De jaren negentig van …

Nostalgie naar nu

Ik zou wel willen zeggen dat de jaren negentig voor mij begonnen in 1989. De val van de Muur. Een «historisch correct» antwoord. Ik zou wel willen zeggen dat deze gebeurtenis diepe indruk gemaakt heeft op mij, toen dertien jaar oud. Maar om eerlijk te zijn: ik herinner het me niet. Of: ik weet niet meer zeker of ik het mij herinner.

Wat ik me nog wel goed herinner, is de herhaling ervan, of de herdenking, tien jaar later. In de zomer van 1999 was ik met vrienden op een korte vakantie in Nederland en op een avond vielen we lui zappend midden in een documentaire over de val van de Berlijnse Muur. Beelden van huilende mensen, juichende mensen, tussen de met graffiti beschreven brokstukken van het IJzeren Gordijn, fristen ons geheugen op. We heroverden onze plek in de geschiedenis door ombeurten te roepen hoe oud we toen waren («vijftien», «dertien» et cetera), als om te benadrukken dat we er toen wel degelijk «echt» bij waren geweest. De documentaire vervolgde, een commentaarstem riep dat er schoten vielen — «ja, dat weet ik nog goed» — en dat er tanks — «wat, tanks?» — op de mensenmassa inrolden — «weet jij dat nog?» «Ja hoor, tanks, jaja, verschrikkelijk.» Ongemakkelijk keken we naar de tv, maar goed, we zagen het toch met onze eigen ogen, we zagen het toch echt?

Nog minstens een half uur zweefden we in het schemergebied tussen eigen herinnering en de beelden van het collectief geheugen, deze documentaire. «Er vallen duizenden doden», hoorden we de stem zeggen. Pas op dat moment pakte iemand de tv-gids erbij: «De EO zendt vanavond een gefictionaliseerde reconstructie [een contradictio in terminis] uit van de Val van de Berlijnse Muur.» En we voelden ons allemaal een beetje belachelijk. Vertrouwend op de autoriteit van «echte beelden» werd ons onze plek in de geschiedenis weer afgenomen.

Deze herinnering aan een gemanipuleerd geheugen, deze collage van echte beelden met fictionele beelden, die blijft bewaard — zo herinner ik mij «echt» de jaren negentig. Toen Irak in de zomer van 1990 Koeweit binnendrong, zat ik met grote ogen naar CNN te kijken, in een Amerikaanse hotelkamer. Mijn eerste oorlog. Vooral na de nacht van 16 op 17 januari 1991, begin van operatie Desert Storm, begon ik obsessief alle kranten te verzamelen, plakboeken vol. Videobanden met eindeloze nieuwsuitzendingen. Bewijs! Ik wilde bewijs, voor later, maar ook «nu». Later bleek natuurlijk dat niets werkelijk zo was gegaan als ik gedocumenteerd had. Later werd er zelfs geschreven dat deze oorlog niet eens echt had plaatsgehad. La guerre du Golfe n’a pas eu lieu (Baudrillard). Nee, en precies zo hebben de jaren negentig niet echt plaatsgehad.

De jaren negentig zijn nu geschiedenis, maar een onbetrouwbare geschiedenis. Een post-historische tijd, zo werd geschreven, want met de val van de Muur werd het einde van de geschiedenis aangekondigd. Daar zit je dan als tiener. Het was het decennium waarin fictie schijnbaar definitief de werkelijkheid overwoekerde. Maar er moest nog wel geleefd worden, een eigen geschiedenis geschreven, door ons — door wie? Ik ben geboren in 1975. En daarmee behoor ik niet eens tot de «verloren generatie» — ik ben lid van een generatie die niet «verloren» is, en dat komt omdat ze er nog nooit is geweest. Wij groeiden op met herhalingen van herhalingen van herhalingen. Dat ik dezelfde jeugdherinneringen heb als mensen die tien, vijftien jaar eerder zijn geboren, komt omdat elk decennium in het volgende alweer «lekker retro» was. Ik heb een retrogeheugen. Een nostalgisch geheugen. Maar niet nostalgie naar «vroeger», vroeger heeft nooit bestaan. Het is nostalgie naar nu. De jaren negentig zijn een knip-en-plakboek vol fictionele feiten. Herinneringen opdissen uit de jaren negentig heeft iets traumatisch. Het is geen verloren tijd, ze is er nooit geweest, niet echt in ieder geval.

De tijd tussen je veertiende en vierentwintigste is een formatieve periode — dat deze periode niet bestaan heeft, dat de bouwstenen waarmee je een plek in de geschiedenis, wereld, verovert, fictief zijn en onbetrouwbaar, is een pijnlijk, maar niet te lokaliseren gemis.

Dit gevoel, dat de geschiedenis, ook een persoonlijke, autobiografische geschiedenis (die hoort te bestaan uit echte herinneringen, geen fictionele), «afwezig» is, zal echter de komende jaren gecompenseerd worden, wordt al gecompenseerd, door precies die mensen die «er nooit geweest zijn». Er is een gat, afwezigheid waar wij precies in passen. Het moet alleen nog op de kaart gezet.