Nooit meer hamlet

Deze maand gaat ‘Advocaat van de hanen’, de film van Gerrit van Elst naar het boek van A. F. Th. van der Heijden, de Nederlandse bioscopen in. Wat men ook van de film mag vinden, een ding staat vast: Pierre Bokma speelt iedereen van het doek. De acteur over zichzelf: ‘Waar is meneer Bokma in godesnaam?’

HIJ KOMT Bahasa Indonesia brabbelend binnen. Van de taalcursus voor zijn rol van planter in Gordel van smaragd, een driedelige televisieserie van Orlow Seunke. En onder zijn arm heeft hij de tekst van Ashes to Ashes, het nieuwe theaterstuk van Harold Pinter: ‘Het is nog nat, bij wijze van spreken. De wereldpremiere is in Londen en bij Toneelgroep Amsterdam begint de premiere officieel een half uur later, maar in het echt een half uur eerder, vanwege de Greenwich-tijd.’ Een gulle lach van Pierre Bokma.

We zullen zijn toneel- en filmcarrie`re niet langsgaan. Niet al die holle professionele frasen waar hij zo'n hekel aan heeft en de anekdoten die hij al zo vaak heeft verteld. Nee, we gaan proberen de motor van een veertigjarige bloot te leggen. En dat is knap lastig, vooral voor Bokma zelf. Want hij is iemand die zichzelf voortdurend hoort praten: 'Wat een onzin kraam ik uit - stop, over.’ 'Dit antwoord is wel weer very sophisticated gelul.’ 'Ja, dit is goed, laat lopen dat bandje.’

We hebben wél een aanleiding: de film Advocaat van de hanen, waarin Bokma de hoofrol speelt. Ik zeg hem dat A. F. Th. van der Heijden verbijsterd was toen Pierre Bokma op het witte doek verscheen, dat hij zich tot in elk detail de kwartaaldrinkende advocaat Ernst Quispel zo had voorgesteld. Bokma: 'Zei Adri dat tegen je? Dat vind ik ongelooflijk aardig. Ik heb de film gedaan omdat de Quispel-figuur heel veel met Bokma te maken heeft. De manier waarop hij met mensen omgaat, de manier waarop hij in zijn beroep is gerold, de manier waarop hij aan zijn drinkgewoonten is blijven hangen. Hij dobbert als een baken in de zee van ontuchten. Die dansen als vliegen om hem heen en gaan nooit meer weg. Aan de ene kant is Quispel iemand die een enorm gevoel voor humor heeft en die in zijn drinkperioden met gulle hand de schatten weggeeft die hij in zich bergt en die hij eigenlijk nooit laat zien. Aan de andere kant is hij iemand voor wie het leven voor driekwart bestaat uit reizen door een tunnel. Maar hij doet dat met een vaart die aangeeft dat hij op weg is naar dat kleine moment van licht. Van der Heijden heeft een boek geschreven over zo'n tunnelwezen om te laten zien dat er ook nog licht in dat leven is, enorme vrolijkheid. Dat zijn de momenten dat je drinkt. Dan leef je, dat zegt hij letterlijk in Advocaat van de hanen.’

Maar je zou ook kunnen zeggen dat Quispel door de hel van het drinken heen moet om het gewone leven weer aan te kunnen, om weer te kunnen voelen, liefhebben.

'Nee, Van der Heijden beschrijft niet de hel, hij beschrijft de hemel. Quispel die uit zijn ketenen wordt bevrijd door te drinken, wat wij ontucht vinden. Die zich als een Houdini aan dat duistere, zorgelijke leven ontworstelt om uiteindelijk in die hemel van drank te komen. Tot de laatste drie, vier dagen - dan voelt hij dat de batterij leeg is, om met Van Gaal te spreken.’

Je praat er met zo'n lol over, maar die extraversie van Quispel in zijn drankperiode is toch bijna toneelmatig, onecht?

'Nee, dat is de werkelijke Quispel. Dat is de Quispel die dolgraag naar de toneelschool had gewild. Quispel wordt pas werkelijk als hij drinkt of droomt. Want de droom is de dronkenschap van de geest, de house-party van de geest. De consequenties zijn natuurlijk gruwelijk, die vinden plaats als hij weer de regels volgt. Wij praten over verderfelijkheid als het leven regelloos wordt, maar het is natuurlijk de hemel. Zo stel ik me de hemel voor.’

JE BENT VEERTIG en geen jeune premier meer.

'Nee. Gelukkig niet. Dat jeugdige is er gewoon af. Ik sta nu aan de grens, ik moet mijn paspoort laten zien. Laten zien of ik wel mag leven. Toch?’

Op het toneel heb je nu zo'n beetje alles gedaan, van Hamlet tot Ivanov. Loopt die ontwikkeling parallel aan de ontwikkeling van Pierre Bokma? Of is een acteur een soort hoer die zo…

’…oprecht mogelijk… ja ja ja, nee nee. Het heeft gewoon met je leeftijd te maken welke rollen je speelt. Omdat ik Hamlet al heb gespeeld, zal ik hem nooit meer spelen. Maar als ik hem nog nooit had gespeeld, dan denk ik niet dat ik het op deze leeftijd nog zou doen. Ik vind dat aan Hamlet een heel specifieke levenshouding ten grondslag ligt. Hij houdt het midden tussen de James Dean-achtige rebel en de wijzerik, de beste- van-de-klasserik. Twee uitersten die zonder enige tour de force met elkaar verbonden moeten zijn. Dus je moet in de overgangsperiode van jeugd naar volwassenheid zitten. Bij de film sta ik veel meer aan het be gin van mijn mogelijkheden dan bij het toneel. Film is voor mij nog een kinderlijke uitdaging.’

Daar moet je je Hamlet nog spelen.

'Precies. Daar zou ik een keer, bats, willen dat ik weet: yes, dat zijn de knoppen. Ik zie dat paneel niet voor me, begrijp je, ik kan dat schip niet besturen. Bij het theater kan ik het schip wel besturen, maar daar is de route me een raadsel. De slag bij Poitiers, ken je die? Waar Karel de Grote in zevenhonderdzoveel de Moren overwint en de deur naar het noorden dichtslaat voor de islam. De legende wil dat Roelant sneuvelt in een achterhoedegevecht terwijl Karel al wegtrekt. Film nu is voor mij dat fenomeen Roelant, dat achterhoedegevecht. Even belangrijk en heroisch, maar op een kleinere schaal dan de hoofdmacht van Karel, die voor mij het toneel is. Die is redelijk zeker van zijn zaak. Ik hoop niet dat het voor mij net zo uitpakt als voor Roelant. Maar ik wil heel graag film leren spelen om het toneelspelen veiliger te maken, veilig te stellen. Ik vraag me af of deze vergelijking wel door iemand wordt opgepikt, want ik heb van die rare, kromme beelden.
Soms denk ik, is het te laat voor een filmcarriere? Ik vermoed dat er over mij het idee bestaat dat ik de intensiteit van het toneel niet in een verfijnde, genuanceerde vorm voor de camera kan brengen. Ik ben het er wel mee eens dat ik mezelf soms beperk in mijn kunnen, maar ik word ook wel beperkt door filmregisseurs. Ik heb een aantal regisseurs meegemaakt die na een scene riepen “jaja, dat is goed”, terwijl ik dacht, die zeggen dat alleen maar tegen Bokma omdat het Bokma is. Of ze riepen, als je uithaalt, er plezier in krijgt en je erin gooit: “Nee, doe maar minder, doe maar minder”, van die onhandige aanwijzingen. Waar? Daar? Hij? Zij? Wie? Maar goed, dat negatieve beeld zal er niet lang meer zijn, als het aan mij ligt. Een soort John Malkovich worden? Nee, ben je gek, John Malkovich, hallo zeg, hallo! Ja, dat zou ik graag willen worden, ja.’

ALS JE ZOU kunnen kiezen…

Bokma, stellig: ’… welke rol zou je dan over willen doen? Dat zeg ik niet, nou laat ik het gewoon zeggen: Quispel. Omdat ik absoluut niet tevreden ben over die rol. En Hamlet. Inderdaad, die wilde ik niet meer doen, maar wel als ik de eigenschappen voor Hamlet weer puur en maagdelijk voorhanden had. Maar die heb ik natuurlijk niet meer.’

Je uit je vaak sceptisch over je eigen prestaties, en of je die grote prijzen al had moeten krijgen.

'Ik ben nog lang niet tevreden met het percentage van mijn eigen verwachtingen dat ik heb gehaald, begrijp je. En prijzen zijn altijd door de buitenwacht opgedrongen punten. Behalve de Albert van Dalsum-ring die ik een paar jaar geleden kreeg, dat is nu juist geen punt, maar een opdracht. Het was een enorme eer om die van Peter Oosthoek te krijgen en ik vind het hartstikke leuk dat ik die mag doorgeven. Al heb ik hem volgens mij nog helemaal niet verdiend. Maar waar een mens gek en oud van wordt, zijn al die verwachtingen. Dat red ik allemaal niet en ik wil ook helemaal niet voldoen aan verwachtingen van anderen, ook niet aan de meest eenvoudige. Er is geen enkele oorspronkelijke vrijheid meer. Alles wordt genotuleerd - dit mag je allemaal opschrijven.

Op de toneelschool in Maastricht speelde ik in Koudgemaakt, een improvisatiestuk. Dat is het enige toneelstuk tot nu toe waarin ik me totaal gelukkig voelde. Dat zijn we nu opnieuw, met dezelfde ploeg, aan het terughalen om te kijken of daar weer iets van gemaakt kan worden. Dat is verschrikkelijk leuk om te doen, maar zo moeilijk. Ik merk dat dat improviseren na vijftien jaar niets anders is dan het afstoffen van je talent. Het is verbijsterend hoe hardnekkig het vuil is dat in die vijftien jaar om je talent heen is gaan zitten. Angstaanjagend is het. Ooit mocht je het allemaal gestalte geven, je talent ontdekken, en dan schaalt men je in en vervolgens word je beperkt. “Dat is wat hij het allerbeste kan”, zeggen ze dan, “en verder zoeken we niet want dat duurt allemaal te lang en kost te veel geld.” Het werkt als een omgekeerde friteszak. Je begint aan het grootste gat en je merkt dat je naar de punt van de zak toewerkt. Er komen steeds minder frietjes in te zitten. Grote god, hij wordt steeds nauwer! Maar de verwachting is precies andersom. Je bent nog niks en men verwacht dat je steeds groter wordt.’

En je persoonlijkheid dan, is dat geen factor die een tegenwicht kan vormen?

'Maar die heb ik helemaal niet. Ik mis dat tegenwicht. Dat lijkt in het begin juist makkelijk, omdat je dan alle kanten op kunt. In mij verzet de Raad van Bestuur zich niet tegen welke rol ook. Maar later is je karakter de vaste grond waarop je kunt staan en waarop je kunt vertrouwen. Als je dat niet hebt, kom je in een moeras terecht waarin je kunt verdwalen. Nou ja, je moet het wel een beetje in het juiste licht zien. Ik heb geen herke`nbare, geen constante identiteit. Ton Lutz heeft ooit gezegd dat Gijs Scholten van Aschat een acteur was en ik een komediant, met als argument: “Als Gijs speelt dat hij denkt, dan denkt hij, en als Pierre denkt, dan speelt hij dat hij denkt.”

De uitdaging is dat ik gewoon de allerallerbeste wil zijn, numero uno. Ik kan het niet uitstaan als ik het gevoel heb dat ik dat niet ben. En dat gevoel heb ik nu. Dat is het enige reflectieve aan deze leeftijd. Dat heeft er niets mee te maken wie de leukste is in een stuk. Het is de norm die ik zelf stel. En het heeft ook niets te maken met een identiteitscrisis, want ik denk dat elke goede acteur permanent in een identiteitscrisis verkeert. En elke boerelul komt op een punt in zijn leven dat hij denkt: En wat heb ik nou allemaal gedaan? Is er nog genoeg veerkracht in de plank om een andere maar even mooie sprong te maken? Iets verder maar minder spectaculair?’

Je definieert je leven heel erg via het toneel. Wil je niet eens af van dat cliche dat er over jou bestaat, dat cliche van die lege chaos waarin je leeft, die woning met zes stoelen en een televisie?

'Toneel wordt nooit saai. Je blijft streven naar de absolute perfectie. En dat is altijd een compromis. Maar het moet minstens het absoluut perfecte compromis zijn. Daar ligt mijn geluk, dat zijn de vleugels waar naar ik op zoek ben. Ze zijn er wel, alleen worden ze maar niet van mij. En die spreekwoordelijke zes stoelen thuis zijn natuurlijk zes stoelen waarvan elke psycholoog een enorme taart kan bakken. Ik woon alleen, dus er zijn altijd vijf stoelen waar niemand op zit.
Zes grote leren stoelen op de anderhalve verdieping waar ik niet echt leef. Dat is natuurlijk raar, want je koopt geen zes stoelen als je van tevoren weet dat er nooit iemand op gaat zitten. Je denkt alleen, nou dit lijkt me een leuk stel stoelen… Zeg, dit is oninteressant!’
Maar iedereen heeft toch een rustpunt nodig?

'Ik ben natuurlijk jaloers op mijn zeer gewaardeerde collega Gijs Scholten van Aschat, die me zei: “Ik ben toch veel burgerlijker dan jij.” Als slotheer van zijn huis en haard kijkt hij misschien wel eens jaloers naar de lonely wanderer Bokma. Elke vraag die je me stelt moet je me stellen vanuit de wetenschap dat ik iemand ben die, zonder dat hij daar interessant over wil doen of helse pijnen lijdt, gewoon heel, heel erg alleen is. En dat helemaal niet zo vreselijk vind. Ik ben als de dood voor mensen om mij heen. Ik denk niet vrijuit te kunnen praten. Dat heeft er alles mee te maken dat ik in een gigantische onwaarheid leef. He`, eindelijk zeg ik zinnige dingen.

Kijk, als je het toneelspelen op de eerste plaats zet, verkeer je in een soort hyperbewustzijn waarin niets meer echt is. Een pasta, een gelei van onwaarheid die als een ziekte doordringt in alles in je leven. Bij alles denk je, ik moet iets voorspelen, want er wordt wat verwacht. En vervolgens zit je zonder dat je het weet in een leugen. En dan dekken de kosten de baten niet om weer terug te gaan naar de waarheid. Dan loop ik door de stad en denk ik: waar is meneer Bokma in godesnaam? Daarom ga ik naar verre landen, daar ben ik niet meer dan mezelf. En dat is verdomd weinig.’

VANWEGE PIERRE BOKMA’S onophoudelijke reflectie op zijn eigen rol in het interview spreken we af dat hij zichzelf tot slot de vraag stelt die hij het liefst wil beantwoorden.

'Ja kijk, wat Pierre Bokma aan zichzelf zou willen vragen is een vraag die hij niet kan beantwoorden: waar haal ik toch door alle periodes in mijn leven heen dat onverminderde zelfvertrouwen vandaan? Ook al staat het er nog zo slecht voor, het is alsof ik als Bokma een ander en afgeschermd leven in dat leven leid. Hoe dat werkt, is me na al die jaren nog steeds een volslagen raadsel. Waarom is er zelfs in de meest beroerde situaties toch altijd een stem in me die heel rustig zegt: dat zijn de dingen die jij kunt. Ik ken mensen die fundamenteel onzeker zijn, waardoor er de meest mooie en de meest kwetsbare dingen met ze gebeuren, maar ook de meest gruwelijke, afschrikwekkende calamiteiten. Let wel, ik voel me op geen enkel wijze onkwetsbaar. Ik word wel degelijk geraakt, bijvoorbeeld door de hetze die gaande is tegen Toneelgroep Amsterdam, daar wind ik me vreselijk over op.’

Maar je hebt toch het imago van de jongen die, met zijn verleden van internaat en pleeggezinnen, altijd alles alleen heeft moeten doen en daarom tegen alles bestand is?

'Dat is natuurlijk helemaal niet waar. Dat is wat mensen altijd met een zeker medelijden concluderen en daar word ik strontziek van. Mijn jeugd was niet altijd even alledaags, maar er zijn zoveel mensen die mij tot in het absurde hebben gesteund. Als mensen zich van mij hebben afgekeerd, was dat omdat ik ze onbedoeld, op een heel onnadenkende wijze vol in het kruis heb geschopt. Nee, om mijn vraag te beantwoorden zou ik mijn eigen voordeur uit moeten lopen, om mezelf heenlopen en via de achterdeur weer naar binnen. En dat is ten enen male onmogelijk. Maar het is wel de juiste vraag.’