Nou ja, doe maar wat

Als de boter danst

Boter springt door de kamer. Hijs de vlag!
De kikkers komen. Terwijl de commissaris…

Hoe-wat-waar? Houd maar je mond.
Je weet toch hoe het verder gaat?
Daar rent een hond, de bek vol oma.

Je hoort haar krijsen achter de van schrik verbleekte sofa
waarboven hondenstaarten gelukzalig kwispelend verrijzen.
Waar is de deur? Je wilt eruit,
maar muren draaien dansend om je heen:

gesloten. Hier is geen deur, alleen een koord.
Je klimt erin, je bent zo moe.
Hèhè, daar is de strop. Maar ja - precies als je hem ziet
geven je handen op. Je valt
en valt en valt. Je bent er nog.

Welk gewicht heeft poëzie? Wat vermag zij? Maakt zij haar pretenties waar? In de derde eeuw voor Christus zetten dichters in Alexandrië zich af tegen de overweldigende presentie van de klassieken. Niet dat het werk van Homeros, Pindaros en Sophokles in hun ogen onbelangrijk was, integendeel, maar in de wetenschap dat ze in vergelijking met dergelijke kanonnen nooit goed uit de verf zouden komen, introduceerden ze een nieuwe literatuur, die verfijnd, geestig, intellectueel, gelaagd en vooral metapoëticaal moest zijn. Deze hellenistische dichters waren de postmodernen van de Oudheid. Hun woordvoerder Kallimachos verordonneerde dat de Muze voortaan slank zou zijn. Poëzie werd een spel voor weinige ingewijden. Zij pretendeerde bijna niets te zijn, maar dan een niets van duizelingwekkende subtiliteit.
In een gedicht van Wouter Godijn lees ik:

Het leven was zwaar, de muze dik
en oud. Bovendien rotte ze - ja werkelijk waar! -
ze rotte als een appel die te lang op de fruitschaal

geaarzeld? Uitgestald? Toch gewoon gelegen? Nou ja, doe maar wat.

Hier wordt de zwaarwichtigheid van poëzie van binnenuit aangevreten. Tot aan de eerste gedachtestreep kun je nog vermoeden dat er een serieuze beschouwing over de existentiële betekenis van poëzie begonnen is, maar de uitroep ondergraaft direct elk vertrouwen in wat de dichter gaat zeggen, en met de toegeving ‘doe maar wat’ wordt zelfs woordkeuze - de essentie van het dichterschap - irrelevant verklaard. Deze dichter gelooft niet in zijn métier. Juist dat ongeloof maakt de kern van zijn werk uit.
Wiegeliederen en Blaaskikkermuziek is de zesde bundel van Godijn (1955), die in 1997 als romancier debuteerde. Zijn poëzie heeft vanaf het begin gepoogd zichzelf te ontmantelen. Godijn is vermoedelijk een hartstochtelijk lyricus, zich hyperbewust van de gevaren van romantische bevlogenheid en zoet sentiment. Vrijwel elk gedicht wordt moedwillig verknoeid door irritante terzijdes. De spreker doet zich voor als een onhandige en zieke man die het zijn omgeving moeilijk maakt, maar vooral zichzelf niet spaart. Dit is poëzie waarbij je je ongemakkelijk voelt, hoe grappig ze soms ook is.
Stond in zijn vorige bundel het ziek zijn centraal (Godijn lijdt aan MS), hier gooit hij het over een andere boeg, al is de fysieke onttakeling alomtegenwoordig: 'Een barst in een van de twee verstandskiezen die/ zo lang met me hebben meegeleefd/ en niet te vergeten het binnensmondse murmelen van die andere ziekte - die ik// van mezelf niet meer mag laten meedoen in een gedicht’. Hoewel Godijn zichzelf en de lezer geen schoonheid, en al helemaal geen diepzinnigheid gunt, is hij toch op zoek naar de eeuwige mysteries die hij stelselmatig bevuilt. Bevuilen is een passend woord, want dit oeuvre heeft een hoge wc-dichtheid. Maar er zijn momenten waarop zelfs deze dichter zijn taal weet te zuiveren en te ontdoen van vileine ongein:

Geen pratende sleutelhangers, geen pedicures, geen Handige Harries.

Alleen koel, helder water
dat niemand leest
en niemand begrijpt.

De eerste regel ontroert doordat de spreker de werkelijkheid van alledag op een zijspoor tracht te rangeren, maar haar juist daardoor in al haar armzalige treurigheid aanwezig stelt, als smoezelig contrast voor de helderheid waarnaar het gedicht op zoek is. Zo gaat het verder:

De lucht: hoog oprijzend
blauw ijs. De reis
van nul naar nul

Dat komt verdacht dicht in de buurt van schoonheid. De metafysisch geladen dialoog waarmee het gedicht eindigt is van een nuchtere berusting:

'Ik geef je de ring.’
'Ik kan de ring die je aan me geeft niet zien.’
'Dan is het goed.’

Datgene wat wél te zien is, kan zelden door de beugel. Maar ook het onvolmaakte kan zijn charmes hebben. Wanneer God op aarde terugkeert, wordt hij door de muggen opgevreten, waarna 'een enge ziekte/ heerszuchtig, als een bloem, in hem openging’. De dichter moet even naar woorden zoeken om de diagnose te stellen, maar komt na enige regels tot de conclusie dat het om een vorm van malaria gaat. 'Het was heel erg. God moest naar het ziekenhuis,/ een ziekenhuis gespecialiseerd in tropische ziektes.’ De artsen vechten met succes voor Gods leven, en met 'ogen glazig van tevredenheid’ denkt hij:

Ik ben terechtgekomen in mijn eigen vergissing,
ik kan er niet meer uit
en ik vind het nog fijn ook.

De wijze waarop Godijn bladzij na bladzij zijn eigen project ondermijnt, zoals God zijn schepping met constructiefouten opzadelt, ergert en amuseert. 'O, mijn kleine, zenuwzieke, trilbibberige piep-piep-gedichtjes./ Kom maar bij me. Kom maar bij pappa.’ Je moet lef hebben om zulke kinderachtige regels op te schrijven en nog te publiceren ook. Deze recensent krijgt er jeuk van. Maar wat jeukt blijft wel om aandacht zeuren. De dichter zou zich vermoedelijk beledigd voelen als hij beticht werd van het schrijven van volmaakte gedichten. Wat Godijn maakt is onaf, zelden mooi en al helemaal niet bevredigend. Daarom is het uiterst effectieve poëzie.

WOUTER GODIJN
WIEGELIEDEREN EN BLAASKIKKERMUZIEK
Contact, 64 blz., € 18,95