Nooit meer punniken

Nieuwe wetgeving stimuleert bedrijven verstandelijk gehandicapten aan te nemen. De werkgevers zijn bereidwillig, maar voorzichtig. ‘Als het niet lukt, kunnen we het contract beëindigen, is de afspraak.’

NIEUWSGIERIG STEKEN de paarden hun kop uit de stal. In de winterkou dampt de hete adem uit hun snuit. De grote ogen zijn gericht op een gestalte in overall, die in een leeg hok hooi bij elkaar harkt. Door de regensluiers over het erf komt jobcoach Frank Sevens aangesneld.
‘Hoe is het Kenneth, lekker aan het werk?’ vraagt Sevens, zijn handen warm wrijvend.
'Ja hoor, Frank. (…)’
'Wat zeg je, Kenneth?’
'Bij de kunstgroep. Ik wil tekenen.’
'Je bedoelt dat je op dinsdagmiddag vrij wilt? Zodat je bij de kunstgroep op het dagverblijf in Zeist kunt tekenen? Dan zou je als tegenprestatie een ander dagdeel moeten gaan werken.’
'Woensdagmiddag. En zondag wil ik ook werken.’
'Op zondag moet je vrij zijn, Kenneth. Je kunt niet de hele week werken. Zeg, hoe doe je dat opstrooien? Krijg je een vast pakketje stro? Mevrouw Nelissen van de manege zei dat je telkens te veel opstrooit.’
'Nu niet meer.’
'Dat is mooi. Zuinig omgaan met de spullen, hoor’, zegt Sevens.
Door de stallen, de geur van voeder en paardenlijven opsnuivend, begeeft Sevens zich naar de kantine, die uitziet op een overdekte drafbaan. Een meisje op een schimmel galoppeert in de rondte. Aan een van de tafeltjes wacht Tiny Nelissen, met haar man eigenares van de Utrechtse manege. Na een tijdje: 'Nogmaals Frank, het risico is te groot. Bovendien zijn er de kosten die we uiteindelijk toch zullen hebben. Op zich functioneert hij goed, we accepteren hem ook zoals hij is. Maar helemaal normaal functioneert hij niet.’
Sevens: 'Mensen als Kenneth zullen nooit dezelfde prestatie leveren als iemand zonder verstandelijke handicap. Dat is ook niet wat we verwachten. Daarom zegt de overheid: u als werkgever hoeft maar een deel te betalen.’
Nelissen: 'Maar alleen al het aanvragen van al die subsidies is een kostenpost erbij. En wat als-ie in de ziektewet belandt? Dan moeten we zelf de stallen uitmesten, want het geld blijft naar hem gaan.’
Sevens: 'Wat zou u doen als ik elders betaald werk voor hem vind en hij vertrekt?’
Nelissen: 'Dan pak ik gewoon een paardenmeisje als stagiaire.’
Sevens: 'Hij verzet wel een hoop werk. Vijf, zes dagen in de week.’
Nelissen: 'Daar geef ik ’m ook een fooi voor. Hij krijgt meer dan Christa, die ook veel minder kan dan hij. Christa hoef ik maar een puntzak snoep te geven en ze straalt al. Kenneth doet harder z'n best, maar hij blijft te veel verbruiken bij het opstrooien.’
Bij de deur draait Sevens zich om. Hij deelt de werkgeefster mee dat Kenneth op dinsdagmiddag wil tekenen in de kunstgroep en dat hij op een ander dagdeel extra wil werken. 'Als het maar niet op woensdagmiddag is’, zegt Nelissen. 'Dan gaat hij achter de meiden aanzitten. Hij geeft ze foto’s, briefjes en cadeaus. Dat is riskant want hij verwacht iets terug.’
Sedert 1996 werkt Kenneth vrijwillig als stalknecht in de manege. Hij is een waardige opvolger van Jaap, die er na twaalf jaar uitgegooid werd. Jaap was bazig en had een drankprobleem. Tussen Jaap en Kenneth in heeft Sevens nog iemand anders geprobeerd. Die had gezegd dat hij fantastisch goed met paarden om kon gaan. Meteen de eerste dag had hij alle stallen van de binnenmanege opengezet, om alles eens flink uit te mesten. Het echtpaar Nelissen was zich rot geschrokken. Vanaf toen lieten ze hem met een aardappelschilmesje het pad onkruidvrij maken. Over Kenneth waren mevrouw en meneer Nelissen direct goed te spreken. Ze vroegen meteen een nieuwe aan. 'Ik was terughoudend’, zegt Sevens als hij bij de manege vandaan rijdt. 'Ik zei: neem eerst Kenneth eens in dienst. Je hebt er zo veel profijt van. Helaas, het mocht niet baten.’
IN NEDERLAND ZIJN op dit moment driehonderd jobcoaches actief. Hun taak is verstandelijk gehandicapten (de benamingen 'mongool’, 'debiel’, 'zwakzinnige’, of zelfs 'geestelijk gehandicapte’ zijn taboe verklaard) aan een betaalde baan te helpen en ze in hun werkzaamheden te begeleiden. Mogelijke kandidaten worden aan een arbeidsinteressetest onderworpen, tevens wordt gekeken naar persoonlijke vaardigheden. Met de uitslag gaat de jobcoach op zoek naar een geschikte werkgever. Als die eenmaal gevonden is, coördineert de jobcoach een intensieve inwerkperiode: van de werkgever mag niet verwacht worden dat hij zich voor de kandidaat extra moet inspannen.
Liefst vier wetten (Wet REA, de Arbeidsvoorzieningswet, WIW, NWSW) zijn de afgelopen jaren in het leven geroepen om de werkgever met financiële prikkels het profijt van begeleid werken te doen inzien. Als iemand slechts zestig procent presteert van wat een reguliere arbeider presteert, kan de werkgever voor de resterende veertig procent loondispensatie krijgen. Daarnaast kan de werkgever alle loonkosten van het eerste jaar voor de helft teruggestort krijgen, een kleiner percentage in het tweede en derde jaar, om pas in het vierde jaar volledig zelf uit te hoeven betalen. De geste is zo royaal omdat voor de overheid het mes aan twee kanten snijdt: de verstandelijk gehandicapten vullen het werknemerstekort aan en tevens wordt hun uitkering - de zogeheten 'wajong’ die ze voor het leven genieten - zolang het werk duurt, stopgezet. Toch zijn, op een doelgroep van ongeveer veertigduizend (van ruim eenderde van de in totaal 110 duizend gehandicapten in Nederland wordt aangenomen dat zij kunnen werken), pas een kleine tweeduizend van hen in betaalde dienst. Dat heeft te maken met de allergische reactie die veel werkgevers vertonen op het moment dat een jobcoach bij hen aanklopt, en met het feit dat veel jobcoaches cliënten als vrijwilliger bij een werkgever hebben gestationeerd en er nu ineens loon voor vragen.
Een ander probleem waar de voorvechters van de volwaardig participerende zwakzinnige op stuiten, vormen de uitvoeringsinstellingen (UVI’s), bestaande uit GAK, GUO/Cadans, USZO en SFB. Deze UVI’s, waarvan de verstandelijk gehandicapte zijn uitkering ontvangt, zijn verantwoordelijk voor de reïntegratie van de cliënt. Zij mogen niet zelf bemiddelen, maar behoren die taak over te laten aan de begeleidingsorganisaties waar de jobcoaches in dienst zijn. Omdat de GAK Holding onlangs, tegen de voorschriften in, een eigen geprivatiseerde reïntegratiedienst (GAK Sociale Zekerheid) heeft opgezet, nemen zij bewust geen aanvragen van begeleidingsorganisaties in behandeling. Zodat zij zelf de cliënt kunnen bemiddelen, waarmee een hoop subsidiegeld gemoeid is. 'Het gevolg is dat sommige cliënten al meer dan een jaar thuis zitten zonder dat zij weten wat het UVI met hen van plan is’, schrijft de Branche Organisatie Begeleid Werken (BOBW) deze week in een brief aan minister Klaas de Vries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
WE PARKEREN VOOR een antroposofische instelling te Zeist. Een van de drie verstandelijk gehandicapten die Sevens de afgelopen twee jaar aan een baan heeft kunnen helpen, is hier werkzaam. Drie succesvolle bemiddelingspogingen is niet veel op een populatie van zevenhonderd in de regio die Werkpalet, Sevens’ organisatie, bestrijkt. 'Maar’, zegt Sevens, 'er zit te veel laag niveau tussen. Hoewel daar ook verschillend over wordt gedacht.’ Je hebt scherpslijpers die vinden dat iedereen in de dagopvang zou kunnen werken. 'Als je alleen al een knop om kunt zetten kom je voor betaald werk in aanmerking, is de opvatting van sommigen. Ik vind dat je dertig of meer procent productief moet kunnen zijn, anders heeft het geen zin.’
Bij de Zeister instelling ging het van een leien dakje. Dat het antroposofen zijn heeft er volgens hem alles mee te maken. 'Ze investeren maar wat graag in mensvriendelijke projecten.’ Hoewel er ook een nadeel aankleeft. 'Van elke werknemer wordt een familiaire, hartelijke opstelling verlangd.’ Als gevolg van dat principe is een probleem gerezen dat Sevens op verzoek van de werkgever vandaag met Marja bespreekt. In een rustiek getinte vergaderkamer neemt de jobcoach plaats tegenover Marja, die bij elke vraag haar ogen afwendt. 'Jij hebt niet het idee dat er iets speelt?’ vraagt Sevens.
'Nee’, zegt Marja traag en met onvaste stem. 'Ik kijk hier erg van op. Hoe kunnen zij het idee hebben dat er iets speelt? Dat vind ik zo raar.’
Sevens: 'Ze hebben de indruk dat het minder goed met je gaat.’
'Het gaat hartstikke goed. Maar soms heb ik wel, hoe moet ik het zeggen… Maar zij moeten niet denken van het is weer gaan rollen, want dat gevoel heb ik niet.’
Sevens: 'Wat gaat er rollen?’
'Het balletje van voor af aan. Dat is niet zo.’
Sevens: 'Je moet jezelf blijven. Wat ik merk is dat je je terugtrekt.’
'Een tijdje wel ja. Ik sprak ze met u aan. Dat is niet nodig. Maar op dat moment voel ik me gekwetst door dat voorval.’
Sevens: 'Hier moet je ze niet met u aanspreken. Dan maak je onderscheid en dat willen ze niet. Ze willen hier als vrienden met elkaar omgaan.’
'Wat is nou vrienden in hun ogen? Op je werk heb je collega’s, geen vrienden. Hij wil met mij naar de film, Frank. Dat kan toch niet?’
Sevens: 'Jij moet zelf je grens trekken.’
'Met vrienden ga je naar de bioscoop, niet met collega’s. Hoe moet ik weten: dit mag en dit mag niet? Dat is toch stom?’
Sevens: 'Bij heel veel bedrijven gaan ze buiten het werk eten of naar een voorstelling.’
'Dat zal wel, ik heb dat niet geleerd. Ik vind het een bedreiging als een mannelijk persoon met mij naar de bioscoop wil. Ik heb het gevoel dat hij meer wil. Daar schrik ik van en dan trek ik me terug.’
Sevens: 'Ben je bang?’
'Ja, dat het meer wordt. Hij heeft me op het hart gedrukt dat hij niet verliefd op me is. Maar ja, daar ben ik wel bang voor. En dat ik dan hier weg moet. Want een relatie op het werk kan niet, zeggen ook mijn ouders.’
Terwijl Marja haar frankeerwerkzaamheden hervat, merkt Sevens op: 'Werken is wat mij betreft geen alternatieve dagbesteding, maar een plicht. Waarom zou je als verstandelijk gehandicapte de hele dag op een dagcentrum mogen verblijven als je prima werk kunt verrichten?’
IN DE ZOMER van 1974 werd op last van toenmalig staatssecretaris van Volksgezondheid J. Hendriks zwakzinnigeninrichting Dennendal in Den Dolder op hardhandige wijze ontruimd. Paviljoenbewoners werden in overvalwagens naar de Rijkspsychiatrische Inrichting Eindhoven overgebracht, om zo de progressieve psychiater Carel Muller en consorten buitenspel te zetten. Muller had de jaren ervoor in Dennendal de macht gegrepen door een vertrouwensbreuk uit te lokken met het in zijn ogen regenteske bestuur, verenigd in de sedert 1461 met geestelijke gezondheid belaste Willem Arntsz Stichting. De door Muller aangehangen 'verdunningsgedachte’ werd in Dennendal tot in het extreme in de praktijk gebracht. Massaal waren Mullers volgelingen, als zijnde gewone mensen, tussen de zwakzinnigen gaan wonen om zo van elkaar te kunnen leren. 'Er is slechts een dunne streep die de rollen van zieke en gezonde mensen scheidt’, was het credo. Hoewel de langharige, hasjrokende en la ter van seksueel misbruik betichte Muller wellicht iets te hard van stapel liep, heeft de affaire die de boeken inging als de grootste rel in de gezondheidszorg, de integratiegedachte in een stroomversnelling gebracht.
'Het conflict fungeerde als breekijzer in de ontwikkeling van de zwakzinnigenzorg’, stellen de Utrechtse historici dr. A. van der Linden en dr. J. Dankert in een jubileumboek ter gelegenheid van het vijfentwintigjarige bestaan van Dennendal in 1994. Zwakzinnigen werden na Dennendal niet langer beschouwd als patiënten, maar als cliënten. Ze keerden terug vanuit de bossen naar de maatschappij, waar ze net als iedereen een woning konden betrekken. Punniken in de dagverblijven doen alleen nog diegenen die echt niet anders kunnen. De anderen gaan werken buiten de deur, eerst vrijwillig, en nu dan ook betaald.
IN VERZORGINGSHUIS Vredenoord in Huis ter Heide doet Marieke vijf dagen per week de afwas, zet zij koffie en reinigt zij de appartementen. Vanaf 1(januari treedt ze in dienst. Marieke werkt al vier jaar vrijwillig, al die tijd liep haar wajonguitkering gewoon door. Directeur Weening is er nog niet helemaal gerust op. 'Flexibel is ze niet. Bij ad hoc-situaties is ze gelijk van streek. Toen ze verhuisde was er meteen een prestatieterugval.’ Al veel langer voelde de directeur een morele verplichting. 'Maar dat moet je uitschakelen. Met alle respect, je moet oppassen dat je geen sociale werkplaats wordt. Bovendien blijft een relatief groot risico bestaan. Van de ene op de andere dag valt ze onder dezelfde voorzieningen: ontslagprocedure, vakanties en allerlei andere faciliteiten conform de cao.’ Weening vreest dat als het economisch minder gaat, de verstandelijk gehandicapte er als eerste uitvliegt. 'Ik zou niet verbaasd zijn als daar de klappen vallen.’
Hij snapt ook goed dat werkgevers over het algemeen angstig zijn een verstandelijk gehandicapte in dienst te nemen. 'Geen zwakzinnige in mijn bedrijf, zeggen ze. Als het mis gaat geven ze elkaar de schuld: jij hebt hem of haar toch binnengehaald?’ Dat zal op Vredenoord niet gebeuren. 'Als het niet lukt kunnen we heel eerlijk zijn en haar contract beëindigen, is de afspraak.’
In vlot tempo dreunt Marieke haar verhaal op. 'Elke dag kom ik met de bus naar Vredenoord. Ik ga kwart voor acht van huis, ben ik hier lekker op tijd. Ik werk tot kwart over vier. Soms kom ik op de gang demente bejaarden tegen die de deur uit willen. Die moet ik tegenhouden. Sommigen zijn helemaal de weg kwijt, die willen naar huis terwijl ze hier wonen. Als ze weglopen heb je kans dat ze onder een auto komen. De meesten zijn wel aardig. Sommigen niet. Vragen ze: wat kom je doen? Ik kom even schoonmaken, zeg ik dan. Soms gaan ze echt tekeer. Woorden die ik niet mag zeggen. Ik heb een hoge werkmotivatie. Ik ben altijd vrolijk, nooit chagrijnig. Heb ik van jongs af al. Ik schaterde al toen ik een maand of twee oud was. Zei mijn moeder: wat heb je een schik, zit je me uit te lachen? Begon ik toch weer te schateren. Ik kwam al na zeseneenhalve maand. Ik was zo klein, lag in de couveuse. Mijn schildklier werkt niet. Daar heb ik medicijnen voor. Maar gelukkig is het goed gekomen. Vanaf januari heb ik een betaalde baan.’