DE WRAAKLUST VAN NEDERLAND

Nostalgie naar Nederland

In een afscheidsessay blikt Menno Hurenkamp terug op zeven jaar colums schrijven voor De Groene. De ergernis in Nederland groeit, constateert hij. De verzinsels van Verdonk, de charges van GeenStijl en De Telegraaf en de commentaren van Elsevier vormen een echoput waarin een revanchisme zonder weerga galmt.

350 STUKJES en dit is me bijgebleven. Hoe ik vanuit mijn huis Wim Kok zie wegfietsen van een bezoek aan een thuiskapper, nadat ik eerst onnozel een half uur naar een aan zijn fiets bungelende onbewaakte aktetas heb gestaard – in plaats van die met journalistiek oogmerk te plunderen. In 2004 schreef ik het zo op:
‘Zijn reputatie is afgebladderd, door de val van zijn kabinet jaren na de val van Srebrenica, door zijn lelijk georganiseerde opvolging, door de slechte timing in het aannemen van commissariaten bij multinationals. En hij zou ze ongetwijfeld anders noemen, maar zou Wim Kok de dingen fundamenteel anders doen dan zijn opvolger nu doet? Er is geen overdadige reden tot rouw. Zoals die rijzige gestalte met dat gegroefde gelaat opstapt doet hij eerder grimmig dan statig aan. Hij heeft wat tot nader order moet heten een Hollandse waardigheid, dat beruchte gezag zonder fratsen. Maar wanneer hij wegrijdt en nog even het huis inspecteert waar hij vandaan komt, bedenk ik dat dit cliché me oneindig liever is dan dat van de oppassende huisvader die thans over ons gesteld is. Balkenende teert op foutloos gedrag en lijkt daarom andere mensen (die immers grossieren in fouten) zelden te begrijpen. Hij hanteert een moraal van de liniaal. Kok op zijn fiets met bidon is de man van fatsoen, ook niet altijd een pretje. Maar zijn capuchon klappert in de wind en blijft soms ongevraagd aan zijn achterhoofd kleven — het menselijk tekort in gore tex gevat.’

Nu leest het als een milde variant op de nostalgie die Nederland in de greep heeft. Als een ietwat gedragen interpretatie van het prominente verlangen naar een tijd dat Nederland een harmonieus paradijs blijkt te zijn geweest, waarin de verdraagzaamheid voor homo’s, euthanasie en andersdenkenden hoogtij vierde, waarin je ’s nachts over de naaldvrije Amsterdamse Zeedijk en de Rotterdamse Nieuwe Binnenweg kon struinen, waarin arbeiderskinderen en kinderen van christelijke miljonairs hand in hand over het schoolplein stapten, na zes uur ambachtelijk te zijn afgevuld met échte kennis.
Zie de optredens van de Partij voor de Vrijheid, de bijeenkomsten van de partij van Rita Verdonk, of de reacties van lezers op de nieuwrechtse websites, en raak ondergedompeld in die hunkering naar dat echte Nederland. Maar ook aan de ‘linkerkant’ is dat verlangen snel gegroeid. Denk aan de ‘Amsterdamse’ tak van de PVDA met zijn debatten over De Islam als Wereldprobleem, de SP met de naar een Heimat hunkerende Jan Marijnissen en de burelen van de Volkskrant, waar men meer en meer namens ‘den fatsoenlijken arbeider’ begint te spreken. Overal is men bezeten van een tijd toen Nederland onbekommerd tegen religie koos, vrouwen tegen seksisme verdedigde, overliep van gevoel voor de gewone man en ook nog politici van stavast aan het roer had.
Eigenlijk prettig dat ik dat gevoel deel. Ware het niet dat die nostalgie zich niet als lyrische Heimweh uit, niet als dat ziekmakende verlangen om bij je geliefde te zijn of om thuis te zijn, je eigen taal te horen. Dat kán ook niet, omdat het recente verlangen naar vroeger van tegenstrijdigheden aan elkaar hangt. Ooit had je échte politici, maar was ook een stel linkse viespeuken aan de macht. Je had toen écht idealisme, maar het land werd ook aan het ‘cultuurrelativisme’ weggegeven. Religie was toen, tijdens dat vroeger dus, helemaal uit het publieke domein gebannen. Maar het is ook een schande dat de paus geplaagd werd toen-ie op bezoek kwam. De nostalgie kan geen heimwee zijn. Het Heim bestond nooit. Van de jaren vijftig tot negentig hadden we net zo goed hoog oplopende ruzie. ‘Het onbehagen in de politiek’ levert elk decennium urgent getoonzette boeken op.
Vroeger, toen was nostalgie iets onder vrienden. Tegenwoordig is ze maatstaf voor vreemden.
Maar wat we liefhebben in het verleden verenigt niet. En de ergernis daarover groeit. Alles tussen de strijd tegen de Spanjaarden, de Verlichting en deugden uit de jaren vijftig (hard werken en hard harken in je eigen tuin) en deugden uit de jaren zestig (hard delen en hard spelen in gedeelde straten) wordt aangeroepen als de reddende noemer voor een ruziënd land. Telkens tevergeefs. De irritatie daarover is inmiddels zo groot dat het tijd wordt voor straf. De verzinsels van Rita Verdonk, de grollen van GeenStijl, de charges van De Telegraaf en de beargumenteerde commentaren van Elsevier vormen een echoput waarin een revanchisme zonder weerga galmt. Ook de Volkskrant en politici van linkse komaf zonder eigen tekst mogen daar graag een kreetje in slaken.
Uit die echoput weerklinkt dat het tijd is voor wraak, revanche op alles dat van Nederland een land maakte waarin een Vinexwijk een lelijk gewrocht van bemoeizuchtige ambtenaren is én een veilige haven voor witte mensen, een land waarin migranten te zwak zijn om zonder bijstand te leven én sterk genoeg om de wortels van onze cultuur door te knagen, een land dat vliegtuigen, snelwegen en fabrieken opeenstapelt maar nerveus wordt zodra wat zwijnen worden afgeschoten, een land los van God maar met poldermoskee. Als herdenken niet helpt om de routines te herstellen, dan hopelijk wat klappen wel. ‘Wraak, wraak’ gaat het de echoput in, en pas als het ‘raak’ terugkaatst is de onrust even gedempt.
Alleen vernedering van de Haagse elite, de afwezige elite, de ambtenarij, de immigranten of Marokkaanse rotjongens lijkt het onmogelijke verlangen naar eenheid te kanaliseren. Een pak van Sjaalman aan individuen en groepen ondergaat eigenrichting gestuurd door sergeanten die niet afwegen, maar oordelen, die niet uitpraten, maar blootstellen, die niet vragen, maar bevelen. Links, de publieke omroep, mensen in de bijstand, asielzoekers, gelovigen, alles wat afhankelijk of buiten de orde kan heten, heet verantwoordelijk voor de diefstal van de eeuw, de diefstal van Nederland. Want ons land moet sterk en netjes zijn. Wie voor wanorde of afhankelijkheid zorgt is een dief die straf moet. En het diepe reservoir aan mensen die zich ongemakkelijk voelen over wat Nederland geworden is, biedt een regenboog aan gelegenheidscoalities om executies te sanctioneren.
Wanorde komt van moslims met rare opvattingen over geloof en vrouwen en kleren. Van activisten met rare opvattingen over onrecht en eigenlijk ook wel rare kleren. Het zijn de laatste paar mensen die niet bij die heel grote groep steeds identieker pratende en uitziende Hollanders passen. Alleen is de Hilversumse halfwaardetijd van Koran lezende talkshowranddebielen gedaald tot twee weken. Het cultiveren van verontwaardiging over De Islam gaat de weg van alle hobby’s: iets voor mannen met een lege zolderkamer. Na het gedoe rond minister Cramer mogen de krakers en Greenpeace op het hakblok. Dan zijn ook de jaren tachtig weer ‘gedaan’.
Om wraak te oefenen heeft knorrig Nederland gelukkig ook een universele troefkaart: de PVDA. Deze zit in een regering die ons aardig in de eredivisie van rijke landen weet te houden, steentje in de schoen van de ontevredenen. Maar de sociaal-democratische bewindslieden weten van de overvloed slechts het onbehagen te incasseren. Ze blijven te onzichtbaar voor hun statuur (Plasterk), opereren onhandig op kritieke posten (Vogelaar, Cramer) of het lukt ze niet op de kas te passen en tegelijkertijd de baas te zijn (Bos). Als Barbertje voor alle dagen bieden ze zich aan – met spectaculaire dieptepunten in ‘de peilingen’ tot gevolg. Van Balkenende, Donner en de hunnen glijdt het chagrijn af als het oliesel van een paling.
Die spagaat in waardering heeft alles met het verlangen naar verloren orde te maken. Het CDA lijkt Nederland goed te bewaken, wanneer de premier de historische zegetochten van de VOC door het Zuiden aanroept of wanneer de AOW wordt beschermd. Het CDA lijkt ook de eigen orde goed te bewaken. De scholen en boeren en middenstanders en kerkgangers in het land hoeven hun christelijke leidsmannen en -vrouwen nooit te vrezen. Wie toch commentaar op de eigen club levert wordt ontslagen, zoals de hoofdredacteur van Christen-Democratische Verkenningen overkwam. Wel zo helder. Nee, dan de PVDA. De club ageert permanent tegen de eigen achterban, dat het tijd is om handen te schudden met vrouwen, tijd om de voordeur te openen voor hulpverleners, tijd om concurrentie te aanvaarden van een goedkope Pool, tijd om afstand te doen van het fantastische salaris dat je als woningbouwdirecteur (óók PVDA) net verworven hebt. Zoek niet langer, zegt de PVDA, wij zijn de Bermudadriehoek waarin ’s lands harmonie is verdwenen. Ondertussen houdt het CDA, geroutineerd en ook overtuigd van de eigen routines, de rijen gesloten. Wat de club ook te verwijten valt, de diefstal van Nederland krijgt ze niet aangesmeerd. Samen in de regering is iets heel anders dan samen in de publieke opinie.
Onderwijl staat de nieuwste kruiwagen voor het ressentiment klaar: subsidie, voor zwakke mensen. Weg met het geven van geld aan clubjes die vage dingen doen. Weg met het geven van geld aan mensen die voor zichzelf moeten zorgen. Weg met het weggeven van belastinggeld. De aanval gaat richting ontwikkelingssamenwerking, welzijn, zorg, integratie, kunst. Niet altijd ongerechtvaardigd, maar diep revanchistisch van toon: ons is iets afgepakt en nu is het tijd voor straf. Een paar voorbeelden uit Elsevier.

In een commentaar van augustus schrijft het blad: ‘Waarom moeten organisaties zonder serieuze uitvoerende taken worden gesubsidieerd door de overheid? Het wordt tijd alle subsidies eens tegen het licht te houden.’ Een lezer in reactie: ‘Alle subsidies (Rijk en gemeente) moeten worden gepubliceerd. Dan zullen jullie eens zien hoeveel gemeenschapsgeld onze linkse vrienden uitdelen en op foute plekken terechtkomt. Ik zou die lijst wel eens willen bestuderen. Maar dat zal wel nooit bekendgemaakt worden in dit nepotistische land.’

In een interview met de Amerikaanse nieuwszender CNN prees Ayaan Hirsi Ali volgens Elsevier deze zomer het Amerikaanse systeem aan ‘waarin een immigrant niet in aanmerking voor uitkeringen, subsidies en andere voordeeltjes’. Hirsi Ali: ‘Hier moet een immigrant werken voor zijn of haar onderhoud, en verdient hij of zij daarmee de waardigheid die iedereen die voor zichzelf kan zorgen verdient.’

Eerder die maand, nog altijd in Elsevier, nu in reactie op vragen over de ontwikkelingssamenwerkingsorganisatie NCDO: ‘Minister Bert Koenders (PVDA, Ontwikkelingssamenwerking) lijkt nu zelf ook door te hebben dat er veel mis is met subsidies die worden gebruikt voor het creëren van steun voor ontwikkelingshulp. Hij vindt ze “te schimmig, te versnipperd” en het is nog maar de vraag of ze wel nut hebben.’

En in juni, in een commentaar over geïndividualiseerde hulp in de zorg: ‘Rugzakjes, subsidies voor oma’s die oppassen. Het kabinet maakt Nederlanders steeds afhankelijker. In hun oneindige empathie ontnemen achtereenvolgende kabinetten burgers zelfredzaam vermogen en zelfvertrouwen. Er zijn zelfs moeders die (gedeeltelijk) ontslag nemen om gesubsidieerd voor hun zieke kind te zorgen.’

De boodschap is klaar. Het uitvreten komt van links en is massaal van aard. De aanhoudende herziening van de verzorgingsstaat sinds 1982, het opschonen van alle welzijnssubsidies, de Wet Werk en Bijstand, het is aan boos Nederland voorbijgegaan. Dat maakt van een moeder die voor een ziek kind gaat zorgen een staatsruif plunderende burger zonder ‘waardigheid’ en ‘zelfvertrouwen’. Diezelfde moeder zou overigens een hardere reactie uit deze hoek krijgen wanneer ze niet stopt met werken om voor haar zieke kind te zorgen. Het idee is vermoedelijk dat ze stopt met werken om voor haar doodzieke kind te zorgen, zonder geld.
Reve zei het al: arme mensen zijn slecht, anders waren ze niet arm.

Op haar website schrijft Rita Verdonk: ‘Overal waar de overheid meent subsidie voor te moeten verlenen ontstaat misbruik. Subsidies leiden tot volledige ontwrichting, buitensporige prijsopdrijving en verzieken de dynamiek in de markt. Het is de gewone man die het gelag mag betalen, daarom: weg met al die belachelijke subsidies en als tegenprestatie: alle belastingen, heffingen en premies drastisch omlaag!’

Nu is debat over overheidssteun nuttig. Over de publieke omroep met zijn hofhoudingen aan presentatoren en directeuren, over de kunst waar kardinaaltjes in conclaaf voor de burger beslissen wat mooi is, over de universiteiten, waar geld verdwijnt in studenten die het zelf kunnen betalen.
Maar gaat het om debat? De subsidie richting kritische clubjes is drinkgeld vergeleken met de tientallen miljarden ondersteuning van gezonde middenklasse-mensen, hun huizen en hun bedrijven. Kijk voor de grap op websites als hetvrijevolk.com hoe het halfsterke internetvolkje reageert als een gemeente ‘leuke dingen’ voor minima organiseert, zoals boottochtjes of kindervakanties. Leuke dingen doen van belastinggeld, dat is natuurlijk niet de bedoeling! Het mogen hooguit vervelende dingen zijn. Daarom ook geen klachten over belastinggeld voor gevangenissen, douane of blauw op straat – of hypotheekrenteaftrek, pensioenvoordelen, scholen die zich via de overheid weten af te schermen voor kinderen uit zwakke milieus en exportsubsidies.
Het gaat ook niet om het beleidsmatig resultaat. Debat aangejaagd door wraaklust uit de echoput vervluchtigt zodra het ‘wraak’ als ‘raak’ terugkomt. Zodra iemand op de knieën zit is het tijd voor een nieuw slachtoffer. Moslims mond houden of wegwezen! Activisten boete doen en wegwezen! De subsidieaanval zal hetzelfde patroon kennen. Subsidie maakt meer kapot dan je lief is, roept rancuneus Nederland. Doe niks als overheid en dan zul je zien hoe de burgers elkaar gaan helpen. Van die fictie bestaat helaas geen praktijkvoorbeeld, behalve sommige Franse banlieues of Amerikaanse binnensteden waar je liever niet wilt wonen. Laat staan dat de opvatting dat subsidie slecht is, te rijmen valt met De Nederlandse Identiteit. Voorzover deze immers bestaat, is deze geboren uit een door overheidswetgeving mogelijk gemaakt maatschappelijk middenveld.
Verdonk zal ook niet op de proppen komen met miljonairs die op z’n Amerikaans het geld voor goede doelen ter beschikking stellen dat de overheid van haar niet meer mag uitgeven. Wat ze wil opbouwen blijft een raadsel, zoals vaker bij Verdonk – die met haar idee dat iedereen op straat Nederlands moet spreken wel weer liet ziet dat zelfs provincialisme iets buitensporigs kan hebben. Haar redering is dat mensen die subsidie krijgen hun hand ophouden, en dat mensen die hun hand ophouden zwakkelingen zijn, en dat zwakkelingen straf moeten, omdat ze niet bij haar Nederland passen. Die boodschap is zo agressief dat je bijna verlangt naar Pim Fortuyn, die had tenminste zelfspot. Of naar Frits B., die wel eens een moeilijk boek las. Nostalgie als besmettelijk ongemak.

Mensen kunnen niet langer dan een kwartier echt boos blijven, stelde een psycholoog me ooit gerust. Alleen kent boosheid varianten. Ik zag hem achter zijn hand gapen en ben weggebleven, kalm maar nu daarover verbolgen. Het gevoel dat Nederland afgepakt is gaat niet meer terug in de fles. Alleen doen Wilders met zijn aanvallen op de islam en de ChristenUnie met hun aanvallen op embryoselectie en abortus uiteindelijk hetzelfde: bevestigen dat Nederland een modern land is gedefinieerd door plaats voor diversiteit, een land dat nooit meer wordt wat het was. Na de moslims, de activisten en de subsidie kan Europa onder vuur, of wie weet wat voor Grote Misdaden aan het licht komen. Maar de wraaklust zal ten slotte gesmoord worden in nieuwe sleur. Zeker zolang het verzet op het niveau van Jacqueline ich kenne den Kramer nicht Cramer blijft, zal vooral het repetitieve karakter de rancune doen stranden in een groef voor een gehard publiek. De wraak zelf wordt de zo gemiste routine.
Als tussentijds nog een politieke partij of carrière sneuvelt is dat jammer, meer niet. Het echte gevaar is dat we het normaal gaan vinden dat hele bevolkingsgroepen tegelijk gecriminaliseerd worden, dat mensen moeten hangen voor verjaarde kunstjes, dat afhankelijkheid als belachelijk te boek staat, dat het aan kantoorfrikken is om via snelrecht Nederland de maat te nemen. Dat ‘mocht’ ooit niet. Niet omdat dat politiek correct was, maar omdat het vernederend en onnauwkeurig was. En dat is het nog altijd. Niet de nostalgie om oude sleur maar het karakter van de nieuwe sleur staat op het spel, niet waar we over zeuren onder vrienden, maar waar we over praten met vreemden.
De kunst is om revanche op zwakheid en wanorde geen deel te laten worden van de vanzelfsprekendheden in het dagelijks leven. De kunst is om het democratisch decorum te bewaken. Nu wordt daar al veel over gezegd in abstracte termen, zoals ‘De Verlichting’, ‘fatsoen’, ‘waarden en normen’, ‘multiculturaliteit’ en ‘Het Vrije Westen’. En de bewaking van de aktetas van Kok was me toch een te passieve strategie. Daarom voeg ik een nieuwe agenda toe, constructief, te doen voor de kleine beurs en toch niet alleen voor linkse mensen: terugpraten wanneer een sergeant een bevel blaft, af en toe dansen wanneer de opdracht werken luidt, en ‘goed plan, werk het eens uit’ zeggen zodra Rita Verdonk stopt met praten.

Voorjaar 2009 verschijnt bij Van Gennep Zonder zonde, een selectie uit de colums die Menno Hurenkamp schreef voor De Groene Amsterdammer