Nooit uitgekomen dromen en een IKEA-kast

Ze zei: ‘Ik wil dat je me alle hoeken van de kamer laat zien.’

Deze zomer zat ik aan een lange en inmiddels rommelige eettafel op de top van een Italiaanse berg, toen er zich rond middernacht een vrouw bij me voegde. Ze vroeg ik nog wat wijn wilde en ik antwoordde liever bier te drinken, waarna ze iets mompelde over ons verschil in leeftijd en terugkwam met een flesje Peroni. Aan tafel deden we wat we al een week lang aan het doen waren: elkaar aankijken, zonder daarbij al te veel te zeggen. Totdat zij die stilte doorbrak, en zei: ‘Ik wil dat je me alle hoeken van de kamer laat zien.’

Ik knikte, en zij vervolgde: dat ze nog nooit eerder met een vrouw was geweest, maar dit haar het juiste moment leek. Wat dit moment zo juist maakte, of de vorige momenten zo verkeerd, durfde ik niet te vragen. Hoe het eruitziet wanneer je iemand alle hoeken van de kamer toont evenmin, en sindsdien is dat een vraag die me maar amper heeft losgelaten.

Om te beginnen is het een bijzonder complexe vraag, omdat je ‘m eigenlijk niet kunt stellen: wie in staat is een ander alle hoeken van de kamer te laten zien, is iemand met een weinig weifelende aard – zoveel lijkt me zeker. Het zijn mensen die in antwoorden weten te leven in plaats van in vragen, en die antwoorden bij voorkeur ook nog eens delen met hun omgeving. Als ik íets deel met mijn omgeving zijn het vragen, zo niet zuivere angsten – die er niet minder op worden wanneer ik word benaderd met de verwachting alles te weten.

In La grande bellezza zegt Toni Servillo: ‘Het is deprimerend om er goed in te zijn; je kunt hooguit bedreven raken.’

Het is een verwachting waar je als vrouw die op vrouwen valt vaker mee wordt geconfronteerd, en de ervaring leert dat het je niet in dank wordt afgenomen wanneer je er in alle eerlijkheid op reageert. Ik noem dit de last van de lesbische leegte: je vormt een soort onbeschreven vel, waar de onervaren ander al haar hoop en verlangens op kan vestigen. De realiteit luidt helaas dat niemand onbeschreven is, en lesbische seks misschien wel bij uitstek hannesen is: niemand heeft het ooit over ons gehad, en daarom heeft niemand ons ook ooit verteld hoe ‘het’ zou moeten.

Dat laatste is een godszege, geloof ik, maar vooralsnog krijg ik die boodschap maar weinig aan de man. En uiteraard was er ook een tijd dat ik me aan de andere zijde van de rolverdeling bevond, voor het eerst het bed met vrouwen deelde en hoopte dat ik de kneepjes wel even zou leren. Mijn beoogde onderwijzeres was een kleine tien jaar ouder, en vertelde vaak dat er maar twee plekken waren waar ze absoluut niet na hoefde te denken: het voetbalveld en het bed. Op dat voetbalveld leerde ik haar kennen en die gedachteloosheid tussen de lijnen deelde ik, dus over het bed maakte ik me weinig zorgen.

Over het verschil tussen voetbal en seks heb ik later nog veel nagedacht, en ik kreeg pas antwoord toen ik La grande bellezza zag en Toni Servillo over het bedrijven van de liefde hoorde zeggen: ‘Het is deprimerend om er goed in te zijn; je kunt hooguit bedreven raken.’ In seks ben ik nooit goed geworden, ook niet aan de hand van een meer ervaren mentrix. Het enige wat ik voelde in dat bed was mijn eigen onwetendheid, die niets met kneepjes van doen had maar met mijn kinderlijke verwachting dat seks kennis is – en zomaar overhandigd wordt.

Op een dag was het bed verdwenen, en voerden we al onze klunzige handelingen nog klunziger uit op haar bank. Toen ik vroeg waar haar bed eigenlijk gebleven was, vertelde ze me dat een van haar andere geliefden daar ‘korte metten’ mee had gemaakt. Vermoedelijk was dat het moment dat ik onderscheid begon te maken tussen types die iemand alle hoeken van de kamer laten zien, en mezelf. En nog steeds heb ik er maar weinig beeld bij, los van die angstaanjagend lege slaapkamer, gevuld met nooit uitgekomen dromen en een glimmende IKEA-kast.