North sea pop festival

De grondleggers van de jazz verdwijnen van het toneel. Pop-, funk- en rocksterren nemen hun plaats in op het North Sea Jazz Festival. Dreigt ‘s werelds grootste jazzfestival aan zijn eigen succes ten onder te gaan?
Het eenentwintigste North Sea Jazz Festival vindt plaats op 12, 13 en 14 juli in het Congresgebouw in Den Haag
IN DE HERSENPAN van Paul Acket (1922-1992) schuilde net zoveel kracht en uithoudingsvermogen als in de bovenarmen van Arnold Schwarzenegger. Het was Acket alleen niet aan te zien. Hij zag er uit als een suffige oude opa. Hij droeg goedkope grijze confectiepakken die om zijn lijf slobberden. Hij had een gebogen gestalte en een kale kruin en hij sprak een allerwonderlijkst soort Nederengels.

Acket was de oprichter en organisator van ’s werelds grootste jazzfestival. Eens per jaar bracht hij vrijwel alle sterren bijeen in een enorm gebouw. In tegenstelling tot andere festivalbonzen was Acket afkerig van een al te openlijke, amicale omgang met de artiesten - dat vond hij maar klef gedoe. Toch spreken de musici nog steeds met veel respect over hem, ook degenen die een instinctieve afkeer hebben van zakenlieden. ‘Yeah, Pol Ekkut. Wonderful guy, did a lot for jazz.’ Dat zeggen ze allemaal, vraag het ze maar in het Haagse Bel Air Hotel. Daar logeert bijna iedereen die iets voorstelt op jazzgebied als honderd meter verderop het Festival aan de gang is.
Zijn opvolger, Paul Dankmeyer (1954), ziet er representatiever uit, maar heeft Ackets bescheidenheid overgenomen. Een onopvallende, Indisch ogende man met een zachte stem en een aarzelende verteltrant. Iedere neiging naar grandeur en glamour is hem vreemd. Dankmeyer: 'Ik doe het niet voor de roem. Dat interesseert mij niet. Nee, de kick van zo'n festival is het organiseren. Het bijeenbrengen van een groot aantal verschillende musici. Het samenstellen van een interessante cocktail.’
In september, als Dankmeyer na de vakantie weer aan het werk gaat, hangt een groot leeg vel aan de muur in zijn Delftse kantoor. Een tijdschema vol lege vakjes met van boven naar beneden de veertien zalen en van links naar rechts de aanvangstijden. 'In de loop van het jaar raken, heel langzaam, de vakjes vol. Het is een proces dat gepaard gaat met veel dilemma’s en onzekerheden. Ik kan op het North Sea heel veel sterren programmeren, maar ik kan ze niet allemaal krijgen. Dat kunnen we niet betalen en daar hebben we ook geen ruimte voor, ook al kunnen we beschikken over veertien podia. Er moet worden geselecteerd. Dus ga ik op zoek naar een goede combinatie van bekende en minder bekende artiesten, jongeren en ouderen en traditionele en nieuwe stijlen. Het resultaat moet natuurlijk financieel haalbaar zijn. Want zonder een paar grote trekkers kunnen we het North Sea wel opdoeken.’
OPVALLEND IS DAT veel van die grote trekkers tegenwoordig slechts zijdelings iets met jazz hebben uit te staan. De lijst met zestien solisten en groepen op de omslag van de festivalbrochure getuigt daarvan. De meeste zouden net zo goed - of beter nog - op een popfestival kunnen optreden: George Benson, Santana, Al Jarreau, Rachelle Ferrell, B. B. King, David Sanborn, Bootsy Collins & George Clinton, Oleta Adams en Van Morrison. Tot de grensge vallen behoren ook Manhattan Transfer, Gilberto Gil en het duo Lee Ritenour & Larry Carlton. Binnenin de brochure vinden we nog de namen van Little Richard en Isaac Hayes. Zijn die wel op hun plaats op zo'n jazzgebeuren? Een verslaggever merkte vorig jaar al op dat de naam misschien moet worden gewijzigd in 'North Sea Music Festival’.
Dankmeyer: 'Het is primair een jazzfestival en dat willen we zo houden. Ik zet gewoon de traditie van Paul Acket voort. Ik heb wel een brede kijk op de jazz, probeer een link te leggen met andere muziekvormen. Voor mij is het belangrijk dat de artiesten een goede beheersing van hun instrument of hun stem hebben - ze moeten goed kunnen spelen. Sommige popsterren werken met voorbespeelde banden. Bij zulke mensen ligt meestal de nadruk op de show. Die komen er bij mij niet in. Ik kijk niet op ze neer, ze zullen best op hun gebied heel vakbewaam zijn. Maar ze horen alleen niet thuis op het North Sea. Daar moet gespeeld worden.
Verder moet de muziek een jazz-gevoel hebben. Het moet swingen en er moet geimproviseerd worden. Neem Little Richard. Die man komt uit de rhythm and blues, een stijl die nauw verweven is met de jazz. Hij swingt als de ziekte, dat zal duidelijk zijn. En hij improviseert, zij het binnen de grenzen van zijn muziek. Hij heeft een heel vakkundige band bij zich, met blazers die ook mogen soleren.
En waarom George Clinton op het programma staat? Ik heb veel respect voor hem. Hij is een funk-man die nooit van zijn geloof is afgeweken. Hij swingt ook en zijn ritmiek komt uit dezelfde Afro-Amerikaanse bron als de jazz.’
Dankmeyer is niet van mening dat het aantal rock-georienteerde artiesten op het Festival toeneemt. Toch lijkt het North Sea in stijgende mate van hen afhankelijk te zijn. De Statenhal, de grootste zaal, trekt in de drie festivaldagen zo'n 22.500 bezoekers, wat bijna een derde is van alle North Sea- gangers.
Musici als Clinton moeten kennelijk de leemte opvullen die de overleden jazzhelden hebben achtergelaten. Want er gaan er nogal wat dood de laatste tijd. Je kan tegenwoordig geen jazzblad openslaan zonder te worden geconfronteerd met een lange serie necrologieen. Zeker de helft van de sterren van het eerste North Sea Festival, dat 21 jaar geleden plaatsvond, is overleden. Ga maar na: Sarah Vaughan, Count Basie, Dizzy Gillespie, Stan Getz, Teddy Wilson, Cat Anderson, Cootie Williams, Eddie 'Lockjaw’ Davis, Thad Jones en Mel Lewis zullen in 1976 echt niet voor lege zalen hebben opgetreden, en zijn nu allemaal dood. De hoogbejaarde Lionel Hampton - in dat jaar ook van de partij - heeft tegenwoordig zo'n broze gezondheid dat hij zijn concert op het komende festival moest afzeggen.
Dankmeyer: 'De grondleggers van de jazz verdwijnen. We kunnen daar heel tragisch over doen, maar daar schieten we niets mee op. Ik geloof dat de jazz zal blijven voortleven. Als de Beatles en de Stones doodgaan, hoeft daarmee ook geen einde te komen aan de popmuziek. We leven nu in een overgangsfase. De oude garde verdwijnt, maar er is een nieuwe generatie aan het opkomen. Ik heb hoge verwachtingen van Cassandra Wilson, Roy Hargrove, Steve Coleman en Joshua Redman. Je kunt natuurlijk zeggen dat ze nog niet zulke persoonlijkheden zijn als Miles en Dizzy, maar je moet ze de kans geven om te groeien. Wat ik ook wel aardig vind: nu de aller grootsten overlijden, krijgt de sub-top een kans. Oudere musici als Ray Bryant, Tommy Flanagan en Ray Brown kenden we eerst alleen als sidemen. Nu treden ze op als solist en bandleider en blijkt dat ze die rollen heel goed aankunnen.’
VIA VIA BELANDDE Paul Dankmeyer in 1979 bij het North Sea Jazz Festival. 'Ik was bevriend met een van de dochters van Paul Acket. Hij wist dat ik van muziek hield. Een medewerker had op het laatste moment afgezegd en mij werd gevraagd of ik zaalleider wilde zijn in wat toen nog de Bon Bini Zaal heette. Het was mijn taak om de musici van een hapje en een drankje te voorzien, ze aan te kondigen en er vooral voor te zorgen dat ze op tijd begonnen en op tijd weer van het podium stapten.’
Vanaf 1989, toen Ackets gezondheid achteruit ging, was Dankmeyer samen met Acket verantwoordelijk voor de programmering. Acket werd steeds zieker - hij leed aan kanker - maar werkte letterlijk door tot op zijn sterfbed. Hij stierf op 5 oktober 1992. Op het Festival van dat jaar vertoonde hij zich niet, hoewel hij bij de voorbereidingen intensief betrokken was geweest. Het traditionele gala, voorafgaande aan het Festival, had hij wel bezocht; bij die gelegenheid schudde zanger Tony Bennett de breekbaar geworden organisator aangedaan de hand.
Dankmeyer: 'Ik heb altijd enorm veel respect gehad voor Paul Acket. Hij had in 1976 kunnen gaan rentenieren, want hij was als eigenaar van het blad Muziek Expres miljonair geworden. Maar hij stortte zich in de jazz, wat heel riskant was. Iedereen verklaarde hem voor gek toen hij het eerste North Sea organiseerde. Men was stomverbaasd toen daar 15.000 bezoekers op afkwamen. Nu trekken we op een enkele festivaldag al meer mensen. Ik wil zijn formule handhaven: zoveel mogelijk jazz-stromingen onder een dak. Het enige verschil is dat ik wat meer binding heb met de jonge Nederlandse garde. Zo heb ik Fleurine, Denise Jannah, SFeQ, Nueva Manteca, Jesse van Ruller, Sylvi Lane en Michiel Borstlap gecontracteerd voor het komende Festival.’
Na het overlijden van de oprichter trok Ackets familie zich terug uit de muziekbusiness; de financiele risico’s waren te groot. De nieuwe eigenaar werd - met ingang van januari 1994 - de firma Mojo Concerts, een omvangrijk Nederlands impresariaat. 'Voor de bezoekers heeft die transactie geen merkbare gevolgen. Voor de organisatie wel. We kunnen nu wat efficienter werken omdat we gebruik kunnen maken van de contacten van Mojo. De mensen van Mojo brengen de managers op de hoogte: “We hebben een groot festival in juli, is dat iets voor je?” Ze hebben ons geholpen aan Oleta Adams.’
HET FESTIVAL HEEFT zich in de loop der jaren gestadig uitgebreid. Het vond eerst plaats op vier podia, nu in veertien zalen tegelijkertijd. Verdere uitbreiding zit er niet in, laat Dankmeyer weten. 'Er is onlangs een amfitheater achter het Congresgebouw neergezet, maar dat is in de plaats gekomen van de grote tent in de tuin. Meer zalen dan we nu gebruiken zijn er niet en meer dan grofweg zeventigduizend mensen kunnen er niet in. Als we daar overheen gaan, wordt het Festival onleefbaar en negeren we de voorschriften van de brandweer. De enige mogelijkheid tot uitbreiding zou een vierde dag zijn, de donderdag dus. Maar dat gaan we pas overwegen als het gebouw zo'n drie maanden van tevoren is uitverkocht.’
Dankmeyer is tevens betrokken bij twee andere festivals: het Amsterdamse Drum Rhythm en de Maastrichtse Music Nights. 'Zo ben ik het hele jaar zoet. Ik probeer rustig veertig uur per week te werken, maar in de loop van zo'n festival maak ik wel eens dagen van 24 uur. Gewoon, omdat het niet anders gaat.
Wat ik zoal doe? Ik ga om te beginnen in september naar een vergadering met andere Europese festivalorganisatoren; onder andere die uit Montreux, Nice, Molde en Glasgow. Dan bespreken we wat slechte en goede optredens waren en hoeveel bezoekers de artiesten trokken. En welke bedrij ven bereid zijn de jazz te sponsoren. Mijn gesprekspartners zijn natuurlijk concurrenten, maar uiteindelijk zijn we er allemaal bij gebaat om informatie uit te wisselen. De voordelen zijn veel groter dan de nadelen. Zo hebben we een keer een tournee geregeld voor Bobby McFerrin. We hadden een trekker nodig en hij had nog geen plannen. Toen hebben we hem gebeld: “Wil je in de zomer naar Europa komen? We willen je allemaal hebben, dus het loont de moeite.” ’
De gezamenlijke festivalbonzen pogen niet tot prijsafspraken te komen. 'Als een van ons een kapitaal voor een artiest wil neertellen, moet hij dat maar doen. Dat zullen we niet verbieden. Zo ver gaan we niet met deze kartelvorming.’
Een groot deel van het jaar besteedt Dankmeyer aan het beluisteren van cd’s en cassettebandjes van musici die zich aanbieden. 'Ik schat dat ik per jaar tweeduizend cd’s en duizend bandjes in de brievenbus krijg. Net als in de tijd van Paul Acket worden al die geluidsdragers beluisterd en krijgt iedereen antwoord. Ik word daarbij geholpen door twee assistenten en een adviescommissie. De musici die door de selectie komen, moeten iets bijzonders hebben. Een pianist die net zo kan spelen als Oscar Peterson zullen we niet vragen zolang we nog over de echte Peterson kunnen beschikken.
Een tamelijk nieuwe artiest, dit jaar, is pianist Brad Mehldau. Hij speelde hier eerder met Joshua Redman. Toen viel mij op dat hij iets avontuurlijks, iets onvoorspelbaars heeft in zijn spel. Daarmee wekte hij meteen mijn sympathie op. Ik wachtte op een kans om hem eens als solist te laten komen en die kans is er nu eindelijk.
Sommige musici zou ik wel willen hebben, maar zij weigeren te komen. Sonny Rollins is vijfenzestig jaar en vindt dat gereis in de zomer te veel gedoe. Het is dan bloedheet en de hotels en de luchthavens zijn bomvol. Ik probeer hem wel voor Music Nights te krijgen. Dat vindt plaats in de winter.
Keith Jarrett heeft een hekel aan het North Sea. Hij wil niet gestoord worden door al die in- en uitlopende mensen. Ik heb daar begrip voor, maar ik kan niet voor hem het hele festivalconcept overboord gooien. Het aardige is juist dat bijna alle veertien zalen voor iedereen toegankelijk zijn. We kunnen hem dus alleen laten komen voor losse concerten.’
DE PROGRAMMERING lijkt in de loop der jaren wat schraler te zijn geworden. Paul Acket maakte het festival ook aantrekkelijk voor de doorgewinterde freaks door vergeten helden op te sporen: bejaarde artiesten van wie al tientallen jaren niets was vernomen - Billy Eckstine, Don Lanphere, Flip Phillips en Charlie Ventura. Ook stelde hij ad hoc-groepen samen, hetgeen resulteerde in vermakelijke ontmoetingen met sensationele titels als 'Tenor Battle’ en 'Trumpet Summit’. Zowel dergelijke jamsessions als de 'vergeten helden’ schitterden in de laatste jaren meestal door afwezigheid.
'Ik ben wat voorzichtig met die in de vergetelheid geraakte artiesten’, zegt Dankmeyer. 'Vaak spelen ze gewoon niet zo best meer en dan houdt het op, wat mij betreft. Maar zolang ze nog goed functioneren, zijn ze natuurlijk welkom. Vorig jaar hadden we Pat Martino, dit jaar Baden Powell. Met Sonny Simmons zijn we nog bezig.
We proberen wel de jamsessions nieuw leven in te blazen. We hebben dit jaar een grote Trumpet Summit. Daarvoor proberen we Benny Bailey, Roy Hargrove, Jon Faddis, Nicolas Payton en Clark Terry te krijgen. Maar het wordt wel steeds moeilijker om dergelijke sessies te organiseren. Vroeger kon je vrij vlot tot een afspraak komen, maar tegenwoordig worden de grote sterren omringd door een legertje van managers, juristen en platenbonzen. Vooral jonge musici als Branford Marsalis zijn weinig flexibel en hebben veel praatjes. De jazz is verzakelijkt. De sfeer van ouwe-jongens- krentenbrood waarin Paul Acket tien, twintig jaar terug de Tenor Battles organiseerde, bestaat niet meer. Dat is jammer, want het North Sea leent zich bij uitstek voor dergelijke evenementen. Nergens anders komen in zo'n korte tijd zoveel belangrijke jazzmusici bij elkaar.’