Nooit meer lezen

In de Amsterdamse UB richtte Ilja Kabakov een monument op voor de klassieke leescultuur. Hij ziet het niet zitten met de toekomstige informatiemaatschappij. Staatssecretaris Van der Ploeg echter wel.

ZELDEN ZAL EEN kunstwerk bij zijn feestelijke onthulling zo grondig onderuit zijn gehaald als The Old Reading Room van Ilja Kabakov vorige week donderdag in de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek. In de oude Doelenzaal van de bibliotheek heeft Kabakov een installatie gebouwd die de teloorgang van de oude leescultuur moet verbeelden. Boven de ingang heeft hij de omineuze vraag aangebracht: ‘Is it possible that the computer has really conquered everything?’ In zijn gelegenheidstoespraak in de aanpalende aula van de universiteit legde staatssecretaris Rick van der Ploeg geduldig uit dat a.) die oude leescultuur waar Kabakov met vette nostalgie op terugblikt nooit heeft bestaan, en dat b.) de computer inderdaad de oude leescultuur naar de opslagkelders van de geschiedenis verwijst. Gelukkig maar dat Van der Ploeg zijn déconfiture van Kabakovs kunstwerk in het Nederlands voordroeg en slechts enkele beleefdheidsfrasen in het Engels tot de in New York woonachtige dinosaurus van de sovjet-avantgarde richtte. De pensioengerechtigde kunstenaar, met zijn onafscheidelijke Emilia aan zijn zijde, kon daardoor de hele toespraak lang zachtmoedig blijven glimlachen, ook al omdat de hem toegevoegde tolk, museumdirecteur Rudi Fuchs, het raadzaam achtte de kunstenaar van een al te nauwgezette vertaling te verschonen. Het is overigens een stemmig werkstuk dat Kabakov heeft afgeleverd op uitnodiging van de Universiteitsbibliotheek en het Amsterdamse Fonds voor de Kunst. De eeuwenoude Doelenzaal werd door de kunstenaar verdonkeremaand door er van hout een nieuwe zaal in te timmeren, met aan twee kanten smalle hoge ramen, waardoor namaakdaglicht naar binnen schijnt, terwijl namaakwind de dunne witte gordijnen permanent doet bollen. In het lugubere halfduister van de zaal ontwaart de bezoeker in het midden een aantal kriskras door elkaar geplaatste boekenkasten en vitrines waarin, achter fiks beduimeld glas, met bedachte slordigheid allerlei oude en minder oude boekwerken zijn uitgestald. Ondertussen dendert de opening van Wagners Tannhäuser in oneindige herhaling door de ramen naar binnen. KABAKOV HAALDE ooit wereldfaam als reconstructeur van het sovjetverleden. Na zich als kinderboekenillustrator en verdekt avantgardist door de jaren van Chroesjtsjov en Brezjnev te hebben geploegd, brak voor hem met Gorbatsjovs glasnost een roemrijke tijd aan, waarin de deuren van de grote musea van de wereld voor hem openvlogen. In New York, Parijs, Venetië en ook het Amsterdamse Stedelijk Museum bouwde hij, met fineerhout als basismateriaal en verfijnde ironie als basisgevoel, het armzalige sovjetleven na. Zelden kwam dat concept meer tot zijn recht dan in de krakkemikkige kommunalka (een gemeenschapswoning uit de sovjettijd) die dienst deed als decorstuk voor de opera Life with an Idiot. Als een verwaaide hut in de woestijn stond het staketsel, volgehangen met de parafernalia van de socialistische kleinburgerlijkheid, heel nietig te wezen op het immense Stopera-podium. Niet in maar om het decor heen speelde zich het tragische mysteriespel af rond een bevrijde idioot met de onmiskenbare trekken van Lenin, een satirisch meesterstuk dat zeven jaar geleden in Amsterdam zijn roemrijke wereldpremière beleefde en waaraan werd meegewerkt door louter mastodonten van de sovjetcultuur, die na de perestrojka ineens altijd al aan de goede kant bleken te hebben gestaan: componist Alfred Schnittke, dirigent Mstislav Rostropovitsj, librettist Viktor Jerofejev, regisseur Boris Pokrovski en decorontwerper Ilja Kabakov. Houdt Kabakov in zijn getimmerde commentaren op het vroegere sovjetleven ieder zweempje nostalgie met zijn beheerste ironie afdoende onder de duim, in The Old Reading Room is die ironie ver te zoeken - tenzij hij die heeft verstopt in de keuze van de uitgestalde boeken: oude encyclopedieën, vreemdsoortige naslagwerken, stichtelijke boekjes van allerlei aard, werken van De Genestet en Ter Braak, de sprookjes van Andersen, de geheime leer van H.P. Blavatsky. Wie de ironie ziet, mag het zeggen. En zolang die ironie niet duidelijk is, heeft de nostalgie vrij spel. Nostalgie naar een tijd dat de omgang met het boek tegelijk de omgang was met een heel veld van cultuur, zo legt Kabakov uit in de catalogus bij de installatie. De ideale openbare leesplek is volgens Kabakov een ruimte waarvan de wanden bekleed zijn met statige boeken en waar in het midden een brede houten tafel staat die minzaam wordt beschenen door laaghangende lampen. Het lezen aan zo'n tafel beweegt zich tussen de geconcentreerde aandacht voor het onderhavige boek en de onbewuste aandacht voor wat zich in het 'perifere gezichtsveld’ bevindt: de overige mensen die aan die tafel met hun eigen mysterieuze zaken bezig zijn, de boeken die van de wanden op de lezer neerkijken. 'Dit schept een gevoel van eenheid van cultuur, waar iedereen op afkomt en aan meedoet. Ik ben een minuscuul deeltje van het continuüm van de tijd. Mijn lezen is onderdeel van een gezamenlijk proces en zal doorgaan in de toekomst zoals dat in het verleden is gebeurd.’ EEN WEL HEEL idealistische voorstelling van zaken. Een situatie die, aldus Van der Ploeg in zijn exposé, in werkelijkheid nooit heeft bestaan: niet in de oude leeskabinetten (daar werd vooral gerookt en gekaart), niet in de stadsbibliotheken (dat waren vooral musea), niet in de universiteitsbibliotheken (die werden afgeschermd door de bibliothecarissen) en niet in de openbare leeszalen (dat waren opvoedingsinrichtingen). De bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam werd pas echt een plaats 'waar iedereen op afkomt’ ten tijde van de democratisering in de jaren zestig en zeventig. Maar dan niet in de eerste plaats om er de 'eenheid van cultuur’ te beleven, maar om er koffie te drinken, kameraden te ontmoeten, een stukje stuff te kopen, meisjes te versieren, de revolutie te plannen en het door studenten bezette en door de politie afgesloten Maagdenhuis alsnog via een geïmproviseerde loopbrug binnen te sluipen. Ook dat is allemaal alweer verleden tijd. De huidige bibliotheek ademt een heel andere atmosfeer. Kabakov werd er diep bedroefd van toen hij enige tijd terug voor het eerst de bibliotheek betrad waarvoor hij werd geacht een installatie te bedenken. Helverlichte zalen vol plastic tafels zag hij, kale ruimten die hem vooral deden denken aan armoedige cafetaria’s en geestdodende fabriekshallen. En in plaats van met boeken in de weer te zijn, zaten de meeste mensen als gehypnotiseerde konijnen naar hun beeldscherm te turen, een activiteit die iedere interactie met het 'culturele veld’ in het 'perifere gezichtsveld’ uitsluit. Vandaar Kabakovs overtuiging dat de leescultuur de fase van de apocalyps is ingegaan, een overtuiging die hij heeft verzinnebeeld in een somber stemmende installatie, waar ondergangsmuziek en een straffe wind de ontbinding van de wereld van het boek begeleiden. Die apocalyps lijkt echter allerminst ophanden, aangezien het bij het gebruik van computers nog altijd om de snelle, wereldomspannende uitwisseling van teksten gaat, met alle culturele, ethische en esthetische aspecten van dien. Daaraan zag ook Van der Ploeg in zijn anti-apocalyps, zijn vrolijk-utopische voorspelling dat we op de drempel staan van een even grote omslag in de beschavingsgeschiedenis als toen het schrift zijn intrede deed, wel wat erg gemakkelijk voorbij. In zijn samenleving van de toekomst spreekt men niet langer over teksten maar over 'informatie-eenheden’, niet over lezen maar over 'kennisverwerking’, en niet over bibliotheken maar over 'question-answering systems’. In het najaar, zo kondigde de staatssecretaris aan, start onder zijn hoede een groots project, onheilspellend Infodrome geheten, dat die samenleving dichterbij moet brengen. Hoe het dan met de culturele, ethische en esthetische aspecten moet, blijft in Van der Ploegs weidse visie in het vage. Veel verder dan 'snelle levering van de gevraagde informatie, een aangenaam rustige ruimte en stemmig licht’ kwam hij in zijn toespraak niet, om daar spijtig aan toe te voegen: 'Dat heeft Kabakov toch wel goed gezien.’ Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Zoiets als het Centrum voor Oude en Nieuwe Media, gevestigd in de Waag op de Amsterdamse Nieuwmarkt? Midden in de hoge, gedempt verlichte ruimte staat een klassieke leestafel, beladen met kranten en tijdschriften en voorzien van beeldschermen die in het tafelblad verzonken zijn. De papieren informatiedragers liggen pijnlijk netjes gerangschikt, alsof ze in geen dagen ter hand zijn genomen, en op vier van de vijf beeldschermen prijkt een memootje met de tekst 'Out of order’. De tafel lijkt alleen te worden gebruikt door mensen die wachten tot er plaatsen vrijkomen in het restaurant dat de rest van de ruimte vult. Het beeld is onontkoombaar: de toekomst zit nog in de wachtkamer. En heeft veel geduld.