Banen uit China komen terug naar de VS

Not Made in China

Steeds meer werk dat Amerika verloor aan overzeese gebieden komt terug in eigen land. Dat komt door dalende loonkosten in de VS, stijgende loonkosten in China, maar ook door de veranderende aard van de producten.

Medium notmadeinchina

Of het president Barack Obama zal helpen bij de komende verkiezingen is de vraag, maar het lijkt beter te gaan dan lang gedacht met het scheppen van banen in de productiesector. De afgelopen twee jaar hebben Amerikaanse bedrijven daarin 490.000 nieuwe banen gecreëerd. Dat is lang niet voldoende om het banenverlies tijdens de recessie te compenseren, maar voor het eerst sinds het begin van de jaren negentig is er sprake van serieuze groei in deze sector. Het is een ontwikkeling die reshoring wordt genoemd: in plaats van banen naar China te verschepen (offshore), brengen bedrijven nu banen terug naar de VS.

Bekende productiebedrijven als General Electric en Otis Elevator zetten de toon, maar recente beslissingen van Google laten zien dat deze ontwikkeling zelfs in de hightechsfeer plaats heeft. Overigens is de productiesector (manufacturing in de Amerikaanse terminologie) in zijn totale toegevoegde waarde altijd blijven groeien, ook al zijn sinds het hoogtepunt in 1979, toen er twintig miljoen Amerikanen in werkten, zo’n twaalf miljoen banen verdwenen. De Verenigde Staten sloten daarmee aan bij een wereldwijd patroon: overal in de westerse wereld verdwenen banen in de productiesector. Ook in Duitsland en Japan, vooral in de autoproductie, staal en andere zware industrie, maar ook in de assemblage van elektrische apparatuur. De Amerikaanse rustbelt, de vele leegstaande fabrieken in het hartland van Amerika, in staten als Ohio, Michigan en Indiana, dateert al van de jaren tachtig.

Deels was dit banenverlies een gevolg van rationalisering en productiviteitsverbeterende technologie, deels verdwenen de banen naar Zuidoost-Azië, eerst naar tijgerlanden als Taiwan en Zuid-Korea, later naar China. Een van de belangrijke redenen was dat China in 2001 toegelaten werd tot de World Trade Organization (wto), waardoor allerlei barrières wegvielen op voorwaarde van evenredige uitruil (die volgens Amerikaanse politici helemaal niet plaatsvindt). Sindsdien kreeg China er veertig miljoen fabrieksbanen bij. Die trend lijkt nu te stokken en er lijkt zelfs een omgekeerde stroom van banen op gang gekomen, een ontwikkeling die volgens Boston Consultancy Group nog veel verder zal gaan. Het consultantsbureau verwacht in zijn rapport Made in America, Again dat dit tegen 2020 minstens drie miljoen banen kan opleveren.

Kien op goed nieuws wees president Obama er al op in zijn State of the Union in januari. Het was een gouden kans die gepakt moest worden, vond hij. In april hield Obama een toespraak in Albany waarin hij vaststelde dat het voor veel bedrijven nu ‘zinnig is om banen terug naar huis te brengen’. Hij pleitte voor een creatief industriebeleid dat dit zou stimuleren. En inderdaad loopt zijn regering voorop in het uitdelen van belastingvoordelen en aansporingen om deze trend te versnellen, waarbij ze nog het liefst probeert investeringen te laten doen in de gebieden die de afgelopen decennia zoveel banen verloren.

Steeds vaker ook doken er artikelen op over bedrijven die deze trend bevestigden. Zo werkt Master Lock, een producent van sloten in Milwaukee, voor het eerst in vijftien jaar op volle productiecapaciteit. Het produceert nu meer dan het bedrijf toen deed, maar doet dat met 412 werknemers, 750 minder dan vijftien jaar geleden.

General Electric (GE) en Caterpillar, ooit grote werkgevers in het Midden-Westen, investeren nu weer in productie in Amerika. In 2009 heeft GE plannen aangekondigd die elfduizend productiebanen moeten opleveren. En kijk naar Detroit, de stad die het meest heeft geleden onder de de-industrialisering van de VS en steevast wordt opgevoerd als een van de hopeloze gevallen in de rustbelt. Voor het eerst in jaren worden er in Detroit weer televisies gemaakt. Weliswaar is Element Electronics een relatief klein bedrijf, maar de terugkeer van de televisieproductie op Amerikaanse bodem wordt als significant gezien.

GE maakt weer white goods, de Amerikaanse benaming voor wasmachines, droogtrommels en dergelijke, in Louisville, Kentucky. Het bedrijf maakte gebruik van een contract met vakbonden dat het gemiddelde loon flink omlaag bracht en kreeg ruime subsidies van staats-, stads- en federale overheden. Overigens is het de vraag of de concurrentie van regio’s en steden door allerlei voordelen aan te bieden niet tot weggegooid geld leidt, aangezien bedrijven die toch al wilden investeren nu ongegeneerd kunnen shoppen naar de beste voordelen.

De nieuwe investeringen van GE waren ook een aardig succes voor president Obama, die GE-baas Jeffrey Immelt in 2009 benoemde tot voorzitter van zijn commissie om banen te scheppen (waarna we er overigens weinig meer van hoorden). ‘Er is een gevoel dat we een wereldwijde renaissance van de industriële productie meemaken’, zegt Immelt nu. Dat vindt ook de Boston Consulting Group, die in zijn _Made in America-_rapport stelde dat eenderde deel van alle Amerikaanse bedrijven met meer dan een miljard omzet overwoog om zijn productie terug te brengen naar de VS. Het bureau voorspelde dat het twee tot drie miljoen banen op kan leveren. Daarbij moet worden aangetekend dat slechts een kwart van deze banen direct in de productie zou zitten.

Behalve gedaalde loonkosten in industrietakken die vroeger sterk georganiseerd waren, speelt de toegenomen productiviteit van de Amerikaanse arbeiders een rol. In een nieuw boek, The New Geography of Jobs, berekent de econoom Enrico Moretti van de University of California in Berkeley dat de gemiddelde Amerikaanse fabrieksarbeider tegenwoordig 180.000 dollar aan goederen per jaar produceert, drie maal zo veel als in 1978 (in dollars van nu). Investering in technologie en arbeidsbesparende productietechnieken betalen zichzelf terug.

Net als vroeger in de auto-industrie is het rimpeleffect van grote bedrijven belangrijk. In de glorietijd van General Motors en de andere autoproducenten leverde iedere baan in de fabriek drie tot vijf banen op in de omgeving, zowel in de toelevering als in de dienstverlening. Die dynamiek rondom grote ondernemingen is niet veranderd.

Volgens Moretti zorgen de 33.000 werk­nemers van Apple in Cupertino (in Silicon Valley) voor 171.000 banen in de regio. Manufacture is daarvoor een slechte terminologie, want als we het hebben over traditionele producten, dan ‘produceert’ Apple bijzonder weinig in Californië. Maar ondertussen zijn alle bedrijven die apps ontwikkelen, evenmin een ‘product’ dat je kunt aanraken of omarmen, er wel van afhankelijk. Andere producten maar dezelfde dynamiek.

Deze vaststelling laat zien hoe belangrijk wereldwijd opererende bedrijven wel degelijk kunnen zijn voor lokale economieën. Je kunt eenvoudig vaststellen dat de meeste nieuwe banen in de VS niet gevoelig zijn voor globale temperatuurswisselingen. Het gaat om schoonmakers, kinderoppassen en tuinlieden, mensen die dingen voor je doen die je zelf niet wilt doen en die je niet door iemand ver weg kunt laten doen. Soms gaat het om laaggeschoold en uitwisselbaar werk, maar evengoed betreft het doktoren, juristen en vaklui, zoals loodgieters en dakdekkers.

Het is die sector van afgeleide dienstverlening die in de jaren tussen 1990 en 2008 de meeste nieuwe werkgelegenheid schiep, volgens een studie van New York University goed voor meer dan 27 miljoen banen. Dit zijn banen die niet kúnnen vertrekken, maar ze hangen wel degelijk af van de banen van de mensen die zich deze dienstverleners kunnen permitteren, vandaar de bereidheid van overheden om bedrijven die zo’n vliegwielfunctie kunnen hebben te subsidiëren. En dat geldt nog sterker in de nieuwe ­industrieën: volgens Moretti levert iedere baan in de ‘innovatie’-industrie drie maal zo veel afgeleide banen op als een productiebaan – deels hoog­opgeleide professionals, deels lagelonenbanen als papierschuiver of werknemer in de diner.

Subsidies zijn één reden om in Amerika zelf te produceren, maar vooral zitten er structurele factoren achter die veel vertellen over de handelsstromen in de wereld en de comparatieve voordelen van verschillende landen. Een van de belangrijkste redenen dat productie­banen terugkomen naar de VS is simpelweg dat de lonen in China flink zijn gestegen. Zolang je in China mensen voor 58 cent per uur aan het werk kon houden, was een Amerikaans alternatief niet aantrekkelijk. Maar nu de lonen in de kustgebieden van China zijn gestegen tot drie en soms wel zes dollar per uur is dat veranderd. Nog steeds zijn dat aanzienlijk lagere uurlonen dan in de VS, maar de Amerikaanse productiviteit is veel hoger.

Textiel is al aan het vertrekken naar Vietnam, Thailand en binnenkort Myanmar. Voor andere producten geldt dat Mexico nog steeds aantrekkelijk is met een combinatie van lage lonen en korte afstanden (investeringen in Mexico worden near shoring genoemd). Boven op de gestegen loonkosten geldt dat in China de prijzen voor energiegebruik zijn gestegen, net als de huur van bedrijfspanden.

De hoge olieprijzen – ironisch genoeg deels veroorzaakt door China – maken het transport van kant-en-klare producten minder aantrekkelijk. Het is duur, risicovol en het kost veel tijd waarin kapitaal vastzit dat elders beter gebruikt kan worden. In Mexico gemaakte producten zijn in twee dagen op de Amerikaanse markt, vanuit China duurt het minstens 21 dagen. Voor sommige bedrijfstakken, zoals grootbeeldtelevisies, speelt ook een rol dat de VS hoge import­tarieven hanteren voor kant-en-klare producten. Veel belangrijker nog, want een blijvende verandering, is de investering die bedrijven hebben gedaan in arbeidsbesparende technologie, waardoor de factor arbeid gewoon minder relevant is.

Wat werkt voor grote televisies die in de winkel meer dan vijfhonderd dollar kosten, of wat geldt voor wasmachines en ander groot goed, gaat niet vanzelfsprekend op voor kleine elektrische apparaten zoals broodroosters. Daar zijn de transportkosten minder relevant en blijft het voordelig om ze overzee te maken. Als ze groot en ingewikkeld zijn, wordt het wel belangrijk om producten lokaal te assembleren. Zo heeft Siemens in Charlotte, North Carolina, een fabriek opgezet om gasturbines te maken. In die context moet ook de beslissing van Airbus gezien worden om in Amerika te produceren, al spelen daar ook politieke overwegingen een rol.

Een van de problemen waar deze nieuwe producenten tegenaan lopen, is het verval van de industriebasis in de VS. Zo moeten de componenten voor de televisies van Element Electronics ingevoerd worden uit Aziatische landen: er is geen lokale producent meer van onderdelen.

Een ander probleem dat veel zegt over de staat van de Amerikaanse economie is het gebrek aan opleiding van potentiële werknemers. Element liet nota bene Chinese arbeiders naar Detroit komen om zijn werknemers te trainen. Volgens Deloitte en de National Association of Manufacturers zijn er liefst zeshonderdduizend vacatures in de productiesector, simpelweg omdat er geen adequaat opgeleide werknemers zijn te vinden. Het geeft aan dat een behoorlijk industriebeleid meer moet zijn dan subsidies, het moet ook zorgen voor een goede infrastructuur, behoorlijke opleidingen en een plezierig leefklimaat voor de schaarse hoogopgeleide werknemers. Allemaal koren op de molen van president Obama, al weet hij er tot nog toe weinig inspirerend vorm aan te geven. Met zijn commentaar dat entrepreneurs ‘het niet alleen deden’ probeerde hij iets in deze richting, maar hij formuleerde het zo klungelig dat de Republikeinen het juist gebruikten om te tamboereren op zijn gebrek aan inzicht.

Een van de belangrijkste factoren achter de terugkeer van banen is wat ze in de zakenwereld networked manufacturing noemen, de term voor een intensieve wereldwijde uitwisseling van ideeën en vaardigheden tussen leveranciers, producenten en productontwikkelaars. Daardoor kun je ook in een land met relatief hoge lonen concurrerend zijn. Volgens de ceo van abb is dit een van de redenen dat bedrijven minder snel vertrekken uit hogelonenlanden, volgens andere bedrijven is het een reden om productie die ooit werd weggehaald weer terug te laten komen.

Neem Google, dat pas net begint met het maken van tastbare apparaten. Volgens een artikel in The New York Times maakt het bedrijf de draadloze Nexus Q-media player, onlangs op de markt gebracht, helemaal in eigen land. Op de onderkant staat ‘Designed and manufactured in the U.S.A.’, plezierig maar niet erg relevant voor consumenten. Die betalen een hoge prijs om andere redenen dan economisch patriottisme. Maar het geeft een goed gevoel aan een land dat zijn tanden knarst als blijkt dat de kleding van de Olympische ploeg in China is gefabriceerd. Google voegt nog een veelgehoord argument voor reshoring toe: zorg om diefstal van intellectual property in landen als China.

Maar de belangrijkste overweging voor Google is eigenlijk tamelijk eenvoudig: in een markt waarin time-to-market een competitief voordeel is, is het voor ontwerpers en technici nou eenmaal gemakkelijker om tien minuten te rijden naar de fabriek dan om zestien uur te vliegen. De bedrijven die zo werken zijn snel, sluw en leveren betere kwaliteit. Een andere factor vormen de trends die te maken hebben met distributie en klantgerichte productie, je wilt flexibel kunnen zijn.

Google is voorzichtig. In The New York Times noemen ze het ‘een experiment’. De grootste uitdaging was het vinden van leveranciers van onderdelen in de buurt. Het web van toeleveranciers dat in China aanwezig is, bijvoorbeeld rondom de assemblage-operaties van Foxconn, is vaak cruciaal. Daarmee kun je een verandering in het ontwerp in een paar uur laten uitvoeren. Uiteindelijk slaagde Google erin om alle componenten in de VS te verkrijgen en wist het een bedrijf te vinden in het Midden-Westen dat een speciaal ontworpen metalen basis kon maken. Halfgeleiders waren een groter probleem, die worden soms in de VS gemaakt, maar dan naar Azië vervoerd om met andere componenten samengevoegd te worden. De Q wordt nu gemaakt op vijftien minuten van het hoofdkwartier van Google.

Ook niet onbelangrijk is de vaardigheid om technologische ontwikkelingen in verschillende velden aan elkaar te koppelen; dat vergt meer kennis dan overzee soms aanwezig is. Verder kan met korte lijnen het productieproces gemakkelijker worden toegesneden op de eisen van klanten, zeker bij gecompliceerde producten. Waar de markt veel vaker dit soort specifieke producten vraagt, wordt die vaardigheid steeds belangrijker. Een ander modewoord is dan ook cluster dynamics, het groeperen van toeleveranciers in een beperkt geografisch gebied, niet zozeer om dicht bij de producten te zitten als wel om een makkelijker uitwisseling van ideeën.

Niet iedereen loopt mee in de goednieuws­parade. Business Week meldde in een kritisch artikel dat reshoring feitelijk maar weinig banen oplevert en dat er nog steeds banen verdwijnen. Een concurrent van Boston Consultancy Group, het consultancybureau Hackett Group, publiceerde een rapport dat concludeerde dat de VS nog steeds banen verliezen en dat het netto effect van beide ontwikkelingen nul was.

Andere sceptici wijzen erop dat de loon­kosten in Azië nog steeds veel lager zijn dan in de VS. De iPads en telefoons van Apple zullen niet snel in de VS worden geproduceerd, waar de onderneming te maken krijgt met minder flexibele werknemers die minder makkelijk zijn uit te buiten, met vakbonden en met bijvoorbeeld striktere milieuregels. Ook kleine producten, speelgoed, kammen en wat al niet zullen zeker niet naar Amerika terugkeren.

Reshoring, terugkeer van banen, is geen goede benaming van deze trend, of in elk geval zet ze op het verkeerde been. Want de structurele factoren erachter maken duidelijk dat de banen die verloren zijn gegaan aan China en andere lagelonenlanden niet ‘terugkomen’. Het zijn ándere banen. In het gunstigste geval, zoals bij Google, vereisen ze meer vaardigheden of deskundigheid en betalen relatief goed.

De conclusie van de columnist van The New York Times was dat innovatie en niet productie op zich de vooruitgang van Amerika bepaalt. Dat is van belang voor de mate waarin de overheid een ‘industriebeleid’ wil voeren waarin bedrijven worden aangemoedigd te investeren. Het belonen van bedrijven die weer dingen produceren in de VS is dan minder effectief dan het stimuleren van bedrijven die dingen bedenken voor de wereldmarkt en die de rest van Amerika van banen voorzien. Overheden moeten creatiever zijn dan simpelweg belastingvoordelen aanbieden, en Obama zal meer moeten bedenken dan de eenvoudige formule in zijn State of the Union.

Volgens de Financial Times heeft de nieuwe ontwikkeling, ‘de veranderde wereldwijde machtsbalans in de productie van goederen’, het potentieel om ‘van winnaars verliezers te maken en van also-rans kampioenen’. Als de oude economieën een kans hebben om terrein terug te winnen dat ze eerder verloren aan nieuwkomers als China en India, dan is het hier. Volgens de ceo van Siemens is ‘her-industrialisatie’ overal waar ze komt een prioriteit in het politieke denken.

De krant meent dat dit niet de ‘platte wereld’ is die Thomas Friedman ooit voorzag in zijn boek met die titel. Meer landen en meer ­bedrijven kunnen concurreren, maar ze doen dat juist heel divers. Organisatie en creativiteit bepalen de kansen. De trend is onmiskenbaar. Waren tot voor kort bedrijven als HP, Dell en Apple vooral ontwerpbureaus en marketing­organisaties, nu worden ze ook weer productiebedrijven in de VS zelf. Ook de beslissing van Airbus om in ­Amerika te gaan produceren past in dit patroon.

Het zou een onverwachte opsteker zijn voor president Obama als deze banen een rol gaan spelen in de verkiezingen. Als hij erin slaagt om Immelt en andere ceo’s van grote ­bedrijven dit positieve verhaal te laten vertellen, zou dat de ondankbare dwarsigheid van Wall Street ­tegenover de president misschien wat temperen. Maar niets werkt ­natuurlijk beter dan lagere werkloosheids­cijfers in de Verenigde Staten zelf. En als dat toch net wat te lang duurt, kan Obama altijd nog Mitt Romney verwijten dat hij degene was die de banen naar China exporteerde.


Angela Shoemaker / The New York Times / HH