Nooit mooier eenzaamheid

‘Rondom het huis, en dichter tegen de muren ervan kon het niet, stonden hortensia’s. Alsof een onnoemelijk aantal behulpzame handen het weliswaar kleine, maar uit zware natuursteen gestapelde huis voor enkele ogenblikken had opgetild om de bloemen die er onder groeiden de gelegenheid te geven de buitenlucht te bereiken. Nu ik ze in gedachten weer voor mij zie, lijkt het zelfs alsof ze door middel van de tint van hun ijle groene bloembladeren schuchter uiting gaven aan hun verbazing over die plotselinge bevrijding.

Het was ’s ochtends altijd weer een belevenis om bij het naar buiten stappen die eerste frisse bloemengeur in je neus te krijgen. De zon was dan juist boven de linkse heuvel gestegen en boorde zijn stralen zo goed als maar mogelijk was door het niet al te zware geboomte waarmee die plek was begroeid. Dat licht, en die van heil- en onheilzame dampen doortrokken atmosfeer, daarvan ging je geest recht overeind staan.
Dat was nog lang niet alles. Aan de overkant, in een glooiend weiland achter prikkeldraad, stond een paard. Een zandkleurig paard. Ik heb nooit mooier eenzaamheid gezien dan in de gestalte van dat dier. Zijn staart bereikte bijna het gras, maar dat gebeurde zelden. Voortdurend was hij in beweging. Al stond het paard verder ook onbeweeglijk en stokstijf stil, het was alsof die staart zijn paardenemoties vertolkte. Zijn staart sloeg vraagtekens in de lucht, soms afgewisseld met enkele seconden van bezinning. Uren kon ik kijken naar die staart. Het ging zelfs zover dat ik mijzelf ook een staart wenste. Maar dat doet hier niet ter zake.
Dan had je nog de spinnewebben. De kleine spinnewebben die daar gesponnen waren waar het prikkeldraad aan in de grond geslagen dunne ijzeren stangen was bevestigd. Ik overdrijf niet wanneer ik zeg dat er wel meer dan honderd spinnewebben tegelijk waren te zien. Om een uur of tien was de zon verder gedraaid en dat schrale tegenlicht deed de dauw die in de webben hing oplichten als, en je begrijpt dat ik hier moet terugvallen op iets wat ooit eerder is geconstateerd, als flonkerende diamanten. Jazeker.’