Noor van Crevel, 4 april 1929 – 6 mei 2019

Noor van Crevel was lid van de lesbische actiegroep Paarse September en richtte in Amsterdam het eerste Blijf-van-m’n-lijf-huis op. Een vriendin voor het leven, dat was ze ook.

Noor van Crevel werd geboren in 1929 en groeide op in Den Haag, met twee zussen en een broer, in een gezin dat rijk was aan cultuur. Vader Marcus van Crevel was musicoloog, gepromoveerd op de middeleeuwse componist Adrianus Petit Coclico, en rector van een Haagse middelbare school. Hij telde Menno ter Braak onder zijn vrienden. Haar moeder Carrie was veel jonger. Haar vader, de grootvader van Noor, was joods en zat in de oorlog bij het gezin ondergedoken. Noor voelde zich sterk verbonden met het lot van hem en zijn joodse familie. Ze bevond zich in de tussenpositie die ze later ging zien als kenmerkend voor haar leven: verbonden met het jodendom maar niet joods, getrouwd en moeder van vier kinderen maar lesbisch, feministisch in een beweging waarvan de meeste leden een generatie jonger waren, intellectueel maar zonder universitaire studie. Ze omarmde die outsiderspositie, die bracht haar kennis van beide kanten, vond ze. Virginia Woolfs ‘Society of outsiders’, uit A Room of One’s Own, was haar op het lijf geschreven.

Tussen haar vijfde en twaalfde jaar leed Noor aan een belastende nierziekte. Als tienjarige lag ze lang in het ziekenhuis waar ze werd behandeld door een sadistische arts, een ervaring die ze levenslang met zich meedroeg. Ze was slim en wilde psychologie studeren. Het werd de school voor maatschappelijk werk, ‘geschikter voor een meisje’, aldus de beroepskeuzeadviseur. Ze wilde daarna bij de kinderpolitie, maar daarvoor bleek ze een centimeter te kort. Niettemin kreeg ze een rijk beroepsleven. Ze schreef een scriptie over de joodse oorlogspleegkinderen en werd maatschappelijk werkster in Helmond bij textielfabriek Vlisco. Later liet ze me nog eens het personeelsblad van de Vlisco zien, waar ze als 22-jarige de mannelijke chefs toesprak over hoe die met de fabrieksmeisjes moesten omgaan. ‘Meisjes houden van gezelligheid, zet eens een bosje bloemen in de kantine.’

De benauwende koker waarin vrouwen in de vroege jaren vijftig gevangen zaten hield ook haar gevangen. In Helmond ontmoette ze weliswaar Stephanie de Voogd, die haar vriendin werd, maar lesbisch leven was rond 1950 voor jonge vrouwen nog geen optie. Noor trouwde met Henk Krekel, met wie ze vier kinderen kreeg. In het Lesbisch prachtboek (1979) beschreef ze later hoe weinig steun ze van haar eigen moeder kon vragen en hoe pijnlijk de scheiding was met vier kinderen. In 1970 vertrok ze naar Amsterdam, alsnog met Stephanie, en twee van haar kinderen. Intussen werkte ze op sociale academie De Aemstelhorn. Toen ontmoette ik haar. Onze vriendschap zou bijna vijftig jaar duren.

Het feministisch ­maandblad 'Opzij' vonden wij te braaf

Ik had gereageerd op een advertentie in Vrij Nederland, begin 1971: ‘2 vriendinnen, het coc en andere contact- en opvangmogelijkheden beu zoeken vrouwen 18-95 jaar’. Inderdaad, het coc bood ontmoetingskansen wanneer je als jong lesbootje uit de provincie kwam, maar er kwamen weinig vrouwen en contact maakte je er niet. Ik ging dus meedoen aan de lesbische praatgroep van Noor en Stephanie. Die evolueerde tot de actiegroep Paarse September (1972-73). We intervenieerden in maatschappelijke discussies door ingezonden brieven en het organiseren van debatten. Een belangrijke slogan werd ‘lesbisch zijn is politieke keuze’, waarmee we de dwang tot heteroseksualiteit als ‘natuurlijk’ geachte norm ter discussie stelden. We publiceerden Paarse September, alternatieve vrouwenkrant en daagden andere feministische en homogroepen uit, het feministisch maandblad Opzij (te braaf) en het coc (te gericht op mannen). Na anderhalf jaar hieven we ons blad op: ons punt, de alomtegenwoordigheid van de heteronorm, was gemaakt.

Noor wilde iets concreters doen. Vrouwenmishandeling was destijds een stilzwijgend geaccepteerde praktijk. Met Martine van Rappard en Anita Aerts richtte ze in 1974 het Blijf-van-m’n-lijf-huis in Amsterdam op, voor vrouwen én kinderen. Er werd een enorm pand gekraakt aan de Stadhouderskade in Amsterdam. Een ziekenhuis doneerde een partij verroeste bedden: de vrouwen kregen een staalborstel in de hand om hun eigen bed klaar te maken voor gebruik. Het werd een groot succes: door de bijstandswet konden gevluchte vrouwen een uitkering krijgen en daardoor een nieuw bestaan opbouwen. Ze moesten hun veilige plek zelf runnen, ook al was die primitief en overbevolkt. ‘Women are very capable people’, zoals Noor graag Erin Pizzey citeerde, die kort daarvoor het eerste Engelse Blijfhuis had opgericht. De staf werkte vrijwillig en het project werd geflankeerd door tal van scholingssessies voor politie, huisartsen, maatschappelijk werkers en politici.

In 1986 werd Noor een van de oprichters van Blanes, een platform voor culturele en politieke activiteiten over onderwerpen die joden in het bijzonder aangaan. Ze kon prachtig schrijven en droeg in de jaren negentig vaak artikelen bij aan Blanes, Joods kritisch kwartaalblad, waarvan ze ook redacteur was. Intussen werkte ze in Amsterdam-Zuidoost waar ze de eerstelijns gezondheidszorg beter liet samenwerken. Na haar pensioen trainde ze vrijwilligers voor Humanitas. Ze kreeg in 2008 de zilveren speld van stadsdeel Oost, voor mij had het wel een ridderschap in de orde van de Nederlandse Leeuwinnen mogen zijn. Al die tijd bleven we elkaar volgen en zien. We konden lang en heerlijk praten over alles. Haar belangstelling voor mij, voor planten en dieren, haar volkstuin, mensen, vooral kinderen, was onuitputtelijk. Ze verdroeg de ernstige kwalen die haar troffen en rouwde om het verlies van haar gezichtsvermogen. Ze vond dat ze veel te oud was geworden. Ze overleed kort na haar negentigste verjaardag, op 6 mei.