Groen

Nostalgia

Ik heb een haarscherp beeld in mijn hoofd: een kronkelende zandweg, over een lage heuvel, een postbode op de fiets en een witte geit aan een touw, met een perfecte cirkel weggevreten gras om haar heen. Hoe ik eraan kom, weet ik niet. Misschien ooit in een film van Bergman of Tarkovski gezien? Een vakantie in Drenthe? Het is een beeld, maar als er geluid aan toegevoegd zou worden, moet dat het zwenkende shrieh-shrieh van gierzwaluwen zijn. Vorig jaar april maakte ik in een busje vol debuterende schrijvers uit heel Europa een tocht van Boedapest naar Pécs, een van de drie culturele hoofdsteden van het jaar 2010. Het was een klein busje, en de avond ervoor was stevig ingenomen. Dat maakte vooral de schrijvers uit de Baltische staten niks uit, zij slokten vroeg in de ochtend al sterke drank naar binnen. Ik slokte de omgeving in me op, want zag mijn beeld langskomen, kilometer na kilometer. Kleine huisjes, en elk huisje had z’n eigen tuintje. Ouderwetse tuintjes, zelfvoorzienend, één fruitboom, nogal wat druivenranken, groenten, honden en geiten. Veel zand ook, en keurige hekjes er omheen. Pal vóór de huisjes wat bloeiend spul, en elk dorp had een centraal veld, dat bestond uit niets: geen bomen, struiken of hagen. Een leeg grasveld. Het was april, en bizar warm. De lucht boven het licht glooiende landschap zinderde, er stonden roestende tractors of aftandse karren.

Pas toen ik er met iemand over sprak, kwam het woord ‘zelfvoorzienend’ bij me op. Ik kreeg te horen dat de mensen op het platteland het redelijk hadden ten tijde van het communisme. Zij voorzagen familie in de stad van verse groenten en aardappelen, een flesje wijn, misschien zo af en toe een geitenkaasje. Nu was alles op het oog omgekeerd, Boedapest bruiste en blonk en hier was alles bij het oude gebleven. Ik was daar blij om, ik werd vervoerd door het beeld dat ik, waar dan ook vandaan, zo haarscherp in mijn hoofd heb. En nee, die gemeenschappelijke velden waren toch niet helemaal leeg. Er stonden palen. Die in mei veranderen zouden in meibomen.