geletterde vrouwen en moederschap

Nu ben je nooit meer alleen

Ze vroeg zich af waarom ze een passie zou omhelzen die voorgeschreven is. En wist dat het geen toeval is dat geletterde vrouwen vaak geen kinderen hebben. Tot het wonder geschiedde, en ook haar ik definitief een wij werd.

Ik zat in een café en vertelde een vriendin dat ik een kind zou krijgen. Ze kreeg tranen in haar ogen, omhelsde me en zei: ‘Nu ben je nooit meer alleen.’ De zwangerschap was nog pril, ik had er nog niet met zo veel mensen over gesproken, maar als ik dat deed, was de reactie telkens hetzelfde. Vochtige ogen, ontroering, de opmerking – vooral van vrouwen die al moeder waren – dat het leven vanaf nu volledig anders zou zijn. Die opmerking van die vriendin, ik vond die net als de meeste andere reacties nogal sentimenteel.
Ik wist, als je een kind gaat krijgen, liggen de emoties al vast. Voordat je het gaat meemaken weet je al wat je zult gaan voelen, wat je moet voelen. Zwangerschap: in blijde verwachting zijn. Geboorte: de meest ingrijpende gebeurtenis van je leven. Kind aan de borst leggen: hoogtepunt van intimiteit. Opgroeien: het grootste wonder dat er is. Eerste stapjes: wankel. Levensvervulling: zie kinderen. Flaubert had er wel raad mee geweten als hij een woordenboek van gemeenplaatsen over moeders en kinderen had moeten samenstellen. Zorgen voor kinderen heeft weinig maatschappelijke status – de troostprijs die je voor je slapeloze nachten, gedraaf en geredder krijgt uitgereikt, is de overtuiging dat je leven zo zin krijgt, dat er iets is dat belangrijker is dan je zelf bent en dat je daardoor verlost wordt van je narcistische muizenissen. Dat de liefde voor je kind al je andere liefdes zal overtreffen, dat je in bezit wordt genomen door een hartstochtelijke genegenheid die je nooit meer los zal laten. Maar waarom zou je genoegen nemen met een troostprijs, heb ik me altijd afgevraagd. Waarom een passie omhelzen die voorgeschreven is? Een passie koesteren die volgens velen een natuurwet is? Waarom niet voor een andere levensvervulling gekozen, eentje die eigenzinniger is.

Het was geen toeval dat de geletterde vrouwen, van wie ik de levensverhalen kende en met wie ik me altijd had geïdentificeerd, vaak geen kinderen hadden. Ze waren een ik en geen wij. Het leven van de geest leek het leven van het vlees – en wat is er lichamelijker dan het moederschap? – uit te sluiten. Simone de Beauvoir, Marguerite Duras, Hannah Arendt, Virginia Woolf, Marguerite Yourcenar, Djuna Barnes, ze waren, zoals de katholieken het vroeger genadeloos zeiden, ‘ongebruikt retour’ gegaan. ‘Boeken nalaten’, zei Marguerite Yourcenar ooit, ‘is mooier – er zijn veel te veel kinderen.’ Virginia Woolf drukte zich behoedzamer, maar niet minder overtuigend uit: ‘De wereld zou, misschien, aanzienlijk armer zijn als de grote schrijvers hun boeken hadden ingewisseld voor kinderen van vlees en bloed.’ Zo zagen meer schrijfsters het, hun boeken waren hun alternatieve kinderen, denken en schrijven gaven net zo goed zin aan het leven.

En toen kreeg ik, vrij laat en tamelijk onverwacht, zelf een kind en betrad ik een andere wereld, al tijdens de zwangerschap. Overal in de stad zag ik vrouwen met zwangere buiken lopen. Ik begon een blik te werpen in elke kinderwagen die ik op straat passeerde en kon dan een glimlach niet onderdrukken. Ik zag dingen die ik nooit had opgemerkt. De stad leek alleen nog door baby’s en kleine kinderen bevolkt – op hoeveel fietsen was er niet een kinderzitje geschroefd? Ik heb een hekel aan kleren kopen voor mezelf, maar babykleren, dat was iets anders. Nooit gedacht dat ik in de Hema vertederd voor de rekken met babytruitjes en -broekjes zou staan. Nooit geweten trouwens dat de Hema babykleertjes verkocht. Nooit voorzien dat ik met zo veel liefde een wiegje in elkaar zou zetten.

Het zijn allemaal nogal triviale voorbeelden van de veranderde blik op de wereld, maar toen ik de boeken van denkende moeders begon te lezen – en wat zijn daar veel van, de laatste jaren lijkt er sprake van een nieuw genre – leerde ik dat zij allemaal het moederschap als de intrede in een nieuw land beschouwden. In het land van de moeders heet het boek van de Engelse schrijfster Rachel Cusk over de ontstellend nieuwe ervaring van het leven met een kind. De Ierse schrijfster Anne Enright gebruikt het beeld van een glazen wand: aan de ene kant zitten vrouwen met baby’s, aan de andere, de hare, gewoon vrouwen. Ze schrijft: ‘Het leek me uitgesloten dat ik ooit door die wand heen zou breken – ik kon me niet voorstellen hoe het daar was. Ik zag alleen maar verstrooide reflecties van mezelf, met aan de andere kant echte vrouwen, heel traag bewegend, als van verre geobserveerde walvissen.’

De schrijfsters kennen de pasklare emoties als het om het moederschap gaat, en ze komen er achter, als het kind er eenmaal is, dat de praktijk anders is dan ze zich hadden voorgesteld. Niet dat ze er spijt van hebben, niet dat de liefde voor de nieuwgeborene niet overweldigend is, maar ze ervaren hoe ingrijpend het is om van ik wij te worden. Ze zijn hun hele leven – nu ja, dertig, vijfendertig, veertig jaar – gewend geweest alleen verantwoordelijk te zijn voor zichzelf. Zodra de baby er is, is het duidelijk dat het gedaan is met je bewegingsvrijheid; de minimensjes kunnen nog niets, maar ze weten heel goed hoe ze je, met hun gehuil, hun eerste lachjes, hun dierlijke noden, volledig moeten opeisen. En, veel belangrijker, de sterke liefde voor je kind maakt je kwetsbaarder dan je ooit bent geweest. Het verantwoordelijkheidsgevoel is, juist omdat het niet alleen jezelf betreft, verpletterend. Vanaf de eerste dag is er angst, voor gevaren die overal loeren, voor wat er mis kan gaan.

Het moederschap is niet alleen praktisch en emotioneel maar ook filosofisch ingrijpend. Toen ik zwanger was, moest ik vanzelf denken aan de ideeën die Frans Kellendonk in Mystiek lichaam ontvouwt. In zijn controversiële cultuurkritische roman plaatst hij de existentiële eenzaamheid van de moderne, kinderloze mens tegenover de gemeenschap, waarmee hij het niet over een of ander communitaristisch politiek ideaal had, maar over de samenleving die wordt gebouwd door de liefde en de vruchten daarvan. Lang was ik als Kellendonks personage Broer en als zo veel mensen in deze tijd iemand die zich aan de voortplanting onttrok en seks bedreef als een vorm van vakantie. Vrijaf van het leven en daardoor nutteloos voor het leven. Liefdesrelaties, hoe diepgaand ook, dienden enkel en alleen zichzelf, met als gevolg dat ze geen toekomst hadden, althans, ze strekten zich vooral uit in het hier en nu, dat best tot morgen en overmorgen kon duren, of tot volgend jaar, maar het ging hoe dan ook om een tijdspanne die niet verder ging dan ik zelf. Nu ik een kind ging krijgen, werd ik als de zus van Broer, Prul, ‘moeder modder, mater materia, heerseres over het rijk van geboorte, copulatie en dood’. Door een kind word je opgenomen in de geschiedenis van het vlees, word je een kraaltje in de eindeloze ketting van generaties, maak je deel uit van het haast sacrale mystieke lichaam.

Nu ik moeder ben, moet ik vaak aan dat zinnetje van die vriendin denken. Ik vind het niet meer sentimenteel. Ik vind dat het precies uitdrukt wat het moederschap betekent. Nu ben je nooit meer alleen – als je de geschriften van denkende moeders leest, besef je dat zij dat allemaal ervaren. Nooit meer alleen zijn, het is geruststellend en beangstigend, veilig en claustrofobisch tegelijk. Het brengt geluk én wanhoop met zich mee. Het roept liefde én woede op. Woede dat je, zoals het heet, niet meer ‘aan jezelf toekomt’.

Nooit meer alleen zijn geeft ook aan hoe symbiotisch de band tussen moeder en kind is. Wat je van een klein kind weet, is vooral zintuiglijk, lichamelijk. Je verslindt het met je ogen, kent elke huidplooi in z’n nek en benen, de zachte sluike haartjes op z’n achterhoofd, de kuiltjes in de kussentjes van z’n handen, onder z’n vingers, op de plek waar later z’n knokkels te zien zullen zijn, z’n lippen, oorschelpen, de wenkbrauwen die zich nog maar vaag aftekenen. Als je het in je armen neemt, is het bijna onderdeel van je eigen lichaam, hij past naadloos, als hij met z’n kin op een van je schouders rust, z’n buik tegen je borst, een arm onder z’n bovenbenen, een hand op z’n rug. Soms is het alsof je geen verschil voelt tussen hem en jezelf, zo kun je versmelten.

Het doet denken aan het bolvormige wezen met vier armen en vier benen waarover Aristofanes spreekt in Plato’s Symposium. De goden hebben dat wezen, dat zichzelf genoeg was, gesplitst en tot mens gemaakt. Sindsdien zijn we verlangend op zoek naar onze wederhelft, met wie we weer volledig, heel zijn.

Aristofanes zegt het niet, maar moeder en kind vormen samen dat bolvormige wezen, niet alleen als de baby zich nog in de bolle buik bevindt, maar ook daarna. Als moeder weet je van begin af aan dat de splitsing onvermijdelijk is, dat je je kind moet opvoeden tot zelfstandigheid. Maar de ooit ervaren heelheid blijft jeuken, de verbondenheid blijft. Als je kind al lang en breed volwassen is, en al woont het decennia op zichzelf, je zult blijven voelen dat je niet alleen bent, dat jouw leven zich voortzet in dat andere leven.