Nu ben ik iets

Vroeger was ik niets.
Toen vertelde ik je over mijn dromen, weet je nog. Ik zou schrijver en dichter worden - maar we wisten al dat ik daarvan niet kon leven. Ik zou geld verdienen met de journalistiek. En dat zou zo veel zijn dat jij rustig kon doen wat je zelf wilde.

Ik ging aan de slag. Moeilijk was dat, weet je nog. Aanvankelijk wilde niemand mijn stukjes hebben - noch mijn boeken en dichtbundels. Het was hard werken. Dagen wachten bij de telefoon.
‘Het geeft niet’, zei je lief - en dan bedreven we de hele middag de liefde, want we hadden toch niets anders te doen.
Mijn eerste stukken werden geplaatst - en samen zijn we toen die middag naar de sigarenboer gelopen om een krant te kopen en te kijken hoe ik erin stond.
Mijn stuk stond naast het grote verhaal van Joop, die ook al weer dood is. Om het te vieren zijn we toen bij de Chinees gaan eten. We zijn toen dronken geworden.
Ik begon iets te worden.
Het ging steeds beter; steeds meer stukken verschenen er in de krant. Weet je nog die keer dat ik de voorpagina haalde?
We kwamen met de raarste mensen in aanraking. Ik mocht naar het buitenland. Ik mocht steeds aardiger en belangrijker mensen spreken; en we werden uitgenodigd op feesten waar allemaal Beroemde Mensen waren. We waren trots. Sommigen herkenden mij.
Was ik al iets?
Ik werd ouder, belangrijker. Zeker. Her en der werd mijn mening gevraagd; ook naar aanleiding van de boeken die ik schreef. Het bleek dat mijn mening geld waard was; hoe meer ik vroeg, hoe meer ik werd gevraagd.
Is het daar gebeurd?
Toen ik werd gezien als 'iets’?
Ik sprak met iedereen, reisde de wereld over, schreef verhalen en boeken en af en toe een gedicht. Sommigen zeiden dat ik een schrijver was. Anderen noemden mij een dichter.
Ik verdiende behoorlijk geld. We konden elke dag naar een restaurant - ik deed dat ook, maar jij niet, want je wilde niet mee.
Ik kreeg fantastische vrienden - wat ze deden kon ik ’s anderendaags lezen in de kranten en de weekbladen. Ze noemden mij af en toe.
Jij wilde nooit naar ze toe.
Ik werkte hard aan mijn schrijverschap en aan mijn dichterschap. Het ging steeds beter. Ik mocht op de televisie verschijnen en mijn mening, schat, werd steeds belangrijker. Ik mocht werkelijk over alles mijn opinie geven. Over het voetbal, over Derrida, over de Marokkaanse vrouw - alles tegen redelijke vergoeding.
Ik heb toen dat pak gekocht, weet je wel. Een mooi donkerblauw pak, want dat doet het altijd goed op de televisie.
Met een overhemd erbij dat ik ook overdag kan dragen. Dat overhemd kostte driehonderd gulden. Ik gaf een creditcard.
Hoe vond je me dat pak eigenlijk staan? Je hebt er nooit iets over gezegd. Heb ik er eigenlijk wel naar gevraagd? Je hebt destijds wel iets tegen me gezegd, dat weet ik.
Jij luisterde toen al niet meer. Of luisterde ik niet meer?
Las je me nog?
'Dag vreemde’, zei je onlangs.
Ik lachte me rot. Vreemde… jij weet altijd van die leuke opmerkingen te maken. 'Dag vreemde…’
Achteraf moet ik misschien blij zijn met het feit dat je nog iets tegen me zei. Ik kon helaas niet verder met je praten want ik moest weg. Eerst naar de radio, toen naar de televisie, toen naar de regisseur, toen naar de uitgever.
Maar je had iets tegen me gezegd…
Daar hield je ook mee op.
En toen - opeens - dat gesprek laatst.
'Vroeger was ik niets’, zei ik. Ik zei het zomaar.
'Vroeger was je leuk’, zei je.
'Nu ben ik iets’, zei ik.
'Ja, je bent nu iets’, zei je, en je borg een liefdesbrief op die niet van mij was.
'Van wie is dat?’ vroeg ik.
'Hij is niets’, zei je.