INTERVIEW MET OLGA ZUIDERHOEK

‘Nooit te diep graven’

Vorig jaar verliet actrice Olga Zuiderhoek het toneelstuk Wuivend Graan om te zorgen voor haar echtgenoot Willem Breuker. Nu speelt ze in de film Tiramisu. Een gesprek over ziekte, verlegenheid en acteren.

Olga Zuiderhoek: ‘Ik vind het niet zo netjes om over ziektes te praten. Dat komt al snel over als interessanterigheid. En wat kan het anderen eigenlijk schelen? Bovendien denken mensen die nooit iets hebben altijd meteen dat je doodgaat, die begerigheid zit er toch een beetje in.’

We zitten in de voorkamer van haar huis, een herenhuis in Amsterdam-Oost. Het gesprek, ons tweede, loopt ten einde. Het begint schemerig te worden. Olga Zuiderhoek schenkt muntthee in en vergeet een lampje aan te doen. Net als de vorige keer. Haar man, de muzikant Willem Breuker, komt thuis. ‘Wat is het hier donker’, zegt hij alleen maar, en hij verdwijnt naar boven.

‘Met Willem gaat het nu goed’, zegt Zuiderhoek. Breuker werd vijf jaar geleden ziek en de afgelopen twee jaar stond hij op de wachtlijst voor een levertransplantatie. In oktober werd hij geopereerd. Zuiderhoek: ‘Toen de dokter zei dat hij niet meer mocht drinken, is hij daar meteen mee opgehouden. Ik ben toen ook minder gaan drinken en nu drink ik helemaal niet meer. Soms deed ik mijn drankje in een beker, zodat het net leek of ik koffie dronk. Dan zei Willem: “Ik zie heus wel dat daar wijn in zit.” Hij heeft er helemaal geen behoefte meer aan.’ Ze lacht, wuift het weg.

Vorig jaar had Zuiderhoek een kleine rol in Wuivend Graan, het nieuwste toneelstuk van Wim. T. Schippers. Vanwege Breukers operatie werd ze ongeveer de helft van de tournee vervangen door Anke van ’t Hof. Zuiderhoek: ‘Ik heb mazzel gehad dat de producent het zo wilde regelen. Een jaar eerder, toen ik een hoofdrol had in Wie is er bang voor Virginia Woolf, zou dat onmogelijk zijn geweest. Wat dat betreft kwam het allemaal mooi uit.’

Wat een praktische gedachte.

‘Ja, ik ben heel praktisch.’

Was u niet bang?

‘Ik maakte me ongelooflijke zorgen, maar daar kon ik Willem niet mee lastigvallen. Toen hij ziek werd, heb ik me meteen gestort op het regelen van mantelzorg, een enorme organisatie. Onze vrienden hebben hem erdoorheen gemanteld. Als Willem maar niet de moed verliest, dacht ik steeds. (laconiek) Ja, een beetje zorgelijk ben ik wel. Als kind maakte ik me vaak druk om mijn moeder. Als zij migraine had of zich om een andere reden ongelukkig voelde, had ik een rotdag. Ik lag ook vaak ’s nachts te piekeren: “Als ik straks doodga, wat gebeurt er dan daarna?” Om me gerust te stellen zei mijn moeder dan dat ik waarschijnlijk terug zou komen als een pier in de grond, maar die pier gaat ook een keer dood. Wat komt er daarna, en dáárna, en dáárna? Dat noemen ze eeuwigheidsangst.’

Uw moeder heeft drie dochters in haar eentje opgevoed.

‘Ja, mijn vader was tropenarts en ging in Indonesië werken om de lepra te bestrijden. Hij wilde het avontuur opzoeken. Niet lang daarna is mijn moeder bij hem weggegaan. Ze hield nog wel van hem, maar hij was er nooit. Waarschijnlijk dacht ze: wie weet kom ik nog een ander tegen. Maar dat is er nooit van gekomen. Later is mijn vader er nog wel eens over begonnen, waarom Mia – mijn moeder – toch vertrokken was. Toen ik vroeg waarom hij eigenlijk op haar was gevallen, zei hij, geheel overtuigd van zijn zaak: “Omdat Mia de mooiste benen had.” Dan is het niet zo raar dat het fout kán gaan.’

Hebt u het zelf nooit aan haar gevraagd?

‘Dat is er nooit van gekomen. Toen ze stierf, was ik 21. Ik zat net op de toneelschool in Amsterdam. Ik was een beetje dwars en dat reageerde ik vooral af op mijn moeder. Gewoon om uit te vinden wie je zelf bent, of hoe zeggen ze dat in freudiaanse kringen. Mijn moeder was behoorlijk streng.’

Was u een druk kind?

‘Nee, dat werd ik pas later. Als kind was ik verlegen, bangig. Ik had vaak heimwee naar mijn moeder, want die moest geregeld de stad uit voor haar werk. Dan moest ze zweren dat ze weer terug zou zijn als ik wakker werd. Ja, in die tijd hebben we er nooit een psychiater opgezet, zoals dat tegenwoordig gangbaar is, maar misschien was dat wel “verlatingsangst”. Je vader én je moeder weg, dat is niet de bedoeling, is me wel eens verteld. Later, toen ze dood was, hoorde ik van haar beste vriendin dat ik verwend was.

Pas op de middelbare school werd ik drukker. Een clowntje, noemden ze me. Dat vond ik niks, want clowntjes zijn niet sexy. De leuke jongens gingen toch voor de wat knappere meisjes met een diepe pony. Mijn pony was een beetje springerig. In Amsterdam had ik nergens last van, daar was iedereen veel drukker en uitgesprokener. Ik wilde bij de mensen horen van wie alles mocht: Ramses Shaffy deed het met mannen én met vrouwen, die trok zich er niets van aan of zijn buurvrouw dat goed vond.

Dat ik bij het toneel wilde, heb ik lang voor me gehouden, want als je je in Assen verbeeldde iets te kunnen en als dan zou blijken dat je dat niet ging lukken, dan was je een loser. Wij hadden De Groene Amsterdammer en Jeanne van Schaik-Willink schreef daarin over toneel. Voor mij was dat de waarheid. Zij deugde. Kon ik daar wel aan raken? Ik kon me niet voorstellen dat die vrouw gewoon leefde. Ik wist namelijk dat ze aan de Leidsekade woonde, op loopafstand van de Stadsschouwburg, waar ze altijd op de eerste rij zat. Pas toen een van mijn nichtjes in Amsterdam bevriend raakte met een kleindochter van Jeanne van Schaik-Willink, begon ik te begrijpen dat dat ook gewoon mensen waren. Mensen die gewoon rondliepen en niet in een ivoren toren zaten om mij te straffen. Later heeft ze eens bij een voorstelling van mij op de eerste rij gezeten in de Stadsschouwburg. Ze ademde zo zwaar dat ik haar op het toneel kon horen.

Ik heb haar persoonlijk nooit leren kennen. Wel zat ze in de jury van de Amsterdamse toneelschool toen ik er auditie deed in 1965, het laatste jaar dat Willy Pos er directeur was. Die gedroeg zich tijdens ons eerste gesprek een beetje als een snob. Dat mijn zusje Frans studeerde vond hij interessant, dat mijn vader arts was ook. Toen vroeg hij of ik een pied-à-terre had in Amsterdam en ik wist niet wat dat was. In wat voelde als een noodsituatie heb ik heel snel gedacht “pied”, “terre”, voet en aarde, en toen begreep ik dat hij een kamer bedoelde. Ik zei snel dat mijn tante in de Vondelstraat woonde. Volgens mij durfde hij me toen pas door te laten gaan naar de audities, omdat hij dacht: ze is toch minder onnozel dan ze er uitziet.’

Hoe onnozel zag u er uit?

‘Ik was lang en had de neiging om mijn kop te laten hangen, met al dat haar in mijn gezicht. Het lukte mijn moeder niet om mij rechtop te krijgen. En ik was rossig, dus kreeg ik van de kapper wel eens een rode spoeling door mijn haar, omdat die bij mijn teint zou passen. Een keer is het zo rood geweest en wild geknipt… “Sauvage, sauvage!” riep die kapper steeds. En ik durfde niets te zeggen, omdat ik bang was dat ik hem in zijn creativiteit afremde.’

Dat onnozele of naïeve zit vaak ook in uw spel. Was u zich al vroeg bewust van het komische effect daarvan?

Olga Zuiderhoek: ‘Daar was ik niet mee bezig, totaal niet! Op de toneelschool volgde ik gewoon de basislessen, Stanislavski, en dat vond ik moeilijk. Iets voelen vond ik ook moeilijk. Een leraar zei: “Je moet het gevoel hebben dat je een heel zware klok op je zonnevlecht, dus op leverhoogte onder je middenrif, hebt hangen. Als ik dan met een stok op tafel sla, voel jij de zwaarte van die ijzeren klok. Daar zit je gevoel.” Dat deed ik dan en de hele klas zat daar bloedserieus naar te kijken. Mijn overgangsexamen na het eerste jaar is een doorbraak geweest. In Les caprices de Marianne van Alfred de Musset speelde ik een voedster of kleedster die commentaar levert op het leven van Marianne. Toen ik daar voor de zaal stond, realiseerde ik me ineens dat je keuzes moet maken. Als je besluit om op zo’n verhoging te gaan staan met een lampje op je gericht, dan moet je verdomme ook iets laten zien. Plotseling werd het helder wat ik moest doen. Ik hield me gewoon aan de tekst van De Musset, maar in die tekst voelde ik dat Olga Zuiderhoek er doorheen kwam, mijn visie op die rol, en daar werd om gegniffeld. Niet uitgelachen. Toen ben ik opengegaan. Als je je gêne overwonnen hebt, kun je alles hanteren. Jan Kassies, de directeur, zei nog: “Zo, dat was op het nippertje.”

Maar ik was er niet op uit om geestig te zijn. Ik vond Jan Joris Lamers en Leonard Frank interessant, want die maakten nieuw toneel. Ik weet nog dat ik zei: “Ik wil toneel maken zoals Willem Breuker muziek maakt, die speelt goed saxofoon, maar gaat er dan juist rare geluiden mee maken.” Ik wilde het vak beheersen en er dan tegenaan schoppen. Willem kende ik toen van een afstand, ik ging altijd naar de oudejaarsavondconcerten van het Willem Breuker Kollektief. In hem persoonlijk was ik niet geïnteresseerd, dat kwam pas jaren later. Ik vond hem een beetje een chagrijnige Amsterdammer. Ik kwam uit een gezin waarin men niet ging zitten kankeren op de televisie, of dat er te veel subsidie naar de ouwe shit gaat, zo deden wij dat niet.’

Zoveel schopt u toch niet?

‘Niet als je het vergelijkt met echt experimenteel toneel, maar de behoefte is er wel altijd. Als iets op een bepaalde manier voor me geschreven is, dan wil ik het vaak net even anders doen. Ik heb een ontzettende weerzin tegen voordehandliggendheid. In komische teksten zoek ik meteen de tragiek, instinctief. Overigens is dat niet zo bijzonder hoor, dat heeft iedere acteur die iets kan. Mensen denken vaak dat ik maar wat doe, maar ik ben een strenge technische actrice. Ik verdeel de tekst in blokken, structureer, daar heb ik tijd voor nodig. Techniek is belangrijk, maar uiteindelijk moet je de emoties wel bij jezelf zoeken. Vervolgens zorg je dat ze herhaalbaar en praktisch gemaakt zijn. Nooit te diep graven.’

Houdt u daar niet van?

‘Ik vermijd het liever. Jaren geleden ben ik wel even bij een psychiater geweest, nadat ik De eenzame oorlog van Koos Tak had opgenomen met Theo van Gogh en Gerard Thoolen. Gerard Thoolen was net overleden. In die periode deed ik vaak dingen voor anderen, terwijl ik daar helemaal geen zin in had. En dan ging ik er achter iemands rug over klagen. Dat deugde niet, vond ik, dus heb ik toen een paar gesprekken met een psychiater gehad. Die kwam niet zoveel verder met mij. Hij zei: “Elke keer als u me iets vraagt, geeft u zelf het antwoord al.” Maar ik weet niet of ik gesloten ben. Misschien wel, maar tegelijkertijd heb ik het hart op de tong. Dat heb ik toen ook tegen die psychiater gezegd: “Ik weet niet of ik hulp nodig heb, of ik ziek ben of niet.” Na een paar maanden zei hij dat het wel meeviel. Hij zei: “U hebt het toch ver geschopt, daar moet u wat meer van leren genieten.” Ja, ik ben zo onrustig, ik word altijd zo moe van mezelf. Misschien doe ik wel altijd zo druk en vrolijk omdat ik bang ben dat ik bij tegenslag niet meer van mijn stoel af kom. Bij toneel móet je wel . Je móet dat toneel op, ook als je geen zin hebt. Die discipline heb ik nodig. Ik kan me niet voorstellen dat ik kunstschilder zou zijn en in mijn eentje moet opstaan om aan het werk te gaan.’

Inmiddels heeft Zuiderhoek zich weer op het werk gestort. Ze is te zien in de film Tiramisu van Paula van der Oest en nam met Paul de Leeuw een nieuwe serie afleveringen van Seth en Fiona op. Olga Zuiderhoek: ‘Ik kies films en toneelstukken niet uit op de rol die ik erin krijg, het gaat mij meer om de regisseur en de andere acteurs. Zonder dat je woorden nodig hebt, weet je met wie je wilt werken en met wie niet. Als ik moest kiezen, kan ik veel namen noemen, maar ik kan me voorstellen dat ik eindig met Kees Hulst, Kees Prins en Han Kerckhoffs, misschien omdat ik een bepaald gevoel voor humor of relativeringsvermogen met hen deel.’

Hebt u zich wel eens vergist in een rol?

‘Het is wel eens gebeurd dat een rol niet geschikt voor me was. In Moedersnacht van Het Toneelhuis speelde ik een vrouw van tachtig in een rolstoel. De teksten waren onspeelbaar, voedden elkaar niet, dus daar kwamen we helemaal niet uit. Ik was doodongelukkig, soms viel ik vlak voor een voorstelling flauw op de wc, omdat ik energie moest steken in iets wat ik zelf niet goed genoeg vond. “Voorstelling verpest door Olga Zuiderhoek” zag ik al in de kranten staan, maar er stond gelukkig alleen in kleine letters dat mijn rol verkeerd gecast was.

Bij Wie is er bang voor Virginia Woolf was ik daar ook even bang voor, want bij de rol van Martha zal niemand aan mij denken. Toen ik werd gevraagd, ben ik naar Joop Admiraal gegaan. “Zal ik het wel doen, want dat schreeuwen… Er zijn actrices die beter schreeuwen dan ik.” “O, nou dan schreeuwt die vrouw maar wat minder”, zei Joop. “Het is je op het lijf geschreven.” Als het goed gaat, dan weet je dat, dan zit je er bovenop en bespeel je jezelf als een xylofoon. Vooral in de slotscène, als Martha hoort dat haar zoon dood is, was het de uitdaging om het niet sentimenteel te maken. Toneelspelers gaan soms meteen de diepte in als hun personage ongeneeslijk ziek wordt, dat ze zich uitkleden of suf op een eenzame hei een klavertje vier gaan bekijken. Als een regisseur dat aan mij vraagt, wil ik dat niet spelen. Je visie als acteur is niet rekbaar tot in het oneindige. Dat hangt inderdaad nauw samen met mijn visie op het leven. Als je hoort dat je doodgaat, ga je volgens mij nog méér leven. Dan knok je ervoor. Ik vind het spannender om niet het accent op de pech te leggen, maar juist de tegenwind te spelen. Tegen het einde kun je de mensen altijd nog op wanhoop trakteren. Maar nooit te vroeg.’