Nooit meer naar amsterdam

Het engeltje. Uitgeverij Meulenhoff, 94 blz., f 19,90
Wessel te Gussinklo heeft, zo blijkt opnieuw uit zijn onlangs verschenen novelle Het engeltje, een voorkeur voor het type van de schlemiel. In De opdracht (1995), de roman waarmee hij op dit moment hoog op de lijst staat om de Librisprijs 1996 te winnen, projecteerde hij dat in de obstinate puber Ewout Meyster. Het engeltje heeft een 33-jarige drinkebroer uit de provincie als hoofdpersoon, een Utrechtenaar met sik, snor en bril (hij had het zelf kunnen zijn, op de achterflap heet het boek dan ook een ‘ironisch zelfportret’) die in de grote stad regelmatig zijn portie seks en sensatie gaat halen.

Van beroep is hij schrijver, maar wel een die in zijn werk kennelijk al een tijdje droog staat. Om de band met de literatuur niet helemaal te verliezen, volgt hij bij het uitgaan het liefst de voetsporen van Van het Reve. Daarom is cafe Le Fiacre een favoriete tent, want die kreeg ooit een vermelding in Nader tot u.
Als hij tijdens een avondje stappen een beeldschoon, goudblond en sluikharig engeltje van zo'n jaar of 25 tegenkomt dat zich aan de bar aandient met de woorden ‘Alle vrouwen zijn hoeren’, kun je de afloop natuurlijk al zowat raden. Maar nee, dat gaat niet op voor de brave borst die zich, als zoveel lotgenoten uit de provincie, bij zijn nachtelijke escapade nog altijd een anonymus waant, een passant in 'een wereld van het extreme, het bizarre, de excessen en de roes, waarin men wensen heeft, verlangens en aandriften’.
Dat hij wat al te naief blijft rondscharrelen op de grens van het verbodene, zal hij weten ook. In de kroeg wordt hij onmiddellijk herkend als iemand die makkelijk te piepelen valt. Een aange boden pilsje brengt zijn hormoonstelsel danig in de war. De roes die vervolgens bezit van hem neemt, doet de rest. Desperaat drinkend, zijn kansen wegend waant hij zich op weg naar een heerlijk avontuurtje. Maar daarvan is zelfbedrog de belangrijkste architect.
Met vaart wikkelt Te Gussinklo het verhaal vervolgens af naar een ware nachtmerrie. 'Het engeltje’ wordt vergezeld door een 'opoeachtig vrouwtje’ dat haar handen niet thuis kan houden en - zo blijkt weer wat later - door een 'gigantische bul’ die zich voor hun chauffeur uitgeeft. Wil hij met zijn engeltje mee, dan zal hij dit tweetal op de koop toe moeten nemen. Nog voor het ochtendgloren hem heeft kunnen wakkerschudden, zit hij op de achterbank van een pooierslee naast het vieze vrouwtje dat hem onophoudelijk bespringt. Engeltje zit veilig voorin naast de bul. De rit gaat naar Purmerend en brengt hem weer bij zinnen.
Te laat natuurlijk. Ergens halverwege wordt hij uit de auto gelazerd. Beroofd van al zijn bezittingen onderneemt hij daarna de weg terug. En voor de zoveelste keer belooft hij zichzelf nooit meer een druppel alcohol te drinken: 'Thuis zou ik zitten. Schrijven zou ik - ook al ging het niet, ook al kon ik het niet meer. Nooit meer uit. Nooit meer naar Amsterdam.’
En al even plechtig als Ewout Meyster stelt hij zichzelf opnieuw de opdracht om een heremiet te worden, een schrijfslaaf.
Die daad van soberheid heeft in elk geval een vermakelijke novelle opgeleverd, vol vrolijke boosheid, waarin verder ook een beetje de geest van Helga Ruebsamen rondwaart.