Notenbalneuken in de letteren

Herman Passchier en Arie Peddemors (red.), Pro Mozart. Uitgeverij Kok Lyra, 192 blz., f39,90: Maarten ‘t Hart, Du holde Kunst: Over muziek. Uitgeverij De Arbeiderspers, 214 blz., f34,50: Richard Wagner, Brieven 1856-1883. Vertaald door C. R. Vink en Renee Vink, uitgeverij Atlas, 321 blz., f55,-
HOE schrijft men over muziek?
In een opstel over dit onderwerp suggereert Simon Vestdijk dat het schrijven over de abstractste aller kunsten wellicht 'onmogelijk’ is, wat hem er niet van heeft weerhouden er tien omvangrijke boeken over te schrijven. Zij zijn in 1987 integraal herdrukt in een tiendelige, door Marius Flothuis en Emanuel Overbeeke bezorgde uitgave, die alles bevat wat Vestdijk over muziek heeft geschreven.

Wij zijn er getuige van hoe de schrijver complete symfonieen vanachter de piano navertelt. De lezer is daarnaast een blik gegund in de discotheek, waarbij ons wordt uitgelegd dat Ferenc Friscay (DGG, 182966 PM) de jonge Mozart ‘wat erg pompeus’ dirigeert in tegenstelling tot Eduard van Beinum (Philips, A 00398) wiens KV 201 'als een welhaast ideale benadering’ valt te beschouwen.
Dat zal best. Inmiddels zijn er twintig wellicht nog idealere interpretaties van deze symfonie verschenen, waardoor Vestdijks aanbeveling iets gedateerds krijgt.
Was Vestdijk eigenlijk lid van de Mozart Vereniging? Ik vermoed van wel, al was het alleen al vanwege zijn hechte vriendschap met Herman Passchier, de man die twintig jaar voorzitter van Mozarts fanclub is geweest. Passchier heeft recentelijk, samen met zijn opvolger Arie Peddemors, onder de titel Pro Mozart een aantal artikelen uit het clubblad gebundeld. Ook deze bijdragen hebben in hun ogen blijkbaar de eeuwigheidswaarde, die de herpublikatie in boekvorm legitimeert.
Ik denk daar anders over. Het is leuk voor Passchier dat hij in 1985 de Mozart-Woche in Salzburg heeft bezocht, maar zijn mededeling dat hij Alfred Brendels vertolking van het pianoconcert KV 503 als een der hoogtepunten beschouwde, is na negen jaar even weinig interessant als de inhoud van Vestdijks platenkast. Een ander hoogtepunt van de feestelijkheden was de concertante uitvoering van L'oca del Cairo, een van Mozarts onvoltooide opera’s. 'Voor zover mij bekend is deze muziek in ons land nog niet uitgevoerd’, schrijft Passchier. Behalve dan op de NOS-televisie, een enscenering die was gebaseerd op een uitvoering in de Amsterdamse Stadsschouwburg, die op haar beurt in premiere is gegaan in Passchiers eigen Zeister Mozart-week, in 1990.
Mij ergert de gemakzucht en de pretentie waarmee dit soort opgewarmde kranteknipsels onder het publiek worden gebracht, zonder zelfs maar een actualiserende voetnoot. Zoals ik mij ook ergerde aan slotbijdrage van de 'nestori illustri Mozart societatis neerlandicae’ Marius Flothuis, aan wie het boek is opgedragen. Hij wordt geacht 'de balans van het Mozart-jaar 1991’ op te maken. Daartoe acht Flothuis zichzelf echter niet bevoegd, ondanks het feit dat hij in de betreffende periode tien congressen en symposia heeft bezocht, want een dergelijke balans zou van 'verregaande hovaardigheid’ getuigen.
Waarom? Flothuis is toch ’s lands specialist in de mozartologie? Dus hij moet tot meer in staat zijn dan een wezenloze mededeling over het congres in Straatsburg, waar de sprekers zich zo slecht aan hun spreektijd hielden dat de deelnemers een uur te laat bij die 'alleraardigste’ tentoonstelling in het Postmuseum te Riquewihr zijn gearriveerd?
Zo schrijve men dus, wat mij betreft, liever niet over muziek, want ik kan, als lezer, mijn tijd wel beter gebruiken.
HOE SCHRIJFT men dan wel over muziek? Wellicht op de wijze van de ontwikkelde leek Maarten ’t Hart, die probeert met zijn muzikale schrifturen 'het plezier onder woorden te brengen dat ik aan muziek beleef in de hoop anderen te stimuleren tot luisteren’. Zo liet ’t Hart weten in een reactie op een kritisch artikel in De Gids, waarin Godert van Colmjon en Konrad Boehmer hem 'een amateur met een uiterst beperkte muzikaliteit’ hadden genoemd, respectievelijk de vertegenwoordiger van 'een uiterst reactionaire stroming in de muziekjournalistiek’. Ik vond dat toen al een idioot oordeel dat verdacht dicht tegen het rigourisme van de Mozart-liefhebber Jozef Stalin aanleunde.
Maarten ’t Hart was in die tijd als muziekmedewerker aan de Haagse Post verbonden, waarin hij allervoortreffelijkste, erudiete en enthousiasmerende artikelen schreef over onderwerpen als 'De perfectie van Mozart’ en 'Richard Wagner als linkse revolutionair’.
Tot mijn verwondering heb ik deze beschouwingen niet in zijn pasverschenen boek Du holde Kunst: Over muziek teruggevonden. Zij hebben plaats moeten maken voor artikelen over marginaal ogende Scandinaviers als Carl Nielsen, Wilhelm Stenhammar, Emil Sjogren en Adolf Fredrik Lindblad, in wie de schrijver zich heeft gespecialiseerd. Hij bespreekt de cd-opnamen van deze componisten sinds enige jaren voor het maandblad Luister, waarbij ik mij wel eens afvraag wat het eerst is gekomen: ’t Harts geestdrift voor het Hoge Noorden of de uitnodiging van Luister om zich over dit Hoge Noorden te ontfermen - maar dit terzijde.
HIJ IS GEEN musicologische kommaneuker, wel (soms) een niet-musicologische notenbalkneuker in de Vestdijk-traditie. 'Toch dient er ook op gewezen te worden dat Sibelius’ begeleidingen soms voortreffelijk zijn. Voorbeelden: “Sav, sav, susa” (mooi, Schumann- achtig), “Vilse” (schitterend), “Illale” (monotoon, maar met verbluffende zeggingskracht) en “Blasippan” (een laat lied, maar meesterlijk).’
Ook is hij geneigd de biografie met het oeuvre te verwarren, een elementaire valkuil in de wondere wereld van mineur en majeur. In Mozarts Entfuhrung aus dem Serail, bijvoorbeeld, is sprake van de nobele Bassa Selim. Mozart componeerde zijn Singspiel in de periode dat hij zijn latere echtgenote Konstanze achter de rokken zat. Dit getortel geschiedde tot ongenoegen van vader Mozart, die het meisje geen partij voor zijn begaafde zoon vond. 'Met deze opera,’ zegt ’t Hart, 'heeft Mozart, wellicht onbewust, zijn vader willen zeggen: Wees nu ook grootmoedig, vergeef me voor alles wat je als een misstap ziet.’
Deze avontuurlijke interpretatie zou wellicht hout snijden als Mozart het tekstboek had geschreven en niet Johann Gottlieb Stephanie de Jongere, die de componist het libretto panklaar onder de neus legde en ook anderszins niets met Mozart Sr. te schaften had. En soms is ’t Hart in zijn enthousiasme geneigd zijn theorieen twee maal te verkondigen, wat hem en de hem van uitgeverszijde toegewezen redacteur blijkbaar is ontgaan. 'Wat een doodlopende straat is de dodecafonie gebleken!’ (blz. l30). 'De dodecafonie is een doodlopende weg gebleken.’(blz. 173).
Hij vindt het terecht dat bijvoorbeeld Arnold Schonberg 'zelden wordt uitgevoerd, en amper op plaat of cd werd opgenomen’. (blz. 131) 'Ondanks zijn enorme reputatie worden zijn werken maar hoogst zelden uitgevoerd. Van zijn kleine oeuvre zijn thans opmerkelijk weinig opnamen voorhanden.’ (blz. 172). Tja. in Warmond wellicht, of in de muziektent dezer gemeente, maar in Amsterdam is werkelijk alles voorhanden, terwijl in hetzelfde Amsterdam het Schonberg-ensemble volle zalen trekt. Hier laat ’t Hart zich werkelijk door zijn hoogstpersoonlijke oordelen en vooroordelen meeslepen, hetgeen tegelijkertijd de charme van zijn kritische schrifturen is.
Inderdaad, de verslingerden aan 'popgruwel of jazztroep of waardeloze folk- of countrymusic’ zijn horende doof. En als ze al niet doof zijn, zullen zij het spoedig worden.
Heeft Jean-Paul Sartre het gewaagd de liederen van Franz Schubert 'afgezaagd en banaal’ te noemen? Exit Jean-Paul Sartre, een auteur waar ’t Hart - zegt hij - trouwens nooit al te dol op is geweest. 'Maar nu wil ik niets meer van hem lezen, nooit meer iets over hem horen. Hij heeft voor mij totaal afgedaan.’ Zelf meen ik mij van Sartre wel degelijk iets te herinneren dat de moeite van het overwegen waard is. Niettemin heeft ’t Harts onbewimpelde oorlogsverklaring aan een man die zich aan zo'n ongelofelijke betise bezondigde, mijn warme sympathie.
HET AARDIGSTE vond ik het slothoofdstuk, waarin ’t Hart het feit signaleert dat er zo opvallend weinig interessante 'muzikale memoires’ bestaan, de gedenkschriften van Hector Berlioz niet te na gesproken, die de schrijver tot mijn verbazing geen 'echte componist’ vindt. En de memoires van Richard Wagner, die echter het nadeel hebben dat deze aan diens bigotte echtgenote Cosima zijn gedicteerd, waardoor ons menig voorechtelijk slaapkamergeheim is onthouden. Niettemin heeft ’t Hart oog voor Wagners 'kruidige humor’, waardoor ik, indirect door hem aangespoord, onmiddellijk de nieuwe Nederlandse vertaling van des componisten Brieven 1856-1883 ben gaan lezen.
Zelf ben ik geneigd niet zozeer over kruidige als wel over onvrijwillige humor te spreken. Wagner in een brief aan zijn collega-componist Robert von Hornstein: 'Waarde Hornstein, ik hoor dat u rijk bent geworden.’ Dus vroeg hij 'terstond’ tienduizend frank. 'Zo toont u of u een echte man bent.’ Hornstein was wel wijzer. In tegenstelling tot Wagners 'beminde, dierbare Koning’ Ludwig II: 'Vanuit een diepe behoefte voel ik mij gedrongen’, schreef de aartsvleier, 'mij hiermede tot mijn beschermer en vriend te wenden; moge de onmetelijke goedheid zijns harten het mij vergeven als ik hem daarmede derangeer!’ Waarna de vorst, geheel Wagnervernarrt, zonder mankeren over de brug kwam.
Ja, ’t Hart heeft gelijk, Wagner was, tegen de uiterlijke schijn in, een linkse revolutionair, zij het een revolutionair van het soort dat precies wist aan welke zijde zijn boterham was gesmeerd.