Economie

Nootjes

Van volwaardig burger naar onmondige kleuter in minder dan elf maanden. Nou zat het met dat burgerschap al langer niet goed. Kenmerkend voor onze representatieve democratie is immers dat we niet zelf beslissen maar dat we eens in de vier jaar vertegenwoordigers kiezen die namens ons beslissen. En dat is filosofisch gezien toch echt een minimale vorm van politiek burgerschap.

Als het gaat om het verwezenlijken van individuele autonomie in complexe moderne samenlevingen reikt dit gemankeerde burgerschap terug op de liberale traditie van de burger als bourgeois. Autonomie betekent dan geen last hebben van de staat om, populair uitgedrukt, je eigen ding te kunnen doen. En dat betekent dan vooral eigendomsrechten op grondstoffen, land, dieren en de arbeid van anderen vestigen en die naar hartenlust exploiteren.

Met de republikeinse traditie van politiek burgerschap – de burger als citoyen – is het eigenlijk nooit wat geworden. De bezittende klasse vreesde (en vreest nog) voor machtsverlies en herverdeling van eigendommen als de bezitlozen als politieke gelijken mogen aanschuiven aan de tafels waar de inrichting van staat, samenleving en economie wordt bedisseld. En dus is historisch een lange reeks van onzinnige argumenten gebruikt om hen buiten de deur te houden: te weinig bezit, te weinig verstand, te weinig betrokkenheid, te weinig opleiding, te veel wappie.

Maar zelfs met die burger als bourgeois ging het de laatste tijd al niet zo goed. Vanaf de jaren zeventig werd hij in de domeinen die onder controle van de staat stonden – onderwijs, gezondheidszorg, volkshuisvesting en de ambtenarij als geheel – steeds meer als wispelturige consument aangesproken. In het ziekenhuis was hij niet langer een hulpbehoevende medeburger maar een betalende patiënt. In het hoger onderwijs was hij niet langer een naar kennis en ontplooiing hongerende halfvolwassene maar een kapitaalkrachtige cliënt die investeringen in de eigen arbeidsmarktkansen deed.

En ook de staat zelf bekeek haar burgers steeds vaker door de utilitaristische bril die vanuit de Anglo-Amerikaanse economiebeoefening onder Nederlandse ambtenaren, toezichthouders en politici vaardig was geworden. De burger heeft geen deugden, geen plichtsgevoel en verantwoordelijkheidsbesef, maar is een onbetrouwbare lijntrekker die de overheid pootje licht waar hij maar kan. Uit op eigenbelang, en bereid daar de grenzen van het recht voor te overschrijden.

Van volwaardig burger naar onmondige kleuter in elf maanden

Het afzichtelijke dieptepunt bereikten we vorige maand met dat ontluisterende rapport over de toeslagenaffaire bij de Belastingdienst. Op volstrekt harteloze wijze, voorbijziend aan elke vorm van medemenselijkheid, zijn kwetsbare, praktisch geschoolde burgers door theoretisch geschoolde ambtenaren systematisch bejegend als luilebollen en potverteerders. Alsof ze te maken hadden met postmoderne struikrovers, die op schandelijke wijze de staat een poot hadden uitgedraaid en hard gestraft moesten worden om een voorbeeld te stellen. En dat in belastingparadijs Nederland, waar ontduiking een kunstvorm is.

Ik hoop dat de les wordt dat er bij de werving en selectie van ambtenaren voortaan uit een ander vaatje moet worden getapt: geen van argwaan en achterdocht druipende economen meer, maar schranderheid en deugdzaamheid ademende mbo’ers bijvoorbeeld, voor wie de leefomstandigheden van kwetsbare medeburgers geen theoretische abstractie zijn maar levende realiteit.

Sinds 15 maart is ons burgerschap echter verder en in een hoger tempo geërodeerd dan in al die lange neoliberale jaren ervoor. We moeten thuis werken, mogen niet meer reizen, geen vrienden en familie meer ontvangen, niet demonstreren. En sinds vorige week is daar een avondklok bij gekomen. Wie na negenen op straat komt kan een fikse boete ontvangen. Afgaand op de berichtgeving kreeg het politieapparaat de opdracht daar nauwlettend op toe te zien.

Het voorlopige hoogtepunt staat op de website van het ministerie van Volksgezondheid, waar tot in absurdistisch detail is beschreven wat we wel en niet mogen: ‘Deel nooit blikjes of glazen bier met elkaar, markeer zo nodig de glazen. Gebruik individuele bakjes voor chips en nootjes, zorg ervoor dat u niet uit dezelfde zakjes eet. Valt er een doelpunt, dan kunt u bijvoorbeeld zonder te schreeuwen, opstaan uit uw stoel, dansen en springen op uw plek…’ Aldus een ambtenaar die het zonder ironietekens uit zijn vingers kreeg en een minister die er even ironieloos zijn zegen aan gaf.

Wij burgers stonden erbij, keken ernaar en staken geen poot uit.