De Nederlandse middenklasse: Het ideaal en het doemscenario

Nooit meer honderd procent zekerheid

Wat is dat eigenlijk, middenklasse? Een manier van leven, een redelijk inkomen of een rotsvast vertrouwen in een vaste baan, een eigen huis en een mooie toekomst? Daar knaagt het.

Eerst waren het vooral mensen met een bescheiden inkomen die aanklopten. Soms kwam er een failliete Turkse of Marokkaanse ondernemer, die kampte met een berg betalingsachterstanden. Maar een aantal jaren geleden zag Joke de Kock, behalve manager schuldhulpverlening bij de gemeente Tilburg ook voorzitter van de schuldenbrancheorganisatie nvvk, ineens de klandizie veranderen. Sindsdien melden zich massaal mensen die tot voor kort gemiddeld of zelfs heel goed verdienden.

Zoals de voorman in een productiebedrijf. Dertig mensen had hij onder zich. Een prima baan. ‘Voor altijd… dacht hij’, herinnert De Kock zich. ‘Maar niet dus. Deze man had geen diploma’s. Toen hij ontslagen was, kwam hij zelf aan de productielijn te staan. Als klap op de vuurpijl verloor vervolgens ook zijn vrouw haar parttime baan. Plotseling moesten ze het met duizend euro per maand minder doen.’

Dergelijke voorbeelden van middenklassers die in de crisis aan lager wal raken, stapelen zich volgens De Kock op. ‘Die mensen – bij de overheid, makelaars, consultants, notarissen – denken allemaal safe te zitten. Maar dat is niet langer zo. Ze hebben vaak een hoge hypotheek, creditcards, maar geen financiële buffer. Als hun inkomen dan terugvalt door ziekte of ontslag kunnen de schulden in korte tijd zo oplopen tot dertigduizend euro.’

Is de Nederlandse middenklasse aan het uitsterven? De vraag is minder vergezocht dan het lijkt. Vanuit de Verenigde Staten komen verontrustende verhalen over hoe uitgerekend de middengroepen slachtoffer zijn van de economische malaise. Hun ogenschijnlijke welvaart bleek gebouwd te zijn op een wankel fundament van hypotheek-, creditcard- en studieschulden. Nu die zeepbel is doorgeprikt wordt de ware toestand van de Amerikaanse middenklasse zichtbaar. Wat we zien, oogt weinig fraai. Veel average Americans zijn de afgelopen decennia meer en harder gaan werken – voor minder geld. All Work and No Pay: The Great Speedup, luidde de veelzeggende kop boven een beschouwing in het progressieve tijdschrift Mother Jones.

Ook dichter bij huis rommelt het. De eurocrisis heeft de middenklasse in de Zuid-Europese landen zwaar getroffen. Zelfs in het succesvolle Duitsland is het niet enkel rozengeur en maneschijn. Als gevolg van de globalisering staan de lonen van voorheen goed betaalde beroepen onder druk. Dat leidde enkele jaren terug, nog vóór het uitbreken van de crisis, al tot verontrustende cijfers van het Deutsches Institut für Wirtschaftsforschung. Het aantal Duitsers dat in financieel opzicht tot de middengroepen kon worden gerekend, was tussen 2000 en 2006 geslonken van 62 naar 54 procent. Slechts een fractie van die acht procent drong door tot de rijke bovenklasse. De rest kelderde op de maatschappelijke ladder. In Der Spiegel noemde een van de onderzoekers de erosie van de middenklasse zelfs dreigend een ‘onomkeerbaar proces’.

Dreigt zo’n zelfde doemscenario voor de Nederlandse middenklasse? Het antwoord daarop blijkt nog niet zo eenvoudig te vinden. Want wat is dat eigenlijk, middenklasse? Hoewel opeenvolgende kabinetten niet moe worden hun solidariteit te betuigen met ‘de middengroepen’ en ‘de hardwerkende Nederlander’, lopen wetenschappers er het liefst met een grote boog omheen.

‘De’ middenklasse bestaat dan ook niet, zo blijkt na een rondgang langs tal van deskundigen en bestudering van stapels rapporten. Dat maakt het lastig om de vinger te krijgen achter haar mogelijke neergang. ‘Er is geen theoretische consensus over waar de middenklasse begint en eindigt’, vat Jaco Dagevos van het Sociaal en Cultureel Planbureau het probleem samen. ‘De middenklasse is een heel rekbaar begrip’, stelt ook Nico Wilterdink, emeritus hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Het woord wordt ontzettend vaak in de mond genomen, maar in de sociologie is er geen standaardbetekenis. Juist omdat de contouren zo onduidelijk zijn. Waar ligt bijvoorbeeld de grens tussen de middenklasse en de hogere klasse?’

Sommige definities doen anno 2012 zelfs ronduit knullig aan. Neem opleiding als criterium. De lagere klasse zou dan bestaan uit mensen met hooguit een vmbo-opleiding, de upper class bezocht een hbo of universiteit. Blijft over de middenklasse: die heeft een havo-, vwo- of mbo-diploma op zak. Maar met het stijgen van het gemiddelde opleidingsniveau van de Nederlander lijkt zo’n indeling achterhaald.

Volgens anderen is de middenklasse bovenal een state of mind, een manier van in het leven staan. Of mensen objectief tot de middenklasse behoren, is zo bezien minder relevant. Het gaat om hun zelfopvatting. Zo beschouwd is de middenklasse springlevend. Toen het Pew Research Center in 2010 aan Amerikanen vroeg tot welke klasse ze behoren, bleek negentig procent van de bevolking zichzelf te rekenen tot de middenklasse. Maar de meningen over waar de grens lag met de onderklasse liepen ver uiteen. Mensen met een jaarinkomen van 45.000 dollar meenden dat de middenklasse begon bij 40.000 dollar. De fortuinlijken die jaarlijks 150.000 dollar opstreken, legden de ondergrens op een ton.

Iets soortgelijks is in Nederland zichtbaar. In 2006 polste het Sociaal en Cultureel Planbureau ruim tweeduizend Nederlanders over hun maatschappelijke positie. Meer dan twee op de drie burgers bleek zichzelf tot de hogere of lagere middenklasse te rekenen.

Toen onderzoeker Gwen van Eijk diezelfde vraag in persoonlijke interviews voorlegde aan een veel kleinere groep mensen in de Rotterdamse wijken Blijdorp en Hillesluis was het antwoord nog eenduidiger. Driekwart van de respondenten schaarde zichzelf onder de middenklasse, vertelt Van Eijk, die als criminoloog en stadssocioloog verbonden is aan de Universiteit Leiden. Veelzeggend detail: de weinige gesprekspartners die zich tot de lagere klasse rekenden, noemden die situatie stuk voor stuk ‘tijdelijk’. Eigenlijk waren ook zij middenklassers, alleen zaten ze door omstandigheden nu even in de schulden. Van Eijk: ‘Het viel me op dat Nederlanders vrij makkelijk praten over wat klasse is. Tegelijkertijd voelen mensen zich oncomfortabel bij het benoemen van klassenverschillen. Vooral het idee dat anderen – of wijzelf! – lager staan, ligt gevoelig. Zo bezien is de middenklasse het veiligste antwoord. Er is weinig eigen aan middenklasse-zijn. Het is vooral een beschrijving van wat je niet bent: heel rijk of erg arm. Je zit gewoon overal tussenin.’

Maar voor een ogenschijnlijk neutrale categorie wordt de middenklasse wel heel erg geïdealiseerd. Zij staat voor een leven in zekerheid en comfort. In een speciale aflevering van Christen Democratische Verkenningen werd enkele jaren geleden de middenklasse opgehemeld als een garantie ‘voor het tegengaan van allerhande sociale problemen’. Volgens de oeso is de middenklasse met haar waarden van ‘onderwijs, hard werken en spaarzaamheid’ zelfs van niets minder dan cruciaal belang voor onze samenleving. Sterker nog, zij is ‘de bron van alle benodigde ingrediënten voor groei in een (…) economie’.

Niet voor niets richtte president Obama kort na zijn aantreden een heuse Middle Class Task Force op, onder leiding van vice-president Joe Biden. Juist omdat de middenklasse – onterecht, wellicht – wordt gezien als de ruggengraat van de maatschappij, boezemt haar mogelijke teloorgang zoveel vrees in.

Het ideaal van de middenklasse is dus allerminst op z’n retour. Integendeel, de politiek prijst de middenklasse meer dan ooit de lucht in, en de burger wil er nog altijd met graagte toe behoren. Maar hoe terecht is dat? Strookt het zelfbeeld van de Nederlanders als middenklassers nog altijd met hun ware maatschappelijke positie? Of ziet de werkelijkheid er anders uit?

De beste, ‘harde’ indicatie daarvoor – bij gebrek aan beter – is en blijft de portemonnee. Socioloog Wilterdink deed hier gedurende zijn lange loopbaan diverse malen onderzoek naar. Het begon met zijn proefschrift, in 1984. De strekking van het verhaal was hoopgevend: in de twintigste eeuw is de ongelijkheid in Nederland duidelijk afgenomen. Tot zo ver alles goed. Maar aan het einde van het proefschrift plaatste Wilterdink een voorzichtig voorbehoud. Hij uitte het vermoeden dat aan die jarenlange trend wel eens een einde kon komen. Dat vermoeden bleek juist, erkent Wilterdink nu. ‘Er heeft begin jaren tachtig in alle westerse landen een omslag plaatsgevonden, van nivellering naar denivellering’, vertelt hij op zijn in een kelder gevestigde werkkamer, die hij deelt met twee andere emeriti.

Toch is het lastig te zeggen wat de gevolgen van de groeiende ongelijkheid zijn voor de middenklasse. ‘De inkomens aan de top zijn harder gegroeid dan de rest. Denk aan de beloningen voor managers, gouden handdrukken en bonussen’, zegt Wilterdink. Tegelijkertijd is die pijn voor de middenklasse lange tijd verzacht doordat ook de kloof met de lagere klasse groeide, als gevolg van de forse versobering van uitkeringen en minimumloon.

Valt het in Nederland dus wel mee? Misschien als we enkel naar inkomen kijken, denkt Bas van Bavel, hoogleraar economische en sociale geschiedenis van de Middeleeuwen aan de Universiteit Utrecht. Maar dat is volgens hem slechts de helft van het verhaal. Toen Van Bavel onderzoek wilde doen naar vermogensongelijkheid door de eeuwen heen liep hij vast in de recente geschiedenis. In Nederland bleek de aandacht voor dit thema dusdanig verflauwd te zijn dat het verzamelen van gegevens verwaarloosd was. Tot verbazing van Van Bavel: ‘Toen eind negentiende eeuw de vakbonden en socialistische partijen opkwamen, was de vermogensverdeling juist het eerste wat aan de kaak gesteld werd. Zij wisten maar al te goed: vermogen is macht. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat dit idee achterhaald is.’

Hij besloot er samen met een Nederlandse en Duitse collega een onderzoek aan te wijden. ‘Vroeger konden mensen vertrouwen op WW-uitkeringen, pensioenen, goede verzekeringen voor ziektekosten, enzovoort’, vertelt Van Bavel. ‘Alle grote schokken in het leven werden in feite opgevangen door de verzorgingsstaat. Maar als die wegvalt – en dat is wat op dit moment deels gebeurt – dan moeten mensen een beroep doen op hun vermogen.’

Hoe groter de vermogensongelijkheid is, hoe meer mensen er zijn die geen buffer hebben om zulke schokken op te vangen. En helaas maar waar, deelt Van Bavel mee: anders dan de inkomensongelijkheid is de vermogensongelijkheid in Nederland wél erg groot, ‘te vergelijken met de Verenigde Staten’. De meerderheid van de Nederlanders heeft een negatief of slechts zeer gering vermogen.

Tegelijkertijd zit het grote geld steeds meer geconcentreerd aan de top. Dat is volgens Van Bavel mede het gevolg van een bewuste politiek. Een reeks fiscale hervormingen in 2000, uitgerekend door de latere pvda-leider Wouter Bos, heeft de rijken rijker gemaakt. Bovendien is de vennootschapsbelasting fors verlaagd. ‘Het gevolg is dat grote vermogens tegenwoordig slechts belast worden met een beperkte vermogensrendementsheffing. Die is relatief lager dan de loonbelasting voor middeninkomens’, merkt Van Bavel op.

Anders gezegd: arbeid wordt zwaarder belast dan vermogen. Het is een situatie die doet denken aan de discussies rond de financiën van presidentskandidaat Mitt Romney, die milder behandeld werd door de belastingen dan menige Amerikaanse middenklasser.

Wat zegt dat over de toestand van de vaderlandse middenklasse? In elk geval is van haar spoedige verdwijnen geen sprake. ‘Onzin’, meent ook Wilterdink. ‘Dat zou pas het geval zijn als je een heel grote kloof krijgt tussen een steenrijke bovenlaag en een enorme uitgebuite arme massa. Dat is de voorstelling die Karl Marx had van de ontwikkeling van het kapitalisme. Maar in werkelijkheid blijft de grote meerderheid van de Nederlandse bevolking tussen die onderlaag en top in zitten.’

Toch is de angst voor het afbrokkelen van de positie van de middenklasse niet zomaar uit de lucht gegrepen. Wat de macrocijfers namelijk niet laten zien, zijn de barsten in het voor de middenklasse kenmerkende streven naar zekerheid. ‘De onzekerheid die voorheen voorbehouden was aan de onderklasse – tijdelijke contracten, flexibele banen – treft steeds vaker ook de hoger opgeleide middenklasse. Denk aan de zzp’ers. Of de universiteiten, waar vaste contracten voor de jongere generaties heel moeilijk te krijgen zijn. Daar zit de bedreigde middenklasse.’

Juist omdat de middenklasse meer een ideaal is dan een objectieve categorie kunnen die scheurtjes extreem destructief uitwerken. Middenklasser zijn, dat betekent bovenal dat je je geen grote zorgen hoeven te maken. Elke aanwijzing dat de zekerheden van de middenklasse geen absoluut gegeven zijn – een gezin verderop in de straat dat ineens gedwongen is het huis te verkopen, een collega die ontslagen wordt – kan daar afbreuk aan doen.

En aanwijzingen zijn er sinds enkele jaren te over. Zo signaleert de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling (rmo) in een recent rapport ‘naast sociale stijging ook een nieuwe trend van sociale daling’. Die treft vooral mannen. Neem het onderwijs. Bijna één op de vijf mannen tussen de 26 en 40 jaar zal het opleidingsniveau van zijn ouders niet evenaren, laat staan overtreffen.

Voorheen veilige, vaste banen zijn in de crisis evenmin zeker. Maar vooral de aantasting van de in het eigen huis geconcentreerde vermogens van de middenklasse speelt parten. Veel woningen staan inmiddels ‘onder water’. Van de ruim vijf miljoen eigen woningen heeft naar schatting tussen de tien en twintig procent een lagere hypotheekwaarde dan de schuld. Als deze eigenaren door omstandigheden worden gedwongen hun huis te verkopen, zitten ze van de ene op de andere dag diep in de schulden.

Dat dit steeds vaker realiteit wordt, bevestigt ook Nadja Jungmann, adviseur en lector schulden en incasso aan de Hogeschool Utrecht. ‘Tot ruim twee jaar geleden had vrijwel iedereen in de schuldhulpverlening een huurhuis. Nu zie je plotseling steeds meer mensen met een eigen huis.’ De reden ligt voor de hand. ‘Geld lenen was de laatste jaren doodnormaal. Je hoefde maar een huis te bekijken of de makelaar vroeg al of je extra geld wilde lenen om de keuken te verbouwen. De buren deden het toch ook? Er was geen publieke verontwaardiging over. Pas nu de economie in het slop zit, ondervinden mensen de consequenties van hun gedrag.’

Behalve huizenbezitters ziet Jungmann in haar werk nog twee groepen middenklassers die een acuut risico lopen van de maatschappelijke ladder te vallen: zzp’ers en goedbetaalde werknemers die in de crisis ontslagen worden. Hun aantal zal volgens haar alleen maar toenemen. ‘Uit onderzoek weten we dat er zo’n vijf jaar zit tussen het moment dat iemand in de schulden raakt en het contact met de schuldhulpverlening.’

Voor deze mensen wacht een pijnlijk aanpassingsproces. Want middenklassers hebben veel meer moeite om het roer financieel om te gooien dan mensen die altijd al een bescheiden beurs hadden, vertelt Jungmann. ‘Ze weten vaak niet de weg naar inkomensondersteunende voorzieningen. En ze zijn gewend aan een ruim budget. Dat is ook de norm in hun sociale omgeving. Dus moeten de kinderen rondlopen in mooie kleren, ze moeten kunnen sporten en natuurlijk elk jaar op vakantie gaan. Een middenklasser vindt het uit schaamte vaak moeilijk om de tering naar de nering te zetten.’