Noten en neuronen

Waartoe heeft de mens in de loop van zijn geschiedenis het vermogen ontwikkeld genot te ervaren? Wat is het evolutionair voordeel van plezier? Het antwoord lijkt simpel. Een denkend wezen doorziet de gruwel van het bestaan en zou wel gek zijn zich voort te planten als de ellende niet door heerlijke sensaties werd gecompenseerd. De auteur van Genesis, Plato, de stoïcijnen en Calvijn hebben het niet begrepen. Genot is niet de oorzaak van verdriet, maar het gevolg ervan. Geldt het niet ook voor cognitief minder bedeelde organismen als chimpansees, nachtegalen en insecten? Zonder genot red je het niet.
In This Is Your Brain on Music (2006) ontrafelt neuropsycholoog en voormalig rockmuzikant Daniel J. Levitin de geheimen van de muzikale ervaring. Met name de laatste vijf jaar is er in het onderzoek naar de werking van brein en bewustzijn enorme voortgang geboekt door verbeterde scantechnieken, ingenieuze computersimulaties, gewiekste experimenten met mensen en apen en ontwikkelingen op biochemisch terrein. Wereldwijd houden enkele honderden hersenwetenschappers zich bezig met de neurologische aspecten van muziek, en Levitin is een van hen. Zijn vlot geschreven, maar geenszins simplificerende en hier en daar licht polemische boek zet stap voor stap uiteen op welke wijze geluid wordt waargenomen en verwerkt, hoe we muziek opslaan, categoriseren en herkennen, wat muziek met beweging en emotie te maken heeft, hoe virtuositeit en smaak tot stand komen en, ten slotte, hoe muzikaliteit in de evolutie ontstaan zou kunnen zijn. Levitin laat zien dat vrijwel alle gebieden van de hersenen bij het luisteren naar muziek betrokken zijn, gebieden die verantwoordelijk zijn voor het verwerken van geluidssignalen, voor het herkennen van structuren en het produceren van taal, voor motoriek en tijdsbeleving, voor het autobiografisch geheugen en voor de meest basale sensaties van welbevinden en angst.
De befaamde cognitiewetenschapper Steven Pinker heeft in 1997 betoogd dat muziek een nutteloos bijproduct van de evolutie is. Levitin maakt aannemelijk dat een zo universeel verschijnsel, dat zo diep verankerd ligt in onze genetische aanleg, geen bijkomstigheid kan zijn. Het moet een functie hebben bij het kiezen van een partner, het verstevigen van sociale cohesie en het stimuleren van cognitieve vermogens (zoals het leren van een taal). Misschien betekent muziek voor mensen iets anders dan voor lijsters, cicaden en walvissen, toch is het duidelijk dat we tot in het diepst van ons brein muzikaal zijn.
Althans, de meesten van ons. In Musicofilia: Verhalen over muziek en het brein (2007) presenteert Oliver Sacks, volgens zijn vertrouwde succesformule, een rariteitenkabinet van neurologische defecten, ditmaal gekoppeld aan muzikale ervaringen. Het boek opent met het geval van Tony Cicoria, die nadat hij in 1994 door de bliksem was getroffen, binnen enkele weken een bijna obsessieve en blijvende liefde voor muziek ontwikkelde. Hoewel hersenscans geen letsel te zien gaven, moet er door de klap toch een neurologische verandering zijn teweeggebracht. Inmiddels zijn de mogelijkheden om hersenfuncties te meten sterk verbeterd, maar Cicoria heeft geen behoefte aan nieuw onderzoek: ‘Het was een gelukstreffer geweest die hij gehad had, en de muziek was, hoe hij er ook aan was gekomen, een zegen, een gunst, waarbij geen vraagtekens moesten worden gezet.’
De casus van Cicoria is in dit boek in zoverre een uitzondering dat de muzikale ervaring hier gekoppeld is aan fysiek en spiritueel genot, terwijl het overgrote deel van Sacks’ voorbeelden buitengewoon treurige ziektegeschiedenissen betreft. Muzikale hallucinaties, door muziek veroorzaakte epileptische aanvallen, amusie en toondoofheid, de verschrikkingen van het absoluut gehoor, Gilles de la Tourette en Parkinson, afasie en Alzheimer, dystonie in de vingers van beroepsmusici: voor onbekommerd genieten van muziek zijn we bij Sacks aan het verkeerde adres. Zo citeert hij de jazzdrummer David Aldridge: ‘Ritme en het tourettesyndroom zijn al met elkaar verweven vanaf de dag dat ik ontdekte dat ik door getrommel op een tafel mijn spastische hand-, been- en halsbewegingen kon maskeren. (…) Ik zou slagwerker worden.’ Dwight Mamlok, een liefhebber van twintigste-eeuwse kamermuziek, wordt maandenlang geteisterd door hallucinaties die hem stompzinnige Duitse kerstliedjes en nazi-marsliederen doen horen, wat voor hem, die als joods jongetje opgroeide in het Berlijn van de jaren dertig, uitermate pijnlijk is. De componist Jacob L. hoort ineens alle noten in het hoge register van zijn piano alsof ze met een kwarttoon verhoogd zijn. En dementerenden lijken door muziek uit hun jeugd soms weer even helemaal zichzelf te worden.
Een nadeel van Sacks’ werkwijze is zijn gebrek aan systematiek, gecombineerd met de vaak nogal oppervlakkige verklaringen die hij voor al het muzikaal onheil biedt. Sacks is eerder geboeid door zieke mensen dan door de muzikale ervaring als zodanig. De verschillende aspecten van muzikaliteit worden niet in een overzichtelijke synthese samengebracht. Daar staat een schat aan bizarre verhalen tegenover, die je ervan doordringen hoe ongelooflijk veel geluk je hebt als je brein normaal functioneert. Dat is, met honderd miljard neuronen die allemaal ongeveer tienduizend verbindingen met andere neuronen onderhouden, een onbegrijpelijk wonder.

D.J. Levitin, This Is Your Brain on Music: The Science of a Human Obsession. Dutton Adult 2006, 320 blz., € 15,50.
Oliver Sacks, Musicofilia: Verhalen over muziek en het brein, vertaald door Han Visserman. Meulenhoff 2007, 381 blz.,
€ 19,90