Nooit meer weinreb

IN HET DENKEN van W.F. Hermans functioneerden twee joodse denkers uit het voormalige Habsburgse rijk als elkaars tegenpolen - van de een was hij een hartstochtelijk bewonderaar, voor de ander voelde hij louter afschuw. De eerste was de Weense filosoof Ludwig Wittgenstein, schrijver van het door Hermans vertaalde Tractatus logico-philosophicus, de ander de econoom-schrijver-theoloog Friedrich Weinreb, een chassidische jood uit de diaspora van Lemberg in de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie.

Wittgenstein en Weinreb waren als de zon en de maan in het ‘sadistische universum’ van Hermans. Over beiden schreef Hermans vaak en graag. HERMANS’ VERHALEN over Wittgenstein ('schoolopstellen’, aldus Renate Rubinstein) lopen over van diepe affectie, een sentiment waar hij in relatie met schrijvende collega’s, dood of levend, in het algemeen weinig last van had (voor de rest kwam eigenlijk alleen Multatuli in aanmerking). Voor Weinreb en de 'weinrebbianen’ Renate Rubinstein en Aad Nuis haalde Hermans zijn scherpste venijn uit de kast, over hen spuwde hij zijn bitterste gal. Weinreb was in zijn ogen een 'chassidische literaire stinkbom’, een 'bigotte zedenmeester’ en bovendien 'een van de allergrootste schoften die onder de Duitsers gecollaboreerd hebben’ (Hermans in 1978 tegen Cees Nooteboom). Nuis, de toenmalige redacteur van het rk-weekblad De Tijd, was volgens Hermans een 'meedogenloze scherpslijper en tot in het beschimmelde merg van zijn sidderende gebeente oneerlijk’. Samen met Renate Rubinstein ('Razende Renate’, aldus Hermans) vormde hij een 'smoezelig tweetal’ dat behept met 'hun verrotte leugenaarsbrein’ de 'persvrijheid misbruikte door totaal onschuldige particulieren in het openbaar van de vreselijkste misdaden te betichten’. Meer nog dan Weinreb mochten Nuis en Rubinstein zich verheugen in de polemische belangstelling van de 'vigilante man’ van de naoorlogse Nederlandse letteren. Weinreb, zo meende Hermans, was op 'een gedesoriënteerde manier krankjorum’ en verdiende daarom nog enige clementie. 'Daarom waren de politicologen die deze zielige psychopaat voor hun seksadvertentiebladen spanden (bedoeld wordt Vrij Nederland), des te gewetenlozer.’ Hermans schreef eigenlijk onophoudelijk over Weinreb. De 'wonderrebbe’ Weinreb keert terug in al zijn belangrijke essaybundels, van welke er een zelfs Van Wittgenstein tot Weinreb heet. De boutades tegen Nuis in Houten leeuwen en leeuwen van goud werden door de aangesprokene gekwalificeerd als de 'best volgehouden poging tot reputatiemoord die ooit door Hermans ondernomen is’. 'Zeg Hermans, ben jij gek geworden?’ riep de latere staatssecretaris van Cultuur vertwijfeld uit. Weinreb zelf kon ook maar moeilijk uit de voeten met zo veel aandacht. 'Ik moet zeggen dat ik uit datgene wat Hermans over mij heeft geschreven, de indruk heb gekregen dat deze man wel een beetje een querulant is’, vertelde Weinreb in 1971 tegenover Martin van Amerongen in Vrij Nederland. 'Ik weet eigenlijk niet wat ik ervan moet denken: het is geen gewone aanval, het is zo dwaas, zo bezeten. Hoe meer je hem confronteert met de feiten, hoe wilder hij wordt. Ik weet wel, dat alleen al mijn aanwezigheid een aantal mensen tot razernij brengt. Maar bij Hermans zie ik geen enkel redelijk motief. Mijn vrouw zei, toen ik hierover met haar sprak: “Die man is gewoon gek”. Ik weet het niet, het is mogelijk. Ik kan alleen maar zeggen: Die man ontvlamt op een manier die ik niet kan verklaren.’ Maar waar kwam al die weerzin jegens Weinreb eigenlijk vandaan? Ook Hans van Straten moet het antwoord schuldig blijven in zijn biografie Hermans. Zijn tijd, zijn werk, zijn leven. Eigenlijk stelt Van Straten de vraag ook helemaal niet. Nergens doet hij een poging tot duiding van de obsessie die Hermans overduidelijk ten aanzien van Weinreb koesterde. In casu Weinreb loopt Van Straten wel heel erg aan de leiband van Hermans, en zodra hij buiten dat perkje treedt volgt hij trouw het Weinreb-relaas van Regina Grüter, de winnares van de dr. L. de Jong-prijs met haar wetenschappelijke wangedrocht Een fantast schrijft geschiedenis. Daardoor laat Van Straten - misschien toch een beetje te veel een lichtgewicht voor de loodzware Hermans-materie - een geweldige kans liggen om zijn voor de rest best wel vlijtige biografische exercitie echt van handen en voeten te voorzien. Friedrich Weinreb werd in een klap een begrip toen in 1969 het eerste deel ('Het land der blinden’) van zijn boek Collaboratie en verzet 1940-1945. Een poging tot ontmythologisering verscheen bij uitgeverij Meulenhoff. Het boek, bewerkt door Vrij Nederland-columniste Renate Rubinstein en haar toenmalige echtgenoot Aad Nuis, werd een soort bijbel voor de anti-autoritaire beweging zoals die in die dagen was ontstaan met groepen als Provo en de Kabouters. Weinreb verhaalde daarin van zijn surrealistische belevenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog en daarna. De orthodox-joodse Weinreb, als jongen met zijn ouders van Lemberg via Wenen naar Scheveningen vertrokken, had naar eigen zeggen tijdens de bezetting aan de wieg gestaan van een uiterst ingewikkelde intrige die als doel had het redden van zo veel mogelijk joden uit het 'doorgangskamp’ Westerbork. Teneinde de Duitsers en hun vlijtig meecollaborerende Nederlandse secondanten in de ambtenarij zand in de ogen te strooien, had Weinreb een half fictief, half echt netwerk in het leven gebracht, dat met de autoriteiten onderhandelde over het 'uitkopen’ van joden teneinde hen naar Portugal en vandaaruit naar veiliger oorden in Zuid-Amerika te brengen. Via deze zogeheten 'Weinreb-lijsten’ was een desperate poging ondernomen om in ieder geval uitstel van deportatie richting Polen te bewerkstelligen. De mensen op de Weinreb-lijst, die zich moesten inkopen voor 400 gulden (terwijl de prijzen voor zulke reddingsacties door anderen konden oplopen tot 30.000 gulden), waren zelf onwetend van het feit dat het hier om luchtkastelen ging, een illusoir netwerk dat werd ondersteund door een Duitse generaal die alleen bestond in de fantasie van Weinreb zelf. Weinreb gaf hen zo hoop, al was het tegen beter weten in. Legitiem bedrog, oordeelde hij zelf, want 'blijde mensen kunnen soms een uitweg vinden, die zij niet zien als zij verdrietig zijn. Verdriet maakt apathisch.’ Weinrebs met talloze valse documenten ondersteunde hersenspinsel was een eigen leven gaan leiden. Het sleurde in feite ook de bedenker mee. Volgens Weinreb zelf waren er minstens 1400 mensen dankzij zijn lijsten gered. Daarnaast gaf hij in tegenstelling tot de Joodsche Raad ook altijd het advies om onder te duiken. Weinrebs tegenstanders zagen het anders. Zo ook de Nederlandse justitie, die hem direct na de oorlog arresteerde als collaborateur en hem veroordeelde tot zes jaar cel, hetgeen werd gereduceerd tot drie jaar toen Weinreb in 1948 ter ere van de troonswisseling in aanmerking kwam voor gratie. Ook in joodse kring was hij fel omstreden. Weinreb had dan misschien enkelen gered, de meeste van zijn klanten werden niet gered, en in de herinnering van de overlevenden en de nabestaanden werd hij over een kam geschoren met het vernietigingsapparaat dat hij naar eigen zeggen had geprobeerd te saboteren. Volgens hen was het Weinreb alleen maar te doen om persoonlijk gewin. Hij zou niet alleen fors hebben verdiend aan zijn windhandel, bovendien zou hij zijn status als de 'messias van Westerbork’ hebben misbruikt door zich bij vrouwelijke gevangenen uit te geven als arts en ten gerieve van zijn honger naar clandestiene seks keuringen uit te voeren. Weinreb zelf zei dat hij als telg uit een rabbijnengeslacht wiens stamboom regelrecht terugvoerde op koning Salomon, nu eenmaal ook was begiftigd met medisch inzicht (inderdaad schreef hij een grensverleggende studie over de oorzaken van suikerziekte). Naar zijn zeggen was hij na de oorlog het slachtoffer geworden van een complot van schuldbewuste Nederlandse ambtenaren die in de oorlog noest hadden gecollaboreerd met de Duitsers en nu in hem als orthodoxe jood een ideale zondebok zagen. In zijn Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945 (uit 1965) had de historicus Presser zich ook al in die richting uitgelaten. Weinreb was in de jaren zestig uitgegroeid tot het boegbeeld van de anti-autoritaire beweging. Vanwege zijn New Age-achtige inzichten op het gebied van religie en schepping (vervat in zijn tijdens zijn naoorlogse gevangenschap geschreven werk De bijbel als schepping) werd hij tevens geadopteerd door de groep rond Greet Hofmans en koningin Juliana. Ook de Kabouters liepen met hem weg. Zo deed Weinreb in de Kabouterkrant een oproep tot het boycotten van de gehate volkstelling. WEINREBS WANTROUWEN tegen de regenten, gebaseerd op zijn ervaringen in oorlogstijd, maakten de kuise orthodoxe jood tot een ideale, zij het nogal a-typische apostel van de nieuwe jeugdideologie. Op basis van Collaboratie en verzet ging provo Roel van Duyn over tot het oprichten van een 'sabotageschool’ ter ondergraving van de molens der bureaucratie. Volgens Renate Rubinstein was het lezen van Weinrebs relaas over de oorlog noodzakelijk, 'opdat we beter bewapend zijn wanneer een herhaling ons mocht treffen’. Ook Hermans was aanvankelijk geneigd om met Weinreb mee te gaan. Op 16 oktober 1969 schreef hij aan Renate Rubinstein, met wie hij toen nog op goede voet stond: 'Wat me ook intrigeert is of aan het licht zal komen welke beweegredenen allerlei mensen, zoveel jaar na de oorlog hebben om Weinreb zo afschuwelijk te belasteren, als het allemaal laster is, zoals jij staande houdt en wat ik ook wil aannemen, zolang het tegendeel niet is bewezen.’ En op 6 december: 'Ik ben er ten volle van overtuigd dat hij (Weinreb - rz) een zielige man is, pechvogel, zondebok, wat je maar wil. Ik gun hem revisie, gratie, amnestie, alles.’ Zodra Weinreb echter was uitgegroeid tot de pilaarheilige van links Nederland was het met Hermans’ clementie snel gedaan. In 1970 begon Hermans’ anti-Weinreb-campagne. De vraag is gepast wat Hermans daar nu eigenlijk mee voor ogen had. Ging het om Weinreb zelf, of was hij slechts een geschikte kop van jut voor een hoger doel: de bestrijding van de linkse tijdgeest? Harry Mulisch stak zijn bewondering voor Weinreb bijvoorbeeld niet onder stoelen of banken. Voor Hermans kan dat al aanleiding zijn geweest om de zaak anders te bekijken. Daarnaast bezondigden de pro-Weinreb-strijders Rubinstein en Nuis zich aan leugentjes om bestwil, die hen in de pennestrijd met Hermans fataal zouden worden. Een en ander draaide vooral rond de figuur van Bep Turksma, uitbaatster van een modewinkeltje in Baarn. Deze Turksma, zelf jodin en in de oorlog naar eigen zeggen ontsnapt uit Westerbork, werd in het door Rubinstein bewerkte Collaboratie en verzet genoemd als degene die Weinrebs cover-up ten opzichte van de Duitsers zou hebben verraden. De vrouw ontkende dat fel. In de oorlog had ze nooit van Weinreb gehoord. Nadat Rubinstein tijdens een Weinreb-discussie met Hermans op de Universiteit van Groningen tegenover de ook aanwezige Bep Turksma uitriep dat ze die informatie wel degelijk had aangetroffen in justitiële papieren die ze in werkelijkheid nooit had gezien, was ze een ideaal slachtoffer voor Hermans. 'Een keer haalt ze een Hermans-truc uit en onmiddellijk blundert ze tegen de lamp’, zuchtte Aad Nuis. 'Hermans bluft zelf zo vaak dat niemand het opmerkt, en als het wordt opgemerkt zien zijn fans er alleen een nieuw bewijs in van het polemisch vernuft van hun grote gelijkhebber.’ In naam van Bep Turksma begon Hermans zijn vendetta tegen het 'huichelachtige’ Linkse Nederland. Maar of hij werkelijk zo begaan was met deze vrouw? 'Mij vertelde hij dat juist zijn persoonlijke ervaring met reputaties, procederen en krantengeschrijf hem zo gevoelig heeft gemaakt voor het lot van deze vrouw’, aldus Van Straten. Voor Hermans kwam Turksma als een geschenk uit de hemel. Via haar verzette hij zich tegen de linkse goegemeente van de jaren zeventig. Weinreb - de anti-regent - was corrupt, en daarmee ook de gehele anti-autoritaire leer van Mulisch, Rubinstein en andere hippe literatoren: 'Rechts mag een regentenstaat vormen, links is een papegaaienkooi, dat staat vast.’ Hermans’ visie op collaboratie en verzet was op zijn minst fatalistisch. Hij geloofde niet in helden, noch in verlossers. Binnen dat 'sadistische universum’ was voor een altruïstische daad à la Weinreb geen plaats. Weinreb moest daarom wel een leugenaar zijn. Hermans blies de zaak-Turksma (in feite een detail in de hele Weinreb-affaire) op tot het allesbepalende vraagstuk: 'Met de waarheid van het Turksma-incident stond of viel het heilsverhaal van Weinreb.’ Over deel 1 van Collaboratie en verzet was Hermans nog mild geweest. 'Hoewel het weinrebbiale proza algeheel met de behangerskwast is geschreven, kan ik de historie van de “eerste lijst” nog wel pruimen’, schreef hij. De twee daaropvolgende delen werden door hem omschreven als een 'chassidische literaire stinkbom’. Toen de Amsterdamse Kunstraad onder leiding van Ethel Portnoy besloot de Amsterdamse Prozaprijs te doen uitgaan naar Het land der blinden van Weinreb was de waterscheiding compleet. OVER WEINREBS hoofd vocht Hermans een vendetta uit met zijn mede-literatoren, die volgens hem in een sprookje geloofden. 'Om in Weinreb te geloven moet men jong genoeg zijn om niet gehinderd te worden door feitenkennis, alsook toch een reden hebben zich de jodenvervolging (respectievelijk de verhalen erover) op een pathologische manier aan te trekken. Basis van dat laatste kan bijvoorbeeld ook nog zijn dat men met personen van joodse afkomst vermaagschapt is, met zo iemand getrouwd of getrouwd geweest, dat men zelf gedeeltelijk van joodse afkomst is.’ In Vrij Nederland vond Jan Rogier Hermans veel te ver gaan. Hij bespeurde een soort antisemitisme in Hermans’ Weinreb-polemieken. Waarop Hermans natuurlijk weer furieus reageerde. Van Renate Rubinstein bleef Hermans excuses eisen over het door haar aangedane onrecht in Collaboratie en verzet tegen Bep Turksma. 'Ik betwijfel of Weinreb iemand anders gered heeft, behalve zichzelf en zijn gezin’, schreef Hermans. 'Ik heb nog nooit pro-brieven gelezen van mensen die hem persoonlijk hebben gekend en dat beweren.’ Die brieven zijn er dus wel. Tientallen zelfs. Ze zijn te vinden in de vele archieven die er over de affaire-Weinreb bestaan. oodse Nederlanders die zeggen dat zij hun leven te danken hebben aan Weinreb, die hen hielp bij het onderduiken, met geld, nieuwe identiteitspapieren, et cetera. Hermans heeft ze nooit willen lezen, zoals andere Weinreb-vreters onder wie Regina Grüter en Riod-onderzoeker A.J. van der Leeuw die documenten ook als ideëel onwenselijk en dus non-existent hebben beschouwd. Van de laatste twee ligt dergelijk selectief leesgedrag in de lijn der verwachtingen. Bij Hermans niet. Dat maakt zijn blinde woede versus Weinreb des te mysterieuzer. Dat schreeuwt om nadere studie. Wil de echte Hermans-biograaf opstaan?