Het Afghanistan van Sebastian Junger

Nothing to do but kill and wait

Restrepo, een realistische film over Afghanistan, wordt in Amerika door zowel het pro-oorlogskamp als het anti-oorlogskamp omarmd. Nu is de documentaire van Sebastian Junger de voornaamste Oscar-kandidaat. ‘Wat mensen ervan vinden, zegt meer over henzelf dan over de film.’

IN DE CATEGORIE embedded journalism heeft de Amerikaanse schrijver Sebastian Junger de lat weer een stukje hoger gelegd. Junger, die met zijn boek The Perfect Storm wereldberoemd werd, volgde over een periode van een jaar een Amerikaans peloton in de Korengal Vallei, de gevaarlijkste streek van Afghanistan. Hij schreef er het boek War over en maakte samen met fotograaf Tim Hetherington de indrukwekkende documentaire Restrepo, die niet alleen de Grand Jury Prize van het Sundance Filmfestival won, maar nu ook op de shortlist staat voor de Oscar-nominaties.
De meest bloedstollende scène is wanneer Junger op een bermbom rijdt. De camera loopt en filmt schitterende landschappen vanuit het raampje van de humvee. Opeens horen we een grote schok en een explosie, het beeld valt op z'n kant, we horen gevloek en het ‘ratatata’ van machinegeweren. Junger springt uit de humvee, het geluid van de camera valt uit en in slow motion, als in een droom, passeren onscherpe beelden van de grond, rotswanden, beboste ravijnen en soldaten die dekking zoeken.
Junger wist het na te vertellen. 'Gelukkig ontplofte de bom onder de motor. Die ving de grootste kracht van de ontploffing op. Ik was bang dat ze daarna met granaatwerpers zouden toeslaan. Maar ook dat viel gelukkig mee.’ Later kan Junger erom lachen. 'Ik durfde het eerst niet aan mijn vrouw te vertellen, anders had ze me misschien verboden om terug te gaan. Maar die scène moest natuurlijk in de film.’
War en Restrepo vertellen het verhaal van Second Platoon, een groep van dertig soldaten die een kleine basis midden in vijandelijk terrein hebben opgezet. De outpost is genoemd naar een geliefde kameraad, de combat medic korporaal Juan Restrepo, die enkele maanden daarvoor omkwam in een hinderlaag. In het holst van de nacht werd Restrepo opgericht, 'als een gigantische middelvinger die naar de Taliban wordt opgestoken’. In zijn kenmerkende no-nonsense proza beschrijft Junger de basis als volgt: 'It’s a miraculous kind of antiparadise up here: heat and dust and tarantulas and flies and no women and no running water and no cooked food and nothing to do but kill and wait.’
Restrepo wordt om de haverklap aangevallen: Junger schat dat hij in de vijf maanden dat hij embedded was in 25 vuurgevechten heeft gezeten. De meeste keren liep het goed af, voor de Amerikanen tenminste, maar ook aan die kant vallen veel slachtoffers. Een peloton komt in een L-shaped ambush terecht. 'Correctly done, a handful of men can wipe out an entire platoon’, schrijft Junger. Twee Amerikanen sneuvelen en vijf raken zwaar gewond. Interessant detail is dat sergeant Giunta, die twee gewonde kameraden uit de vuurlinie redde, afgelopen november van president Obama de Medal of Honor kreeg, de hoogst mogelijke militaire onderscheiding voor moed, die sinds de Vietnamoorlog niet meer was uitgereikt, althans niet meer aan een nog levende soldaat.
Een ander peloton in de Korengal Vallei, een gemengde patrouille van vijftien Amerikaanse en dertien Afghaanse soldaten, loopt in een hinderlaag en binnen enkele minuten is iedereen geraakt - acht doden en twintig gewonden: honderd procent casualties, een ander record sinds Vietnam. Natuurlijk vallen er ook burgerslachtoffers: Restrepo laat de gevolgen zien van een Amerikaanse luchtaanval op een huis waar Taliban-strijders zich zouden schuilhouden. De trieste balans van de aanval is vijf burgerslachtoffers en tien gewonden, waaronder enkele kinderen. De Amerikanen beseffen dat dit een ernstig incident is: de hoogste commandanten, kapitein Kearny en kolonel Ostlund, komen persoonlijk in een Black Hawk-helikopter aanvliegen om poolshoogte te nemen en excuses aan te bieden aan de nabestaanden.
Restrepo laat oorlog zien zoals deze is: hard, onbarmhartig en soms dodelijk saai. Maar ook absurd. Junger beschrijft de zogenaamde piss-tube moments, een variant op de existentiële twijfel. Terwijl sergeant O'Byrne zijn blaas leegt in een schuin omhoog staande pvc-buis, de militaire versie van het urinoir, schiet opeens een gedachte door zijn hoofd: 'What am I doing here? I’m trying to kill people and they’re trying to kill me. It’s crazy…’

JUNGER behoort niet tot de lichting journalisten die Afghanistan pas na 9/11 ontdekt hebben. De eerste keer was hij er in 1996, toen de Taliban aan de poorten van Kaboel lagen. Hij maakte toen een reportage over terroristische trainingskampen - die hij overigens niet vond. In 2000 spendeerde hij samen met de Iraanse fotograaf Reza zes weken met de legendarische Ahmad Shah Massoud, de toenmalige leider van de Noordelijke Alliantie, voor een documentaire van National Geographic TV. Massoud, de enige serieuze bedreiging voor het Taliban-regime, werd enkele dagen voor 9/11 door een zelfmoordcommando opgeblazen. In 2001 verbleef Junger twee maanden voor abc tv in de Panshir Vallei aan de kant van de Noordelijke Alliantie en was getuige van hoe Kaboel verlost werd van het Taliban-regime. In 2005 was hij voor Vanity Fair de eerste keer embedded met de Amerikaanse troepen in de provincie Zaboel. De oorlog in Afghanistan was toen een vergeten oorlog in Amerika - 'Iraq Lite’.
'Afghanistan is geografisch een schitterend land met een wilde en ontembare bevolking en het heeft altijd in het middelpunt gestaan van de wereldpolitiek’, zegt Junger.
Mensen hebben kritiek omdat u in boek en film geen stelling inneemt over de oorlog.
'Die kritiek komt met name van links en ik vind dat erg hypocriet. Fox News wordt verweten dat het geen feiten maar meningen ventileert en tot spreekbuis van rechts is verworden. Het is opmerkelijk dat het nu dezelfde mensen zijn die het kwalijk vinden dat Restrepo geen mening verkondigt.’
In sommige kringen werd Restrepo als een anti-oorlogsfilm onthaald.
'Wederom, links ziet de film als een geslaagde poging om de futiliteit van oorlog aan te tonen. In militaire kringen wordt de film juist als pro army gezien, als een eerbetoon aan soldaten opgevat. Beide kampen hebben getracht de film als de hunne in te palmen. Laat ik het zo zeggen: een goed kunstwerk kan op meerdere manieren geïnterpreteerd worden. De film werkt als een soort Rorschachtest: wat mensen ervan vinden, zegt meer over henzelf dan over de film. Mijn boek wordt niet alleen op de militaire academie van West Point gebruikt, maar ook in universiteitsvakken over Amerikaans imperialisme.
De mooiste complimenten krijg ik van veteranen en hun echtgenotes. Een vrouw vertelde me dat als ze het boek eerder had gelezen ze nu niet gescheiden was geweest van haar man. Andere vrouwen vertelden dat ze zich nu pas echt konden voorstellen wat hun mannen hadden doorgemaakt. Een Korea-veteraan kwam na een lezing naar me toe en vertelde dat hij nu pas eindelijk zijn emoties tijdens gevechten kon begrijpen, een Viet-vet zei me: “Thanks for telling our story.” Dat waren de reacties waar ik op gehoopt had. Ik wou met mijn boek de specifieke situatie in Afghanistan overstijgen en universele zaken aanroeren.
Antropologen weten dat er in vrijwel elke tribale maatschappij een of andere vorm van oorlog heeft plaats gevonden. In oorlogvoering en de jacht kan men zijn heldhaftigheid bewijzen. We leven nu al driehonderd jaar in een industriële samenleving, maar de evolutie is niet zo snel. Een verrassend groot aantal moderne vrouwen zegt dat ze nooit zullen uitgaan met iemand die kleiner is. Soldaten vertelden me hoe makkelijk het is om in uniform een meisje te versieren. Als je een einde aan oorlog wilt maken, is het goed om te beseffen dat oorlog nu eenmaal aantrekkelijk is voor veel jonge mensen. Vroeger vertelde men me dat Apocalypse Now een anti-oorlogsfilm is. I did not get it. In de film Jarhead worden juichende rekruten opgehitst met de openingsscènes van Apocalypse Now. Oorlog wordt als opwindend ervaren, als thrilling. En wie jong is, is blind voor de risico’s en de consequenties.’
En soldaten voelen zich blijkbaar thuis in het leger. In War staat u uitgebreid stil bij Liefde - de broederschap onder soldaten die eenheden tot efficiënte vechtmachines maakt.
'Er is binnen een militaire eenheid een sterke emotionele afhankelijkheid van elkaar. Broederschap is de kern en die komt het sterkst tot uitdrukking tijdens combat. Tijdens een gevecht is iedere soldaat onmisbaar. Opoffering is een daad van liefde en moed, maar soldaten praten niet in die termen: het is logisch dat men een ander redt uit het vuur, zoals het even logisch is dat een moeder haar kind zal redden terwijl ze zelf haar leven riskeert. Een moeder zal zichzelf niet moedig noemen. Het is vanzelfsprekend voor haar. Courage komt van het Franse woord coeur. Moed is een uitdrukking van liefde. Een grotere bezorgdheid om het welzijn van een ander dan om het eigen welzijn. Er zijn ergere dingen dan doodgaan: iemand dood zien gaan van wie je houdt.’
Oorlog is zwaar, maar is terugkeren in de samenleving niet nog moeilijker?
'Soldaten op missie hebben een sense of purpose die duidelijk en helder is. Iedere man telt, iedere man is essentieel voor het overleven van de groep. Dan komen ze terug in de VS en zijn ze gewoon weer de zoveelste twintigjarige at the bottom of the food chain. De intensiteit van emoties die ze daar meemaakten, vinden ze niet meer terug. Reïntegratie is inderdaad een groot probleem. De meesten schuiven het probleem voor zich uit door bij te tekenen en terugkeer naar de maatschappij uit te stellen. De meeste mensen in onze unit waren om te beginnen al mensen met gedragsproblemen. Drugs, drank, agressie. Een man was een drugsdealer die voor de keuze stond om in de mean streets van Baltimore door rivaliserende gangs vermoord te worden, naar de gevangenis te gaan of voor het leger te kiezen. Het leger bracht de mannen een mate van discipline, straightened them out. Anderen komen compleet fucked up terug. Eerlijk gezegd is het moeilijk te zeggen of er nu nettowinst of -verlies is. Maar duidelijk is dat de samenleving tekortschiet in de reïntegratie.’

BIJ DE NEDERLANDSE soldaten moesten embedded journalisten op de basis blijven als er gevaarlijke missies waren. Beelden moesten achteraf door het ministerie van Defensie goedgekeurd worden. De Belgische minister van Defensie De Crem verklaarde zelfs dat het onwenselijk is om gevechtshandelingen op de tv uit te zenden.
'Het Amerikaanse leger heeft ons volledige toegang gegeven om in de meest gevaarlijke streek van Afghanistan te werken. Twintig procent van alle combat casualties valt in de Korengal Vallei. We hebben Amerikaanse gewonden en doden gefilmd, we hebben burgerslachtoffers gefilmd. Het leger wist dit. Niet alleen hebben ze ons niets in de weg gelegd, ze hebben ook nooit gevraagd de beelden te mogen zien, ze hebben ons op geen enkele manier trachten te beïnvloeden. Het zal heus wel gebeuren dat journalisten zijn lastiggevallen, maar het leger heeft geen bewuste politiek van beïnvloeding. Een land dat de pers tracht te censureren kan men moeilijk een waarachtige democratie noemen.’
Wat is uw mening over de discussie embedded versus objectiviteit?
'Alle journalistiek is in meer of mindere mate embedded. Je gaat met de politie op stap, met getto-kids, met hulpverleners in Rwanda. Je probeert hun werkelijkheid te begrijpen. Men zegt dat het moeilijk is om objectief te zijn over mensen die dicht bij je zijn, maar het is moeilijker om objectief te zijn over mensen die op je schieten en je willen doden. Alhoewel pure objectiviteit onmogelijk te bereiken is, betekent dat niet dat je je moet laten meevoeren op de golven van je emoties. Sommigen hebben kritiek op het embedded-systeem. Het alternatief is zero access tot het leger. Het is essentieel om embedded journalism in een bredere context te zien. Het is een deeltje van de puzzel die de werkelijkheid is.’
In de discussie over Afghanistan overheerst defaitisme. Terugtrekking is het toverwoord. Ook de basis Restrepo is opgeheven.
'Restrepo is opgeheven, maar er is nog steeds een belangrijke Amerikaanse aanwezigheid nabij de Korengal Vallei. De Amerikanen hebben verharde wegen aangelegd, scholen en klinieken geopend. Meisjes kunnen weer onderwijs volgen. In tegenstelling tot wat veel mensen denken, is het aantal burgerslachtoffers enorm gedaald sinds 1980. In de tien jaar van de sovjetbezetting zijn er tussen de één en de anderhalf miljoen mensen omgekomen. In de tien jaar burgeroorlog en warlordism die volgden op de terugtrekking zijn er vierhonderdduizend mensen omgekomen. In de tien jaar na de Amerikaanse interventie zijn er ruwweg dertigduizend mensen omgekomen. Als de Navo zich terugtrekt, zal dat cijfer weer naar de vierhonderdduizend omhoogschieten. Ik kan begrijpen dat men terugtrekking van westerse troepen wenselijk vindt, maar ik kan me niet voorstellen dat men dat overweegt met het belang van het Afghaanse volk voor ogen.’
Is de wereld veiliger geworden na het verdrijven van de Taliban uit Kaboel?
'Sommigen beweren dat onze aanwezigheid in Afghanistan de wereld veiliger heeft gemaakt. Anderen beweren het tegendeel. De waarheid is: niemand weet het antwoord. Wel is duidelijk dat gedurende de periode dat al-Qaeda een veilig onderkomen had in Afghanistan ze in staat waren vijf grote aanslagen te plegen: het World Trade Center in 1993, de Khobar Towers-aanslag in 1995, de USS Cole in 1998, de aanslagen in Nairobi in 1998 en natuurlijk 9/11. Sinds die tijd hebben we geen aanslagen meer gehad op Amerikaans grondgebied. Of dit komt door onze aanwezigheid in Afghanistan kan ik natuurlijk niet met zekerheid zeggen.’
We hebben Madrid gehad, Londen.
'Inderdaad, verschrikkelijke aanslagen, maar duidelijk niet op de schaal van 9/11 waar vier vliegtuigen bij betrokken waren en meer dan drieduizend doden zijn gevallen. Het is duidelijk dat al-Qaeda niet meer in staat is to pull off something big.’
U vindt de interventie in Afghanistan gerechtvaardigd?
'Het was evident dat 9/11 veroorzaakt werd door mensen die zich op dat moment in Afghanistan bevonden en die door het toenmalige Taliban-regime in bescherming werden genomen. Op enkele uitzonderingen na accepteerden de meeste islamitische landen ook de interventie. Bij Irak lag het volkomen anders. De invasie was daar gebaseerd op twijfelachtig bewijsmateriaal over massavernietigingswapens. Daarna bleef de rechtvaardiging voor de oorlog telkens maar veranderen. Afghanistan is duidelijk een ander verhaal. Daarom kunnen we ook niet zomaar vertrekken en het land in de steek laten. Afghanistan heeft onze hulp en ondersteuning meer dan ooit nodig. De belangrijkste kwestie die het Westen momenteel moet oplossen is de vraag is of we bereid zijn militair in te grijpen om mensenlevens te redden.’