Van Jeruzalem naar Bouillon #32

Nostalgie gaat nogal eens samen met een slecht geheugen

In een zoektocht naar creativiteit, humanisme en vooruitgang loopt filosoof Ralf Bodelier een omgekeerde kruistocht van Jeruzalem in Israël naar Bouillon in de Belgische Ardennen. In deel 32: in Hongarije verblijft Bodelier bij Judit. Terwijl de zon achter de heuvels zakt, ziet hij haar moeder schoffelen in de tuin. Zou hij zo kunnen en willen leven? Simpel, arbeidzaam en eieren rapend?

Van Donji Kraljevec naar Letenye, van Letenye naar Nagykanizsa, van Nagykanizsa naar Újudvar, van Újudvar naar Zalaegerszeg. Soms zijn het dagmarsen van zo’n dertig kilometer. Ze gaan me steeds gemakkelijker af. Uiteindelijk is het een kwestie van gewenning en goede schoenen. De poesta glooit, de zon brandt, wijndruiven hangen zwaar aan hun stokken. Dan weer kleurt de omgeving donkergeel van de zonnebloemen. Auto’s maken ruime bogen om de eenzame wandelaar. ’s Ochtends ga ik vroeg op weg en ik vermijd zo de grootste hitte. Wanneer ik me tegen het middaguur neerlaat in een eetgelegenheid brengt de waard brood en een grote kom soep. In het volle, rode en kruidige vocht zwemmen koolbladeren. Bovenop drijft een laagje vet. De soep laat me de laatste kilometers vliegen.

In Újudvar betrek ik een kamer bij Judit. Újudvar is een gehucht, ingeklemd tussen heuvels. Het heeft geen restaurant, geen supermarkt, geen – ja, wat heeft Újudvar eigenlijk wel? Een kerk en een verweerd heiligenbeeld. Plus een minuscuul winkeltje dat ’s ochtends om zes uur open gaat en in de vroege middag weer sluit. Ik ben van plan een paar dagen bij Judit te blijven. Er moeten columns en artikelen geschreven worden. En dat lukt niet nadat je een volle dag door de Midden-Europese zon hebt gebanjerd.

Zo zit ik in de ochtend met de luiken dicht op mijn kamer te werken. Tegen twaalven spoed ik me naar het winkeltje voor enige mondvoorraad. Ik ben de enige klant. En ik vermoed dat de bewoners van Újudvar veel van hun voedsel uit de eigen tuin halen. De rest betrekken ze waarschijnlijk bij de supermarkt, elf kilometer verderop. Zo ver kom ik niet en dus beperk ik me tot brood, blikjes goulash en een pot zure paprikasalade uit het miniwinkeltje. Dat bevalt uitstekend.

In de namiddag zit ik op het balkonnetje voor mijn kamer en kijk uit op de heuvels. Tegen de hellingen plakken akkertjes, tuinen, kleine wijngaarden en bosschages. Onder mijn voeten voetballen Judits kinderen. Haar wollige hond ligt loom onder een schommelbank. In de hoek van het erf scharrelt een dozijn kippen, stof wolkt onder hun poten. Het hout voor de winter ligt al opgestapeld. In de verte hoor ik het fluiten van een trein. Judits oude moeder komt naar buiten. Ze spoelt twee schorten uit, hangt ze op en schuifelt met een mandje onder haar arm naar de moestuin. Tot zonsondergang zal ze gebogen over haar groenten staan. Ik voel me rustig, loom en landelijk. Ik merk hoe ik word opgenomen in een wolk van nostalgie.

Is dit niet het werkelijke leven? Het eenvoudige, gewortelde bestaan? Simpel, arbeidzaam en ontspannen? Met een kleine winkel om de hoek voor brood, bier en waspoeder? Met aardappelen, kool en paprika uit de eigen tuin, eieren van de kippen, hout dat knapt in de kachel wanneer de wind om het huis jaagt? Ochtenden met nevel in de heuvels, zomers die je huid bruin kleuren, lange avonden op dit balkonnetje terwijl het groen verdwijnt in het zwart?

Het is niet voor het eerst dat ik overvallen word door nostalgie. Het overkwam me in Tel Aviv op de avond van een sjabbat, in een kring met nieuwe mensen, het kiddush, wijn, brood en sjabbatkaarsen. Een avond die me hevig deed verlangen naar een leven met meer structuur, rituelen en gemeenschappelijkheid. Nostalgie overspoelde me tijdens mijn laatste dag in Turkije, op een plat dak in de binnenstad van Edirne, in de wetenschap dat ik nooit meer zo’n lange tijd in dit warme land door zou brengen. ‘Ik kijk ik uit over koepels en minaretten’, schreef ik op 11 oktober vorig jaar. ‘De zon is onder. Gebouwen kleuren donkerrood, geel en roze. De muezzin roept op tot het laatste gebed van de dag. Ergens in de oude stad klinkt muziek, ik hoor trommels en schalmeien. De klanken stemmen me melancholiek. In deze omgekeerde kruistocht is het de laatste keer dat ik deze weemoedige muziek hoor.’

Het is niet toevallig dat nostalgie me nu weer overvalt, hier in het hart van het oude Habsburgse rijk. Een regio die onverminderd herinnert aan de tijd waarover Joseph Roth en Sándor Márai zo hartstochtelijk schreven. Nostalgie doortrekt Joseph Roths beschrijvingen van de ‘Grenzschenke’ in zowel Radetzkymars (1932) als Das falsche Gewicht (1937). De Grenzschenke is een kroeg aan de uiteinden van het rijk, omgeven door bossen en bewoond door smokkelaars, deserteurs en dronkaards. Waar gezongen wordt en gekaart, gedanst, gedronken en geslapen. En waar, vooral, heel veel heimwee wordt geleden, terwijl buiten in het moeras de kikvorsen zich roeren en de ochtend aankondigen. Het is een nostalgie van het verlies. Het verlies van een wereld die je voor altijd achter je laat zonder te weten wat de toekomst brengt.

Nostalgie hangt ook om het oude kasteeltje in Márai’s roman Gloed (1942), waar twee oude vrienden elkaar nog één keer spreken. Een laatste ontmoeting, zo beseffen beiden, voor de dood intreedt. Ze zitten voor de open haard die langzaam uitdooft, net als de flakkerende kaarsen, terwijl een nevelige, nachtelijke kou binnenwaait. En dat terwijl de dag nog zo overdadig was. ‘Achter de gesloten luiken, in de verdroogde, verdorde, verzengende tuin, raasde de zomer en vlamde nog eenmaal op, als een brandstichter die in zinloze woede de velden aansteekt, voordat hij zich uit de voeten maakt.’ Het is de nostalgie van de aankomende dood, waarin het leven nog één keer geleefd wordt, voordat het voorgoed uitdooft.

Hoe zou het zijn om te leven zoals Judits moeder? Om na het ontwaken de kippen te voeren en hun eieren te rapen? Om Újudvar zelden te verlaten? Om elke dag weer voorovergebogen in de tuin te scharrelen en te zaaien, te wieden en te oogsten? Om de namiddagen door te brengen met het wekken van fruit, het schillen van aardappelen, het koken van varkensvoer en het schrobben van wasgoed in een tobbe? Ja, ’s ochtends hangt de nevel in de heuvels, ’s middags hoor je onverminderd de krekels zingen en in de lange avond zakt de zon majesteitelijk weg. Maar terwijl het voorjaar en de zomermaanden opgaan aan het werk in de tuin, gaat een deel van het najaar op aan de oogst en het slachten, uitbenen en invriezen van het varken. En wie er tegen die tijd nog niet voor heeft gezorgd om vijf, zes bomen te laten vellen, in stukken te zagen, te klieven en op te slaan, zit in januari in de kou.

Het is een bestaan dat draait om fysieke behoeften, om veiligheid en om gemeenschappelijkheid in kleine kring. Er lijkt weinig plaats voor zelfverwerkelijking of zelftranscendentie, om nog maar eens termen van Abraham Maslow te gebruiken. Joseph Roth en Sándor Márai schreven pas nostalgisch over het Habsburgse rijk toen dat rijk allang gevallen was en zij in Berlijn, Parijs of San Diego woonden. Nostalgie leeft bij de gratie van afstand. En bij de gratie van het pijnlijke besef dat het nooit meer zo wordt als het nooit was.

In 2014 hield de inmiddels overleden Zweedse arts en statisticus Hans Rosling een van de mooiste TEDtalks ooit: The magic washing machine. Op het podium staat een wasmachine. Net als Judits moeder komt Rosling aanzetten met een mandje wasgoed. ‘Ik was pas vier jaar oud toen ik mijn moeder voor het eerst een wasmachine zag laden’, vertelt Rosling. ‘Dat was een groots moment voor mijn moeder. Mijn ouders hadden jaren gespaard om die machine te kunnen kopen. Zelfs grootmoeder werd uitgenodigd om te komen kijken. Zij was nog meer opgewonden dan wij. Haar leven lang had ze water verwarmd op houtvuur, haar leven lang had ze de was voor haar zeven kinderen met de hand gedaan. En nu kwam ze aanlopen om te zien hoe een elektrisch apparaat dat werk zou overnemen.’

‘Wat was dan precies de magie van de wasmachine?’ vraagt Rosling. ‘Die werd me die eerste dag al uitgelegd door mijn moeder. Ze zei: “Hans, de was zit in de machine, kom, we gaan naar de bibliotheek.” Dát is de magie: je doet vuile was in de machine en er komen boeken uit.’ Rosling opent het deurtje van de wasmachine. Een hand komt tevoorschijn die Rosling het ene na het andere boek aanreikt. Eerst kinderboeken. ‘Want mijn moeder kreeg opeens tijd om me voor te lezen. Hier begon mijn carrière als hoogleraar.’ Dan geeft de hand een woordenboek en een roman. ‘De wasmachine schonk ook boeken aan mijn moeder. Ook zij kreeg tijd om te lezen. En om Engels te studeren. Plus romans om van te genieten.’

Vervolgens vertelt Rosling hoe belangrijk het is om apparatuur te bezitten die lichamelijk werk overneemt. En dat het ons doel moet zijn om ook de armsten ter wereld aan méér machines en aan méér energie te helpen. En niet aan mínder, zoals de nostalgisch-groene mode dicteert. Rosling: ‘We begonnen van de wasmachine te houden. En wat we toen zeiden, mijn moeder en ik, dat was: “Dank je wel industrialisatie, dank je wel hoogoven, dank je wel elektriciteitscentrale en dank je wel chemische procesindustrie, dat je ons de tijd schonk om boeken te lezen.’’’

Rosling had gelijk. Zou ik leven als Judits moeder, dan had ik deze omgekeerde kruistocht nooit gelopen. Dan had ik geen blogs, columns of boeken kunnen schrijven. Ik was maar amper aan het lezen ervan toegekomen. Veel grote auteurs uit het verleden waren óf bemiddeld óf werden onderhouden door bemiddelde vrienden. Joseph Roth werd ondersteund door Stefan Zweig. Anderen deden er betaald werk naast. Sándor Márai verdiende zijn geld als journalist. Niemand stond de halve dag in zijn moestuin te schoffelen, eieren te rapen, varkens te slachten en bomen aan stukken te zagen. Het Habsburgse rijk was de oude tijd, maar het was niet goed voor iedereen. Nostalgie gaat nogal eens samen met een slecht geheugen.


Deze publicatie kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten, fondsbjp.nl