Nu even niet

Ik wil niet weten wie er vandaag de straat op gaat en of ik er begrip voor moet hebben of dat mijn bloed moet koken. Ik wil het hier en nu wegfilteren.

Ik probeer iets af te maken en daarom wil ik het allemaal niet zien en niet horen. Ik wil het niet weten, wat er nu nu nu gebeurt, ik probeer me iets te herinneren, ik probeer me iets heel precies te herinneren, alsof dat überhaupt mogelijk is, en ik wil niet weten wie vandaag wat heeft gezegd en hoe verschrikkelijk dom het was. Ik wil niet weten wie er vandaag de straat op gaat en of ik er begrip voor moet hebben omdat het jonge vaders zijn die ook gewoon een uitlaatklep nodig hebben of dat mijn bloed moet koken omdat het wezensvreemde elementen zijn waarop het leger moet worden afgestuurd.

Het is weer een ochtend en ik luister naar een gesprek met een dichteres. Om mezelf te kalmeren en om het hier en nu weg te filteren. Maar wanneer de dichteres iets zegt waar net te veel s- en i-klanken in zitten, zet de telefoon waarop ik het gesprek beluister de opname uit en zegt een mannenstem op gespeeld verbolgen toon: ‘Dat is niet aardig, zeg. Kan ik je misschien ergens anders mee helpen?’

Weg is de meanderende lijn van andermans gedachten.

Het is mijn eigen schuld, ik zou de functie moeten uitschakelen. Er zijn honderd redenen om het te doen, de meest voor de hand liggende is dat het ding dagelijks drie of vier keer reageert wanneer ik mijn dochter van tien maanden aanspreek op haar gedrag – gedrag dat, laten we eerlijk zijn, zelden of nooit door de beugel kan.

En toch begin ik meteen allerlei mensen te appen dat ik een theorie heb

Ik vertel mezelf dat ik nog niet in staat ben af te maken wat ik af moet maken. Nog niet in de juiste state of mind. In een boek van de dichteres lees ik hoe ze schrijft over de breekbaarheid van haar eigen concentratie. ‘It is a silver morning like any other. I am at my desk. Then the phone rings, someone raps at the door. I am deep in the machinerie of my wits. Reluctantly I rise, I answer the phone or I open the door. And the thought which I had in hand, or almost in hand, is gone.’

Het is weer een avond en ik probeer me te concentreren, maar iemand stuurt me een bericht door van Jesse Klaver, en de honderden reacties van mensen die hem ervan beschuldigen de holocaust te bagatelliseren omdat hij schreef dat er zes miljoen mensen waren omgebracht. Ik zie hoe Esther Voet zijn woorden verdraait en de boel verder ophitst.

Ik wil het niet meekrijgen. Ik wil niet horen dat Abdelkader Benali vijftien jaar geleden een antisemitische grap maakte en dat hij nu nu nu moet hangen. Ik wil niet eens weten dat er hier in de stad en in tientallen andere steden gereld wordt door mensen die zich vervelen, door mensen die boos zijn, door mensen die zijn opgehitst door dezelfde politici die de volgende dag muisstil zijn maar er twee dagen later weer luid schande van durven spreken zodra ze vreemd bloed hebben geroken.

En toch begin ik meteen allerlei mensen te appen dat ik een theorie heb. Dat het allemaal komt door onze extreem oppervlakkige relatie met onze nationale geschiedenis, waarin alleen de Tweede Wereldoorlog echt tot de verbeelding spreekt. Dat bij elk bericht over een avondklok, in Spanje, in Italië, in Parijs, er door de elkaar nababbelende klasse werd geroepen: dat zou in Nederland niet kunnen, associaties met de Tweede Wereldoorlog, begrijpt u wel. Spertijd. Veelbetekenende blikken erbij en alles. Dat er in feite helemaal niet over de avondklok is gesproken, alleen over de onacceptabele inperking van onze vrijheid zoals onder het juk van de Duitsers. Dat er een jaar lang is weggekeken van de mogelijke noodzaak van een maatregel die misschien te zwaar is, die misschien ineffectief is of die van een gebrek aan heldere prioriteiten getuigt, maar die niets met de Tweede Wereldoorlog te maken heeft en alles met een reële bedreiging nu. Dat er niet over gesproken is anders dan in chauvinistische dog whistles. On-Nederlands, nog zo’n woord. En als je een heel jaar lang zulke dingen hebt gehoord, dan begint een verzetje opeens op het verzet te lijken.

Ik wil hier helemaal niet over nadenken. Mijn eigen onzinnige theorietjes van de koude grond. Maar ik heb mezelf de afgelopen tien jaar vrijwillig laten africhten door de vogelapp en nu moet ik op de blaren zitten.

Afmaken moet ik het. Iedere dag een paar alinea’s, dat is voldoende. Maar ik ben niet in de juiste stemming. Ik ben te onrustig. Ik lees de dichteres, zij is erin geslaagd de wereld buiten te sluiten, zo lijkt het. Het is zes uur ’s morgens en ze schrijft, ze is afwezig in de echte wereld. ‘The tire goes flat, the tooth falls out, there will be a hundred meals without mustard. The poem gets written. I have wrestled with the angel and I am stained with light and I have no shame.’

Haar loyaliteit ligt bij haar binnenblik, hoe en wanneer deze zich ook aandient. Als ik een afspraak met je heb om drie uur, schrijft ze, deel dan in mijn vreugde wanneer ik te laat ben. En als ik niet kom opdagen, deel dan alsjeblieft in de nog grotere vreugde. Er is, schrijft ze, geen beklagenswaardiger slag mensen op deze aarde dan zij die een scheppingsdrang ervaren maar hem onbeantwoord laten.