandachtige eter van vandaag nog wel wat zijn lichaam is? Waar wat zit? Hoe het in elkaar zit? Waar het pijn kan doen en waar het plezier kan schenken? Negentig procent van de mensen in het Westen, ons volgevreten Westen, is te dik. Tot mijn verbijstering kwam bij een tv-debat over overgewicht en dik-zijn problemen niemand op het idee dat minder en beter eten ook een mogelijkheid was voor al die te zware mensen. In plaats daarvan huilde men op elkaars brede schouder over het 'verpeste leven’ dat men nu leidde, over de praatgroepen die men moest bezoeken en zo voort. Dat je over het algemeen heel dik wordt van heel veel en fout eten, was uit alle ronde hoofden verdwenen.
MAGERZUCHT IS ook een protest tegen onze volgevreten maatschappij. Ik ben solidair met iedere hongerstaker. N'importe.
Ik ben opgegroeid met de Einstürzende Neubauten, als een einstürzender Neubau. Mager vind ik mooi; de dood schijnt erin door. Ik zou niet dik willen zijn, niet kunnen zijn. Dik zijn is profaan, zo uitgesproken aards. Het zware lichaam wordt als het ware naar beneden gezogen door de zwaartekracht, zit meer en meer aan de modderige aarde vast. En onder al dat vetweefsel, onder al dat zinloze vlees, verdwijnt dat prachtige, eerlijke, oprechte, sterke, buigzame, trotse, steunende en solidaire geraamte geleidelijk steeds verder. Hongeren is goed, het opent deuren naar ongekende, geestelijke en spirituele mogelijkheden die ieder mens heeft, maar die tegenwoordig, in dit overhangende, uitpuilende leven, wegzakken in klotsend, lillend en trillend vet.