Nooit meer wakker

Vroeger was er maar één vrouwelijke columnist: Tamar. Tegenwoordig buitelen ze in de krantenkolommen over elkaar heen en lijkt er elke week wel een nieuwe bij te komen. Een beschouwing over de theemutsen van het nieuwe millennium.

IK LEES ZELDEN columns. Ik heb het niet zo op columnisten. IJdelheid der ijdelheden. Hooguit psychopathologisch interessant, voor de studie van narcistische persoonlijkheidsstoornissen. Of ben ‘k juist de gestoorde, met mijn ziekelijke afweer tegen het fundament van onze nationale beschaving: het columnisme? Ik ben in ieder geval de enige krantenlezende Nederlander die naar waarheid kan beweren nooit een column van Jan Blokker te hebben uitgelezen. Terwijl mij keer op keer werd verzekerd dat hij toch heus de beste is en het geweten der natie vertegenwoordigt. Ik neem graag iets van een ander aan, ik ben dan ook een paar keer aan een stukje van Blokker begonnen. Waarom overvalt mij al na een halve kolom een onweerstaanbare geeuwslaap?
Kunt u nagaan wat ik heb moeten doorstaan nadat ik de taak op mij had genomen me dwars door een maand vrouwencolumns heen te worstelen. Ik heb zelden zo vaak achter mijn bureau zitten knikkebollen als afgelopen week. Telkens wanneer ik me armenknijpend door weer een vijftal columns had geploeterd, had ik een hazenslaapje nodig om nieuwe moed te verzamelen. Ik ben daar zwaar voor gestraft. Toen ik eindelijk dit stuk ging schrijven, moest ik me opnieuw door dezelfde berg knipsels worstelen omdat ik totaal vergeten was waar ze over gingen.
Columns geven mensen meningen om de dag mee door te komen. De interjectie 'Blokker gelezen?’ was lange tijd goed voor minstens tien minuten conversatie - en voor mij tien minuten zwijgen. Wat moet ik met al die meninkjes voor één dag? Het zal wel komen omdat ik geen gezelligheidsmens ben. Ik heb geen stamkroeg, ik ga zelden uit eten met vrienden, bij de koffiezetmachine op het werk schenk ik alleen maar koffie in. Nee, ik heb de Mulder, Abrahams, Pessers, Ritsema, Sanders, Grijs, Bril, Bleich, Opheffer, Montijn, Montag, Etty, Yasha of Heldring van deze week niet gelezen. Mag ik nu weer aan het werk?
WERK. DAT WAS HET. Zwaar werk. Wist ik veel dat er zó veel vrouwelijke columnisten zijn! Zalig de tijden dat er nog maar één Vrouwelijke Columnist was. Iemand wier naam altijd door iedereen met de grootste eerbied werd uitgesproken. Zij had als enige het mannelijke bolwerk der stukjesschrijvers weten te penetreren. Zij was de enige vrouw met de felbegeerde status van wekelijks gespreksonderwerp. 'Heb je Tamar al gelezen?’ Telkenmale moest ik beschroomd ontkennen. Ik bracht het in haar columns nooit verder dan een alinea of drie - dan dwaalden mijn gedachten al weer af naar zaken die ik belangwekkender vond. Behalve die ene keer, toen ze in één aflevering twee Groene-artikelen van mij besprak en prees. Iedereen in mijn omgeving vond dat ik daar héél trots op moest zijn. Ik liet het me aanleunen.
Inmiddels is het mannenbolwerk al bijna voor de helft overgenomen door vrouwen. Geen krant of weekblad zonder een kakelverse kwebbelkous. Dat heeft alles te maken met de obsessieve jacht op de vrouwelijke lezeres. Door alle hoofdredacties waart het spook van de Dertigjarige Vrouw waarop de krant moet worden afgestemd. Dus wordt elke jongedame die vijfhonderd woorden in een niet al te chaotische volgorde achter elkaar weet te zetten, de krant binnengesleurd, om vervolgens liefdeloos te worden neergekwakt in een hoekje van alweer een nieuw katern of alweer een nieuw magazine. Liefdeloos ja, want waar is de tijd gebleven dat pas aangetreden columnisten kritisch werden begeleid door een vaderlijke of moederlijke adjunct die hen hielp de juiste toon te vinden en hen voor de ergste uitglijers behoedde? Het gebeurt niet meer. De woordbaksels van de Gersons, Ten Dammes en Yerli’s worden, zonder dat iemand er nog een blik op werpt, afgedrukt, ook al draagt het stukje de onmiskenbare sporen van de wanhopigste schrijfblokkade of de diepste premenstruele depressie.
HET NIEUWE Volkskrant-magazine is wel de zuiverste uitdrukking van de jacht op de Jonge Vrouw. Of althans: op het beeld van de jonge vrouw dat de bestofte heren die het magazine maken, voor hun marktwijze ogen hebben getoverd. Dat beeld houdt van het nieuwste design pleeborstels, dus gaat het in het magazine na de nietjes alleen nog over de hebbedingetjes van de eeuw. En dat beeld houdt van Ellen ten Damme, dus mogen we haar elke week zien worstelen met de formule die ze met de krantenmannen overeen is gekomen ('Waar is Ellen ten Damme?’), om haar week op week de strijd roemloos te zien verliezen. Nee, dan doet Manon Uphoff, prominent op pagina zeven van datzelfde magazine, het beter. Vooral wanneer ze haar opdracht in de wind slaat en iets levert wat in de verste verte geen column is maar een petite histoire, waarin ze de lezer meevoert naar haar duistere fascinatie voor vuil en verval. Ga toch gewoon weer boeken schrijven, denk ik dan.
Toch is het niet allemaal jong wat er blinkt. Integendeel, het oprukkende leger van vrouwelijke columnisten is overwegend zwaar middelbaar, zoniet oud. We weten het natuurlijk niet precies, en ernaar vragen hoort niet, maar de dames verraden zichzelf door hun columns te overladen met allerlei jeugdherinneringen aan de jaren vijftig. Wat wordt die tijd toch door de columnistes gekoesterd! Wat een oprecht en warm verlangen spreekt er uit hun teksten naar de veiligheid en overzichtelijkheid van de era van Saroma met Klopklop. Stel dat het waar is, stel dat het volgende millennium inderdaad dat van de vrouw wordt en de vrouwelijke columnisten daarvoor de toon zetten, dan zit er, vrees ik, weinig anders op dan het voorbeeld te volgen van Emma Brunt, de kopvrouw der oudere stukjesschrijfsters, en me in mijn slaapkamer terug te trekken met wat zij, volgens een van haar laatste Parool-columns, de drie grootste verworvenheden van de twintigste eeuw noemt: het verstelbare Aupingbed, het donsdek-met-pasklare-hoes en de afstandsbediening voor de televisie. Nooit meer wakker worden.
`Let op! De oogst van één (1) enkele maand. En daaruit slechts een selectie. Annemarie Oster zwijmelt in de Volkskrant over 'vroeger, de tijd dat je nog blij was met een stuk ontbijtkoek en je je de hele week verheugde op de zaterdagavondradio met pinda’s pellen op een krant’. Pauline Terreehorst, ook de Volkskrant, beweent de teloorgang van de goeie ouwe buurtwinkel: 'Winkeliers die je kennen en meeleven met ziekte en dood. Je zou ze eerder moeten subsidiëren dan het buurthuis.’ Pamela Hemelrijk haat de moderne erotomanie en roept in het AD de oversekste lezeressen toe: 'Ga sokken stoppen!’ Selma Schepel gispt in Trouw de hedendaagse decadentie: 'Ik verlang terug naar de kleren en kleuren van Marga Klompé of freule Wttewaal’. En ook Beatrijs Ritsema (NRC) moet niets hebben van de hedendaagse mode: 'Het liefst zou ik, als bepaalde schoenen of jasjes aan hun eind zijn gekomen, naar de winkel teruggaan om precies zo'n exemplaar aan te schaffen.’
Het hooggesloten en tot over de enkels reikende proza van Ritsema lijkt sowieso rechtstreeks afkomstig uit de jaren vijftig. Evenals dat van haar krantgenote Rita Kohnstamm, die de afgelopen maand onder koppen als 'Onder moeders vleugels’ en 'Die heerlijke jaren vijftig’ ware lofliederen zingt op die muffe tussentijd, toen Nederland één grote vijver met brak water was. De columniste blikt terug op haar jeugd. Hoezo niets te beleven in de jaren vijftig? En de oprichting van de Europese Kolen- en Staalgemeenschap dan? De oorlog in Korea? Joeri Gagarin in zijn Spoetnik? Het was een en al opwinding in de swinging fifties. Dixieland! Kritisch studentencabaret! Franse landwijn en de eerste Cola! En heus, echt waar, ook erotiek! Want 'de hoeveelheid in badpakken verwerkte stof zegt zo weinig’. Zelfs Elsbeth Etty, te jong om nog met Rita Kohnstamm onder de visnetten te hebben geboomd over het existentialisme, roept bij mij de jaren vijftig wakker wanneer ze in de NRC een tirade tegen vakbondsman De Waal besluit met: 'Regering, regeer!’ Het is alsof ik mijn vader hoor, tijdens het middagmaal met groente, aardappelen, vlees en jus.
Kunnen al deze dames per 1 januari 2000 alstublieft feestelijk met vervroegd pensioen worden gestuurd? Of moeten we tot in lengte van dagen hun neoconservatieve gechat rond de digitale theepot blijven aanhoren?
GELUKKIG ZIJN er af en toe nog echte onderwerpen, zodat de dames columnisten niet week na week hun dreunende angst voor de wereld hoeven te ontvluchten in een hysterisch verlangen naar voorgoed vervlogen tijden.
De scholierenopstand bijvoorbeeld. Wat vinden de dames daarvan? Zakgeld inhouden! Doe nog maar een extra deeltje Schwere Wörter! Laat ze een vak leren! In mijn tijd hoefde niet iedereen zonodig te studeren! Moeten ze maar niet zoveel bijbaantjes nemen! Nee, op enig begrip hoeven de studiehuiskinderen van hun schrijvende tantes niet te rekenen. De bijstandsmoeders dan, die de regering met de knoet de arbeidsmarkt op wilde jagen? Die mogen toch wel op een beetje vrouwelijke solidariteit rekenen? Vergeet het maar. Luiwammesen! Profiteurs! Een beetje leven op kosten van anderen! Pamela Hemelrijk in het AD: 'Is dat wat het socialisme heeft gebracht? Het is hun eer te na om simpel werk te doen maar niet hun eer te na om van een aalmoes te leven.’ Slechts een enkeling krijgt niet meteen een bloedrode waas voor ogen. 'Vorige week werd bekend dat slechts één op de vier vrouwen van boven de veertig een baan heeft’, meldt Selma Schepel in haar Trouw-column. 'Kunnen die oudere dames niet aan het werk geschopt worden in plaats van de jonge moeders? Nee, want die hebben zich verschanst achter echtgenoten, WAO of weduwenpensioen, om met de kinderen uit huis ongestoord te kunnen niksen of te bridgen.’
Schepel verdient trouwens sowieso uit het rijtje jaren-vijftig-theemutsen te worden gelicht. Dat dankt ze wat mij betreft aan haar stukje van 4 november, zo'n stukje dat echt alleen door een columniste van Trouw geschreven had kunnen worden, gezien de onmiskenbaar Veluwse achtergrond. Waren de mensen vroeger minder gewelddadig? Welnee! En Schepel verhaalt van kinderen die onder elkaar de godsdienstoorlogen overdeden, van potloodventers en aanranders op de lommerrijke weg naar school, van vaders die bij hun dochters in bed aanschoven. En denk maar niet dat je ergens je beklag kon doen. Een dreun kon je krijgen. Het is een van de weinige stukjes uit de berg oudere-vrouwenpraat op mijn bureau waarin nu eens niet het heden wordt verfoeid ten gunste van een geromantiseerd verleden.
HOE ZIT HET overigens met al die andere onderwerpen die je, je vooroordelen raadplegend, in columns van vrouwen zou verwachten? Kinderen bijvoorbeeld. Een onderwerp waar een man nu eenmaal niet zo gauw over schrijft. Met uitzondering van Opheffer. En van Hans Righart, die een jaar lang in De Groene columneerde, steeds vaker over de zorgen om zijn kinderen schreef en ten slotte de redactie liet weten dat hij zijn column op moest geven omdat het werk eraan al te grote happen nam uit de quality time die hij volgens de jongste d'Ancona-normen aan zijn kinderen moest besteden. Slap, Hans! Neem een voorbeeld aan de moederende columnisten. Geen onderwerp vandaag? Ach, daar kruipt de inspiratie al over de vloer. Of komt op de fiets thuis van school. Zelfs de nieuwkomers onder de stukjesschrijfsters kunnen de verleiding niet weerstaan huis, haard en kroost aan te roepen om hun column op gang te helpen. Natasha Gerson in Vrij Nederland: 'Hoe gaat het? Goed hoor. Mijn vent is dronken, mijn kinderen zijn hondsbrutaal, Oscar Garschagen belt niet terug, ik heb slakken in de tuin en de auto valt uit elkaar. So what else is new?’
Mode. Ook al zo'n onderwerp waarvan je hoopt dat vrouwen, juist vrouwen het zullen vermijden omdat ze geen vooroordelen willen bevestigen. Maar nee hoor. Er wordt wat afgewinkeld in de wereld der vrouwelijke columnisten! En wat afgeklaagd over de hedendaagse mode. Zelfs over die van de man. Waar is het mannenbeen gebleven? jeremieert Marjoleine de Vos in de NRC. 'Als vrouwen met kousen en hakken kunnen leven, waarom mannen dan niet? Een klein hakje loopt helemaal niet naar. Hoge laarzen staan mannen ook goed. Het mannenbeen moet terug!’ Het zal je zorg maar wezen.
Laat ik eerlijk zijn. Ik heb in dit stuk natuurlijk schromelijk overdreven. Ik heb mijn haat jegens columnisten in het algemeen gebotvierd over de ranke ruggen der vrouwen. Ik heb alles, elk citaat en elke parafrase, genadeloos uit zijn verband gerukt. Ik heb iedereen zo veel mogelijk onrecht aangedaan. Ik heb me, kortom, misdragen als de eerste de beste columnist. Ik heb opzettelijk alle columns buiten beschouwing gelaten waarin ik iets aardigs aantrof, iets wat ik niet wist, iets waarmee ik het onmiddellijk eens was, iets waarvan ik ook vond dat het maar eens gezegd moest worden. Het spijt me oprecht voor de dames Pessers, Noordervliet, Bleich, Spaink, Etty, ja ook Brunt en zelfs Gerson - allemaal vrouwen wier verontwaardiging mij vaak genoeg redelijk voorkomt. Met hen wil ik best het volgende millennium in. En al die andere kwebbelkousen dan? Ach, daar slaap ik gewoon doorheen.