Nu het verhaal van de wereld verandert

Wie sciencefiction leest of kijkt, vindt behalve troost ook inspiratie. We kunnen scifi gebruiken voor het uitdenken van nieuw, baanbrekend beleid.

De afgelopen wekenheb ik een paar keer de vraag gekregen of het niet raar is om mee te maken dat je eigen sciencefictionverhaal opeens bewaarheid blijkt te worden. Nu zijn er bij die vraag wel een aantal kanttekeningen te plaatsen. Mijn debuutroman Concept M kwam uit in 2018 en gaat over het jaar 2020, waarin een mysterieuze ziekte ruim de helft van de Europese bevolking treft.

Tot zover de overeenkomsten tussen boek en realiteit – ik ben geen Nostradamus. Mijn roman gaat over een genetische afwijking die tientallen jaren nodig heeft om de helft van de bevolking te bereiken, wij leven in een pandemie die zich razendsnel ontwikkelt. Covid-19 is ook een stuk minder ongrijpbaar dan kleurloosheid (de ziekte in mijn verhaal): het is een griepvirus. Nieuw, maar tegelijkertijd geen onverwacht bezoek.

Deze tijd is naar mijn idee voor mij wel minder bevreemdend dan voor veel anderen. Dat komt niet door mijn niet-bestaande voorspellende gaven, maar – denk ik – vooral omdat ik me als sciencefictionauteur op bijna dagelijkse basis probeer voor te stellen hoe onze wereld zou kunnen veranderen door één ingrijpende gebeurtenis. In het geval van Concept M is dat een ziekte, en daarin ben ik verre van origineel. De vraag wat een allesverwoestende ziekte zou kunnen betekenen voor de mens is voer voor menig postapocalyptisch verhaal, en leidt in die verhalen niet zelden tot grootschalige ontwrichting of zelfs vernietiging van de beschaafde maatschappij die we kennen.

In de roman De stad der blinden van de Portugese Nobelprijswinnaar José Saramago bijvoorbeeld, worden de inwoners van Lissabon plotseling blind door een onverklaarbaar verschijnsel dat het meest lijkt op een besmettelijke ziekte. In het oude ziekenhuis waar de blinden in quarantaine worden gezet spelen zich verschrikkelijke taferelen af die de vraag of de mens van nature goed of slecht is op scherp zetten.

In het speculeren over een mogelijke toekomst gaat veel sciencefiction uit van één ingrijpende gebeurtenis die alles op losse schroeven zet. In Star Trek is het de kennismaking met andere levensvormen, in de Terminator-films is het een verwoestende oorlog, in mijn eigen roman is het een genetische afwijking die plots opduikt. Sciencefiction waarin de wereld die we kennen maar zo’n beetje voortkabbelt bestaat ook, maar is zeldzamer – en vaak gaat het ook in die verhalen uiteindelijk over ontwrichtende dilemma’s. Neem de film Her van Spike Jonze (2013) waarin een man verliefd wordt op het pratende besturingssysteem van zijn computer, een soort vergevorderde vorm van Siri of Alexa, de computers waar wij vandaag de dag al mee in gesprek gaan. De wereld van Her lijkt in de meeste opzichten op de onze, alleen de technologische vooruitgang is een significante (maar goedaardige) verandering. De film is zachtmoedig, maar gaat wel degelijk over belangrijke politieke dilemma’s. Want in hoeverre kan artificiële intelligentie beschouwd worden als een levensvorm, en – in het verlengde daarvan – op welk moment kan ze beschouwd worden als politieke actor?

Ik lees de afgelopen weken op sociale media dat veel mensen intens dromen, heftiger en langer dan ze gewend zijn. Ook ik ben de eerste weken van de quarantaine badend in het zweet wakker geworden, terwijl zich in mijn hoofd nog allerlei complexe verhaallijnen voortsleepten. Wanneer we dromen, verwerken we wat we overdag zijn tegengekomen, en hoewel we fysiek weinig prikkels meer krijgen, is er mentaal een heel nieuwe wereld om te processen. De pandemie waarin we leven heeft de gave die slechts weinig gebeurtenissen hebben: ze heeft onze tijdlijn direct in twee stukken gehakt: de periode van ervoor, en een periode van erna. Ons collectieve bewustzijn is met één flinke windvlaag opgetild en een heel eind verder weer neergesmakt. Het is macht waar menig revolutionair alleen van kan dromen.

Een van de eerste keren dat het narratief van één globale ontwrichtende gebeurtenis werd uitgerold was door H.G. Wells in zijn The War of the Worlds, dat ook wel het eerste sciencefictionboek wordt genoemd. In zijn roman uit 1898 landen er aliens op aarde, niet geheel toevallig ergens in ruraal Engeland, nabij Londen. De aliens – een slijmerige levensvorm die zich voortbeweegt door middel van enorme bestuurbare robotvoertuigen met lange steltbenen – roeien direct al het leven in hun omgeving uit door middel van een soort verschroeiende laserstralen. Uiteindelijk sterven de aliens net zo snel als dat ze verschenen, geveld door alle aardse virussen waar ze als buitenaardse levensvorm geen antistoffen tegen hebben.

De roman is opgesteld in een zakelijke, bijna journalistiek aandoende stijl, en leest daardoor haast als een handboek voor buitenaardse invasies, een mogelijk rampenscenario zoals die in war rooms klaarliggen. Toen ik de roman voor het eerst las vroeg ik me dan ook af of het in eerste instantie bedoeld was als literair werk, of eerder als een nieuw soort journalistieke fictie. Hoe dan ook: het is een monumentaal boek, een landmark in de geschiedenis van de literatuur en de sciencefiction, en een verademing: wat een enorme fantasie en realiteitszin tegelijk.

Als scifi-auteur voel ik me minder machteloos in deze crisis. Het uitdenken van doemscenario’s is wat ik doe

Die laatste twee dingen, fantasie en realiteitszin, zijn in mijn optiek cruciaal voor sciencefiction. Als scifi-auteur trek je een onmogelijk grote jas aan: je probeert te voorspellen wat er gebeurt wanneer je als een soort god aan een paar knoppen draait en het verhaal van de wereld verandert. Het is zoals mijn economieleraar me in de vierde klas van het gymnasium ooit uitlegde: een econoom is een soort waarzegger: hij of zij probeert zo goed mogelijk te voorspellen wat er bij kleine veranderingen zal gebeuren met de economie. En dat voorspellen dient in sciencefiction op werkelijk élk mogelijk vlak te gebeuren: op economisch, politiek, maatschappelijk, technologisch, individueel en sociaal gebied. Het is onmogelijk om dat accuraat te doen, omdat geen enkele auteur over genoeg kennis beschikt over al die vakgebieden. Dat maakt het vak van sciencefictionmaker een koorddans-act en soms een icarus-onderneming, maar ook het grootste avontuur dat het leven van een maker te bieden heeft.

Het zorgt er ook voor dat ik me minder machteloos voel in deze crisis. Het uitdenken van doemscenario’s is wat ik doe.

Sciencefiction en speculatieve fictie (de term die we gebruiken voor verhalen die niet zozeer in de toekomst spelen, maar in een alternatieve werkelijkheid die lijkt op de onze) creëren ruimte om grote ethische dilemma’s uit te rollen en te speculeren over verschillende oplossingen en uitkomsten. Scifi is een van de weinige gebieden waar je als lezer/kijker constant geconfronteerd wordt met politieke vraagstukken zonder dat je er direct een mening over paraat hoeft te hebben. Het is daarmee een genre dat ademruimte biedt aan politiek denken, omdat het ontsnapt aan de hectiek van Twitter en nieuwsrubrieken. Als lezer/kijker kun je zo lang als je wil de tijd nemen om je standpunt te bepalen, zonder dat je direct in een hokje wordt gepropt. Links/rechts, goed/fout, ze bestaan in sciencefiction natuurlijk ook, maar nemen elke denkbare kleur aan.

Daarnaast dient scifi niet alleen om te waarschuwen of om te voorspellen hoe de wereld zich zal handhaven na ingrijpende gebeurtenissen, het doet ook wat in de dagelijkse politieke realiteit niet mogelijk is: voorbij de horizon kijken naar alternatieven. Is er een ander systeem mogelijk dan de neoliberale realiteit waarin we functioneren? Sinds de uitbraak van Covid-19 ligt die vraag opeens op ieders tong, terwijl je tot voor kort direct werd weggezet als delusional marxist wanneer je je serieus met dit vraagstuk bezighield. Nu wordt er overal gespeculeerd wat er gebeurt wanneer het nog een jaar duurt voordat het eerste vaccin beschikbaar is en overheden de markten in de tussentijd niet langer overeind kunnen houden door middel van kapitaalinjecties. Het failliet van het systeem lijkt opeens niet langer een morele metafoor, maar een mogelijke realiteit. Daar is welbeschouwd niet veel voor nodig geweest.

Maar wat komt er na de rampspoed? Ons systeem is dusdanig ingericht dat het alles op alles zal zetten om terug te bewegen naar hoe het was. Maar als deze crisis ons iets positiefs te bieden heeft, dan is het politiek momentum, dus dit lijkt juist het moment om na te denken over nieuwe systemen. Sciencefiction is bij uitstek het genre dat zich al decennia (misschien wel eeuwen) afvraagt of een andere politiek mogelijk is. Dat doet ze door voorbij te gaan aan die vraag, en concrete nieuwe politieke realiteiten te schetsen. Neem Thea Beckman, die in haar Moeder Aarde-trilogie een wereld schetst waarin vrouwen de dienst uitmaken en gevangenisstraffen niet langer bestaan. Of Star Trek, de serie waarin talloze planeten tot leven worden gebracht waarop de meest uiteenlopende wezens op eveneens uiteenlopende wijzen samenlevingen hebben ingericht. Elk van die planeten biedt de scenarioschrijvers (en dus de kijker) de mogelijkheid om ethische dilemma’s uit te spelen, nieuwe wetgeving uit te proberen, en concrete voorstellen tot het verbeteren van de wereld die wij kennen te doen.

In Dear Doctor, een aflevering van Star Trek: Enterprise uit 2002, stuit een ruimteschip op een planeet waar een groep bewoners langzaam uitsterft vanwege een ziekte. De wetenschappers aan boord van het ruimteschip (de Enterprise) staan voor een onmogelijk dilemma. Hun technologische voorsprong maakt het mogelijk om de ziekte te genezen, maar wanneer ze dat doen gaat dat onherroepelijk ten koste van andere levensvormen op dezelfde planeet. Het hoofd van de medische dienst, Doctor Phlox, verzucht dat hij zou willen dat er een soort universeel grondbeginsel zou zijn dat ons vertelt hoe we het beste met andere levensvormen en hun ziektes kunnen omgaan. In latere series van Star Trek blijkt dat de verzuchting van Dr. Phlox de eerste stap was in de voor Star Trek zo kenmerkende prime directive, een richtlijn die voorziet in contacten met nieuwe levensvormen. De prime directive stelt dat men elkaars evolutionaire proces in beginsel niet mag storen.

Of die prime directive ook echt werkbaar is, dat is een vraag die in alle andere seizoenen van Star Trek uitgebreid aan de orde komt. Dit is precies waar we sciencefiction nu voor kunnen gebruiken: het uitdenken en uittesten van nieuw, baanbrekend beleid, waar na deze crisis behoefte aan zal zijn. Het creëren van draagvlak voor een andere manier van leven.

Tot slot is sciencefiction juist in deze tijden een eindeloze bron van inspiratie en troost. Het tegenovergestelde effect van ‘het gras is altijd groener bij de buren’ is namelijk ook waar: hoe heftig de ramp ook is, ergens anders is het altijd erger. Onze Covid-19 is een milde neusverkoudheid in vergelijking bij de pandemieën die in Star Trek hele alienrassen uitmoorden. En mocht er ooit buitenaards leven bij ons aankloppen, dan is de kans groot dat die minder moordlustig zijn dan de aliens uit The War of the Worlds. Consumeer genoeg sciencefiction en je realiseert je dat het allemaal nog veel erger had kunnen zijn.

Kortom: mocht je je tijdens het thuiszitten vervelen: zwengel dan gerust een oud seizoen Star Trek aan. Ik garandeer je dat je er een wijzer mens van wordt, en het is nog leuk ook.


Aafke Romeijn is muzikant, journalist en schrijver van de roman Concept M en de dichtbundel Leegstand