‘Nostalgie is dodelijk’

Identity politics is een doodlopende weg. Voor Mark Lilla kan alleen gedeeld burgerschap Amerika ervoor behoeden een land te worden zonder ‘besef van wat we delen als burgers en wat ons samenbindt als natie’.

Medium gettyimages 847498260
SaintLouis, 15 september. Demonstratie tegen de vrijspraak van een politieagent die een zwarte motorrijder doodde. © Michael B. Thomas / Getty Images

Kort na de verkiezing van Donald Trump publiceerde The New York Times een essay van historicus Mark Lilla, verbonden aan Columbia University in New York. Een van de oorzaken van Clintons verkiezingsnederlaag, betoogde Lilla, was de omarming door links van identity politics als politieke strategie. Volgens Lilla oefenen een handvol universiteitsstudenten een soort gramsciaanse hegemonie uit over het publieke debat in Amerika: ‘Wanneer jonge mensen de universiteit bereiken worden ze aangemoedigd om [de focus op identiteit] te handhaven door studentengroepen, faculteitsleden en administratief personeel, wier voltijd baan het is om te gaan – en het belang ervan uit te vergroten – met diversiteitskwesties. Dit campus-diversiteit-bewustzijn is de afgelopen jaren de linkse media in gesijpeld, en niet subtiel.’

De storm van kritiek die Lilla over zich heen kreeg ontmoedigde hem niet om zijn argument verder uit te werken in The Once and Future Liberal. Hoe legt Lilla identity politics precies uit? In The Once and Future Liberal blijft de definitie betrekkelijk vaag, deels omdat een zekere vaagheid voor Lilla retorisch handig is, omdat hij de term zo meer vatbaar maakt voor grote generalisaties. Het dichtst bij een werkbare definitie komt Lilla als hij identity politics opvat als antipolitiek, die in plaats van de in een democratie gemeenschappelijke opdracht om de publieke zaak vorm te geven ervoor kiest identiteit, expressie en een bijna evangelische hang naar getuigenis centraal te stellen. Identity politics streeft er volgens Lilla naar ‘geen ruimte te laten bestaan tussen hoe men zich innerlijk voelt en in staat is om in de buitenwereld te zijn’; het persoonlijke is politiek, maar het blijft daar ook bij – het grote verband ontbreekt. Identity politics streeft er, met andere woorden, niet langer naar om samen met andere burgers invulling te geven aan burgerschap: het zoekt slechts een kleine, bij voorkeur van de rest van de wereld losgemaakte, veilige plaats waar alle identiteiten een plek onder de zon hebben – geïsoleerd en zonder enige gemeenschappelijkheid met anderen.

Lilla beschouwt de wending van liberals naar identity politics als een dramatische afslag die ze op een karrenspoor naast de hoofdweg van de politiek heeft doen belanden. Soit, stelt Lilla, identity politics mag de uitvinding zijn van witte mensen (de Ku Klux Klan, de John Birch Society), maar het is links dat met de wending naar identiteit het kaartendek tegen zichzelf geschud heeft. Toen liberals identiteit belangrijk maakten, kwamen witte Amerikanen in het geweer. Wat overblijft is een land zonder ‘besef van wat we delen als burgers en wat ons samenbindt als natie’.

Het vereist behoorlijk wat intellectuele acrobatiek om beide claims tegelijkertijd te handhaven – dat identity politics oorspronkelijk een uitvinding van witte mensen is, en dat het de minderheden zijn (van Afro-Amerikanen tot sekse- en seksuele minderheden) die de zaak nu op de spits hebben gedreven. Maar Lilla doet het, omdat hij hoopt een groter punt te maken: dat het altijd een appèl is aan de rechten van burgers die beloofd werden door de founding fathers. De leiders van de burgerrechtenbeweging, claimt Lilla, spraken niet over identiteit, maar over de Grondwet en de Onafhankelijkheidsverklaring, totdat de belofte van volledig burgerschap en volledige rechten ook voor zwarte Amerikanen waargemaakt werd. Ze hadden het niet over wie woke is, maar merkten slechts op dat ook zij burgers waren, en ook zij rechten hadden.

Daarop is nogal wat af te dingen. Lilla’s geschiedenis lijkt er een van het soort waar liberalen wel vaker in uitblinken: bloedeloos. In zulke geschiedschrijving komt de tijd voor verandering altijd ineens en onverwacht, en hier en daar wat schoorvoetend maar toch zonder werkelijk grote problemen zet men collectief een nieuwe stap. Dat lijkt wellicht een karikatuur, maar Lilla’s opvatting over wat de loop van de geschiedenis doet veranderen is daadwerkelijk vrij bijzonder – hij schrijft dat nieuwe politieke visie ‘uit zichzelf bovendrijft vanuit de tijdige ontmoeting tussen de nieuwe sociale werkelijkheid, ideeën die deze nieuwe werkelijkheid vatten, en leiders die in staat zijn om het idee en de werkelijkheid te verbinden in de publieke geest’. Dat er voor de ontmoeting tussen de sociale werkelijkheid en ideeën die bij die werkelijkheid horen vaak hard gevochten moest worden blijft achterwege; alsof de burgerrechtenstrijd niet ook gekenmerkt werd door fysiek geweld tegen zwarte Amerikanen, de inzet van federale troepen om toegang tot scholen af te dwingen; alsof die rechten niet letterlijk veroverd moesten worden voor de ‘nieuwe werkelijkheid’ daadwerkelijk erkend werd. En ook toen waren er overigens talloze critici die de activisten voorhielden dat hun tactieken en taalgebruik verdeeldheid zaaiden, en vroegen of het wat kalmer, harmonieuzer en minder hevig kon allemaal.

Lilla poogt zijn opponenten als fanatieke splinter-­evangelisten af te schilderen. Dat zit niet lekker

Daarmee raken we een kernprobleem van The Once and Future Liberal. Lilla probeert om vanuit het ‘redelijke midden’ eenheid te brengen in het linkse landschap, maar lijkt daartoe alleen in staat door zijn opponenten af te schilderen als fundamenteel onredelijk. Die poging is vals en misplaatst, en een van de redenen waarom men in de Verenigde Staten zo giftig op Lilla reageert – deze recensent incluis. Minder dan het resultaat van zorgvuldige analyse is Lilla’s ogenschijnlijke redelijkheid een product van de bewuste poging om zijn opponenten als niet voor enige rede vatbare, fanatieke splinter-evangelisten af te schilderen. Dat zit niet lekker, en verklaart wellicht ook waarom Lilla eigenlijk alleen van de uitgesproken conservatieve media bijval kreeg.

De stelling van Lilla dat alle pogingen het lot van de minderheden om wie het gaat nog altijd kunnen worden verdedigd met een beroep op de gedeelde burgerrechten is tandeloos. Natuurlijk kan dat – maar is het punt niet dat die strategie gewoon weinig effectief is gebleken?

Want de formele burgerrechten bevochten in de jaren zestig maakten geen einde aan de tweederangs status van zwarte Amerikanen. Zou de identity politics wellicht een punt hebben, omdat er voor er werkelijk sprake kan zijn van gelijkwaardigheid en sociale rechtvaardigheid ook moet worden afgerekend met vooroordelen, oude reflexen, culturele dogma’s en institutionele ongelijkheden die niet met een beroep op burgerschap verdwijnen? Er is in de Verenigde Staten beslist geen tekort aan hooggestemde taal over wat het betekent om een Amerikaans staatsburger te zijn. Van de toespraken van Obama tijdens zijn presidentschap tot de pledge of allegiance die iedere dag wordt opgedreund op scholen – de taal van burgerschap en de daarbij horende rechten is in de Verenigde Staten niet schaars, en nooit ver weg.

Juist hier wreekt de Amerikaanse realiteit zich. De vileine retoriek in The Once and Future Liberal over hoe identity politics niet in de werkelijkheid leeft ten spijt lijkt Lilla zelf te weinig bereid onderscheid te maken tussen de (liberale) wensgedachte over wat het zou betekenen om burgerschap te delen, en de Amerikaanse realiteit. Want identity politics, wat haar tekortkomingen ook mogen zijn, is allereerst dat: het protest van de werkelijkheid tegen de droom.

‘Nostalgie is dodelijk’, schrijft Lilla. Maar ondertussen lijkt hij te stug vast te houden aan liberaal formalisme: het appèl aan gedeeld burgerschap als weg vooruit. Maar dat is in het Amerika van nu het grootste zwaktebod van Lilla: alsof het liberale burgerschapsidioom van Obama niet werd opgevolgd door Trumps birther-racisme; alsof zwarte mannen niet buiten alle proporties het slachtoffer worden van politiegeweld; alsof dodelijk geweld tegen transgender-vrouwen vorig jaar niet op het hoogste punt ooit was; alsof moslims niet worden lastiggevallen op straat; alsof homo’s op sociale bijeenkomsten in het Zuiden niet nog altijd beter voorzichtig zijn, en elkaar voorstellen als ‘huisgenoot’. Alsof al deze mensen formeel niet dezelfde rechten hebben als Lilla.

Natuurlijk, de kritiek dat men het risico loopt in een soort nieuwe verzuiling te belanden is terecht; en de observatie dat campusstudenten op weinig sympathie hoeven te rekenen van de witte onderklasse uit Appalachia die kapotgaat aan armoede en stoflong ook. Maar ook die onderklasse heeft, meer dan een gedeelde taal uit het politieke midden, gedeelde solidariteit nodig. De claim dat zulke solidariteit van een gedeeld burgerschapsidioom afhankelijk is wordt door Lilla onvoldoende hard gemaakt – want waarom is de feitelijke observatie dat alle groepen waarover het gaat door de Amerikaanse droom in de steek worden gelaten niet genoeg?

Het is volkomen denkbaar dat identity politics uiteindelijk een doodlopende weg blijkt, zowel strategisch als principieel. Maar het overweldigende gevoel na lezing van The Once and Future Liberal is de ongemakkelijke indruk dat Lilla te kwader trouw is – en dat de bekommernis om het lot van zwarte Amerikanen en transgender-vrouwen die Lilla zegt te hebben (hij stelt niet, zoals elders wel gebeurt, dat er ten principale geen probleem is) te veel en te vaak op lippendienst lijkt. In zijn politieke stellingname is hij merkbaar niet bereid over de schaduw van zijn eigen wereldbeeld heen te stappen; die schaduw zijn de bewezen tekortkomingen van het burgerschapsidioom. Dat betekent, kort en goed, dat The Once and Future Liberal niet aan de indruk ontsnapt hoofdzakelijk een retorisch probleem te willen oplossen zonder het werk te doen om het reële onrecht uit te bannen.