Nooit meer roken

AMSTERDAM, 3 januari. Vanaf de blinkende marmeren receptie wijzen bordjes de weg door het labyrint van het Victoria Hotel. Met de lift naar de eerste verdieping; links, rechts, links gangen door naar een nieuwe lift; een duik naar beneden en je staat in een souterrain met conferentiezalen. Het souterrain doet in niets denken aan de chique plaatjes van het Victoria Hotel op de folder die mij werd toegezonden. Lage plafonds van kunststof tegels. Ingebouwde lampen die je hinderlijk verblinden. Geen daglicht. Je bent hier ver weg van de wereld en je kunt niet meer terug.

Een voor een druppelen de deelnemers binnen. Achter een tafel zit een juffrouw die de resterende tweehonderd gulden cursusgeld incasseert; Ÿ 125,- moest vooruit betaald, want de ochtend voor de training kon de schrik je wel eens te pakken krijgen. Ze overhandigt me een button waarop in koeieletters mijn voornaam staat. In de koffieruimte verderop zitten allemaal mensen met grote witte naambordjes aan tafeltjes. Ik schuif aan bij Marcel en Inge. We hebben meteen een geanimeerd gesprek. Over hoe vaak we al hebben geprobeerd te stoppen met roken, over hoeveel sigaretten we roken per dag, over wanneer we de eerste sigaret van de dag opsteken.
Als ik om me heen kijk, zie ik dat de meeste cursisten roken alsof ze willen dat de nicotine tot in hun tenen komt. Alsof ze willen sparen, voor later, als het niet, nooit meer mag. Aan alle tafeltjes praten ze over roken.
ZE ZIJN INNIG met elkaar getrouwd: roken en het goede voornemen om ermee te stoppen. Lees er Italo Svevo maar op na, die Zeno Cosini in Bekentenissen van Zeno laat bespiegelen op zijn ziekelijke rookverslaving. Bij Zeno roept roken de paradoxale gevoelens op waar elke roker mee worstelt. Juist op het moment dat hij beseft dat hij nicotine haat, verlangt hij heviger dan ooit naar een sigaret. Omdat hij weet dat roken slecht voor hem is, zal hij stoppen, maar eerst wil hij nog één keer een laatste sigaret roken. Geen sigaret is lekkerder dan de laatste sigaret. Vandaar dat zijn dagen bestaan uit een rondedans om laatste sigaretten. Zeno bedenkt ook een prachtige verklaring waarom op elke laatste sigaret (kortweg: l.s.) steeds weer opnieuw een laatste sigaret volgt. Welke roker denkt niet dat als hij ophoudt met roken, hij de ideale, krachtige persoonlijkheid is die hij zich inbeeldt te zijn? Misschien bindt dat je juist aan de verslaving: de prettige illusie dat je een latente capaciteit bezit. Het is het veiligst die latente vermogens in de - nabije - toekomst te projecteren.
Ik wilde al tijden ‘binnen afzienbare tijd’ mijn laatste sigaret roken. Dat roken verwoestend is voor de gezondheid, nutteloze geld-over-de-balksmijterij en verlangen in een dwangmatig keurslijf - dat is allemaal evident. Nu de afgelopen maanden ook nog eens in de kranten stond dat je als roker goedkoper bent voor de overheid dan als niet-roker was de maat vol. Goedkoper zijn? Dat nooit! Mijn goede voornemen voor 1998: stoppen met roken.
Halverwege december viel mijn oog op de advertentietekst: 'Nooit meer stoppen met roken!!!’ Ik zou in één dag van het roken af zijn, beloofde de advertentie. Zonder ontwenningsellende of gewichtstoename. Ik had geen wilskracht nodig, werd mij aan de telefoon verteld. Dat sprak me aan, stoppen met roken zonder wilskracht. Ik gaf me op voor de 'Opluchtingsdag’.
WE ZITTEN IN een groot carré in conferentiezaal 5. Bijna dertig mensen van alle leeftijden, twee keer zo veel vrouwen als mannen. Nadat onze trainer, cursusleider, therapeut (hoe noem je zo iemand?) ons op de regels van de dag heeft gewezen, moeten we een 'wilskrachtoefening’ doen. Hoezo wilskrachtoefening? schiet er door mijn hoofd. We hadden onze wilskracht toch thuis mogen laten! Het valt mee: we moeten in een kring staan en met gesloten ogen naar de overkant schuifelen. Als we in het midden tegen elkaar aan botsen, is het de kunst om voorzichtig te manoeuvreren zonder ons doel te vergeten. Mijn neiging tot giechelen ebt langzaam weg als ik de ernstige overgave om me heen zie.
De Opluchtings-methode is ontwikkeld door orthopedagoog en onderwijskundige Jan Geurtz, tot een jaar en drie maanden geleden zelf een straffe roker. Zijn methode is vooral gericht op het ontrafelen van de psychische mechanismen die de rookverslaving in stand houden. Roken levert bijvoorbeeld nogal wat negatieve gevoelens op: schuldgevoel, omdat je best weet dat je iets ongezonds doet; gebrek aan wilskracht, omdat je maar niet stopt; een gebrek aan zelfrespect. Tegen die negatieve gevoelens bouw je een afweersysteem op en juist met die afweer legitimeer je roken voor jezelf. Het is zo klaar als een klontje: negatieve gevoelens en afweer vormen samen de vicieuze verslavingscirkel.
Tot zover lijkt de methode van Geurtz sprekend op die van de Engelse accountant Allen Carr, die schatrijk is geworden met zijn boek Stoppen met roken. In heel Europa, Australië, de Verenigde Staten, Israel en Hongkong helpen Allen Carr-therapeuten rokers in speciale 'clinics’ van hun verslaving af door te laten zien hoe je in de fuik van het roken verstrikt bent geraakt. Anders dan Carr wil Geurtz ook 'de diepere emotionele verankering’ van de rookverslaving aanpakken met deprogrammeertechnieken uit de rationeel-emotieve psychologie.
DE OPLUCHTING blijkt een slijtageslag. Van twaalf tot drie zitten we op harde stoelen in een zaal waarvan de verwarming niet werkt. We mogen er niet roken en snoepen (regel twee van de dag). Als je moet plassen is het je eigen verantwoordelijkheid - 'Je kan iets belangrijks missen’.
Een lawine van navolgbare en onnavolgbare informatie krijgen we over ons heen gestort. We leren dat het heel merkwaardig is dat een sigaret tegelijk ontspannend is én concentratie opwekt, tegelijk verveling helpt verjagen én stress opheft. Als een dokter je een pil voorschreef die tegen al die dingen zou helpen, lachte je hem in zijn gezicht uit. De conclusie: een sigaret heeft geen objectieve werking; die ken je als roker toe.
We leren over de werking van nicotine. Nicotine wordt heel snel, al na een paar trekjes, in je bloed opgenomen. Het heeft een raar dubbel effect op je lichaam: aan de ene kant reageert je lichaam met afweer op het vergif; aan de andere kant protesteert het als de nicotine uit het bloed verdwijnt. Nicotine veroorzaakt onthoudingsverschijnselen - de menselijke psyche interpreteert die als een gemis dat alleen kan worden opgeheven met een sigaret. Het levert een vreemde paradox op: je steekt alleen maar een sigaret op omdat je terugverlangt naar hoe het was om niet te roken: vrij van dwanggedachten en verlangen naar een sigaret.
Er worden grafieken getekend die het gevoel van welbevinden van de roker vergelijken met dat van de niet-roker. Het welbevinden van de roker is minder constant en lager. En er wordt ons voorgehouden dat roken niet eens lekker is. Denk aan de eerste sigaret waar je van moest hoesten. Denk aan hoe honden reageren als je rook uitblaast bij hun neus. Je bent niet aan roken verslaafd omdat het lekker is, nee, roken is lekker omdat je verslaafd bent. Heus, stoppen met roken is niet moeilijk maar makkelijk. Het is een van de gelukkigste beslissingen die je in je leven kunt nemen.
Omdat we niet alleen moeten begrijpen, maar ook moeten voelen, krijgen we allerlei opdrachten. Twee aan twee moeten we tegenover elkaar zitten, de knieën losjes tegen elkaar, en elkaar vertellen waarvoor je bang bent als je stopt, wanneer je het vies vindt als je een sigaret opsteekt en waar je je op verheugt als je niet meer rookt. De therapeut houdt de tijd met een stopwatch bij. We moeten zo hard mogelijk met onze rechterhand over de rug van onze linkerhand krabben. Het doet pijn. 'Als je er een muggebeet had’, zegt Geurtz, 'had je het lekker gevonden. De ontwenningsverschijnselen na het roken van een sigaret zijn net als jeuk. Roken lijkt op krabben.’
NA DRIE UUR is het eindelijk pauze. Eerst krijgen we nog een 'sluitoefening’. Met gesloten ogen zitten we op onze stoel. 'Ga terug naar het moment waarop je met roken bent begonnen’, zegt Geurtz op de zalvende toon die alleen dominees en therapeuten beheersen. 'Misschien was het tijdens je middelbareschooltijd, misschien later. Je wilde ergens bijhoren. Bij een groep. Bij iemand. Besef dat je in al je onschuld absoluut niet wist waar je aan begon. Voel je niet schuldig. Als je je schuldig voelt, laat je schuld dan nu los.’ Met gesloten ogen moeten we dan nog naar een liedje van Chet Baker luisteren. Het is een teder liedje over liefde: vandaag leren we van onszelf te houden.
Als we onze ogen opendoen, ligt er een gezellig gekleurd schriftje voor ons. We krijgen een 'pauze-opdracht’. De eerste tien minuten van de pauze moeten we tien keer dezelfde regel aanvullen: 'Ik stop met roken, want ik wil nooit meer…’ We mogen niet met elkaar praten. Het voelt als strafregels. 'Ik stop met roken, want ik wil nooit meer roken’, schrijf ik op. Piet naast me zucht: 'Ik krijg er geen tien bij elkaar.’
Er wordt omgeroepen dat de tien minuten om zijn. Opgelucht wordt er adem gehaald. Het gesprek aan mijn tafeltje gaat over roken. Claudette vertelt dat ze een grote brandvlek op haar nieuwe mahoniehouten tafel heeft gemaakt. Verschillende timmerhandels is ze afgelopen, uiteindelijk is ze teruggegaan naar de meubelwinkel. Het hele blad moet geschuurd worden en opnieuw gelakt. Het kost zo'n vijf-, zeshonderd gulden, net zo veel als de tafel was afgeprijsd. 'Het was voor mij de reden om nu dan eindelijk te stoppen’, zegt ze. 'Ik maak ook vaak schroeigaten in m'n kleren en op de bekleding van m'n auto’, vult Piet aan.
'Ik stop met roken, want ik wil nooit meer praten over roken’, krabbel ik snel als elfde regel in mijn huiswerkschrift.
NA DE PAUZE is het kennelijk tijd voor de confrontatie. Als we allemaal zitten, kijkt Geurtz op zijn stopwatch. We zijn drieëneenhalve minuut te laat. Overtreding van regel drie van de dag: we moeten ons aan de regels houden. 'Wij hebben ook geen stopwatch’, roep ik opstandig. Niemand lacht.
Om de beurt moeten we het rechtstreeks tegen de therapeut zeggen: 'Ik ben verslaafd aan ken.’ Ik zeg het kennelijk zo overtuigend dat hij mij niets vraagt. Tegen anderen zegt hij: 'Wat voor gevoel geeft dat?’ Verschillende vrouwen barsten in snikken uit. Ze antwoorden: 'Triest, zwaar, treurig, onmachtig, klote, kut.’ Er komt een verdriet naar boven dat me tert. Ik stel me voor dat op allerlei plaatsen in het land mensen in zaaltjes verwoede pogingen doen van het roken af te komen. Ik besef dat de tevreden roker niet bestaat, althans hij of zij zit niet in de zaal. Geurtz zegt het meermalen: 'Een gelukkige verslaafde bestaat niet, dat is een contradictio in terminis.’ 'Leven met je verslaving? Dat is leren leven met ongelukkig zijn.’
Vandaar dat we in de volgende pauze - weer na bijna drie uur - een brief aan onszelf moeten schrijven waarin we uitleggen waarom we willen ophouden met roken. Het moet een soort brief tegen het vergeten zijn, want de ellende en dwangmatigheid van het roken vergeet je, als je het even niet doet. 'Lieve Xandra’, schrijf ik, want dat moet. 'Al doe je er vaak lacherig over, je wil echt ophouden met roken.’ De rest van de pauze praat ik met Erna en Jeanine: over roken.
WE ZIJN allemaal precies op tijd voor het derde deel, waarin we horen over de valkuilen bij het stoppen. Denk niet dat je niet aan roken denkt, want dan kun je aan niets anders denken. Eén sigaret bestaat niet, hij is altijd het begin van een keten. Zeg nooit tegen jezelf: 'Ik mag niet roken.’ Zeg in plaats daarvan: 'Ik wil niet roken.’ Of nog beter: 'Ik wil niet verslaafd zijn.’ Daarna krijgen we les in het verschil tussen een besluit nemen en een poging doen. De 'poging’ is de laatste truc van je verslaving, dat koppige wezentje dat zich ergens in je bevindt.
Nu moeten we alleen nog emotioneel worden opgeladen. Ik meende dat ik Geurtz het woord 'matras’ tegen zijn assistente hoorde fluisteren, dus ik was op het ergste voorbereid. We mogen gewoon op de grond liggen, ontspannen, en met de ogen dicht. Geurtz vertelt ons een verhaaltje over een wei met bloemen en een donker bos. Uit de boxen klinkt het geluid van wind en vogelgetsjilp. Je loopt op een weg tussen bos en wei, zegt hij. Je gaat de wei in, een heuvel op, en je ziet op een bankje een ouder persoon zitten met een open gezicht. Als je dichterbij komt zie je dat je het zelf bent als je ouder bent. Je gaat naast jezelf zitten en vertelt dat je voor een belangrijk besluit staat. Je oudere zelf geeft een eenvoudige boodschap van liefde en zelfrespect. Je gaat terug naar de weg en ziet een paadje het bos in. Je loopt tussen de donkere bomen en ziet opeens een open plek. Er speelt een kind. Als je dichterbij komt zie je dat je het zelf bent, toen je een jaar of drie was. Je begint met het kind mee te spelen. Dan zie je een pakje sigaretten naast het kind liggen. Het is van jouw merk. Samen met het kind maak je een kuil en begraaf je de sigaretten.
Nog een laatste oefening doen we, om echt te besluiten. Aan het eind daarvan mogen we elkaar feliciteren. Er is een waarachtige groepssaamhorigheid ontstaan. Mensen vallen elkaar in de armen en kussen elkaar. Bij een plakje cake mogen we onze laatste sigaret roken. In ons eentje. Zonder te praten. Ik bekijk mijn laatste Gauloise en spreek hem streng toe: 'Besef wel dat je de laatste bent’. Ik kijk om me heen en zie iedereen inhaleren tot in de tenen. We praten over roken. 'Ik neem een tweede laatste sigaret’, zegt Claudette. 'Ik ook’, zegt Erna.