‘nu hoor ik ergens thuis en ben ik niet meer alleen’ larbaud in 1934

Valery Larbaud, A. O. Barnabooth. Dagboek van een miljardair. Vertaling: Paul de Bruin, uitgeverij Ambo, 240 blz., f39,90
JEAN COCTEAU noemde hem een ‘geheim agent van de letteren’ en inderdaad was Valery Larbaud (1881-1957) iemand met een goede neus voor kwaliteit die auteurs als Butler, Faulkner, Svevo en Joyce voor het Franse lezerspubliek ontdekte en toegankelijk maakte; zo was hij bijvoorbeeld nauw betrokken bij de vertaling van Finnegans Wake. Van de genoemde auteurs moet Larbaud zichzelf nog het meest herkend hebben in Zeno van Svevo. De roman Fermina Marquez (1926), het enige werk dat van hem ooit is vertaald, door du Perron, een bewonderaar van Larbaud, en in 1978 herdrukt, een ironisch, sprookjesachtig verhaal over een Zuidamerikaanse in een chic pensionaat, kan als een late loot van het symbolisme worden gezien. In elk geval nam Larbaud van meet af aan afstand van de sociologisch georienteerde roman die met zijn sociale en psychologische beschrijvingen en motiveringen lange tijd de Franse roman heeft bepaald.

Misschien is ook het vroege werk, dat Larbaud tot op heden beroemd heeft gemaakt, A. O. Barnabooth, son journal intime, dat nu dan na tachtig jaar is vertaald met de wat al te nadrukkelijke ondertitel ‘Dagboek van een miljardair’, in de eerste plaats gericht tegen een plat soort naturalisme. In de roman uit zich dat in het verweer van de puissant rijke Barnabooth tegen alle cliches van de rijke klaploper en leeghoofd - nee, hij zal bewijzen dat een mens zich van zijn afkomst kan losmaken en dat een rijk innerlijk leven veel belangrijker is dan aanzien en bezit: 'Stel je voor: een miljardair die het zich permitteert er gedachten op na te houden!’
In 1908 was Barnabooth een onbekende dichter, een Rijke Amateur, zoals het in de titel van een bundel 'modernistische’ gedichten heette; modernistisch wilde zeggen dat in de gedichten de lof werd gezongen van pakketboten, luxe treinen en kosmopolitische paleizen. Toen in 1913 van deze Zuidamerikaan in Frankrijk het verzameld werk verscheen, tekende daarvoor Larbaud als auteur, zoals Queneau dat later met het Verzameld Werk van Sally Mara zou doen. Ik heb er geen enkele aanwijzing voor, maar ik acht het niet denkbeeldig dat Larbaud de dagboekanier van zijn jeugdwerk, waaraan hij al in 1904 in Napels begon, heeft ontworpen als antipode van Mijnheer Teste, de hoofpersoon in het jeugdwerk van Paul Valery. Als Teste de droom van een zuiver bewustzijn najaagt, dan heeft Barnabooth dat streven met hem gemeen voor zover hij zijn eigen persoonlijkheid wil vormen onafhankelijk van zijn afkomst en invloeden van buitenaf; maar na het ene jaar dat Barnabooth van dit avontuur van de geest verslag doet, geeft hij het al op: 'Ik zie ervan af de Himalaja te beklimmen, die ik in mijzelf voel. Ik wil hem eigenlijk ook niet meer voelen. Ik ga aan de kant van de weg zitten, juist waar het steil wordt.’
Barnabooth zegt ja tegen het leven en wenst nog slechts een vreedzaam, gerieflijk, teruggetrokken en studieus bestaan; Teste blijft een held van de geest, zoals blijkt uit de latere fragmenten die Valery aan hem heeft gewijd. Wat Barnabooth op het eind, wanneer hij trouwt en Europa verlaat, de wijsheid noemt die hij met het verlies van zijn wilde haren heeft verworven, kan evengoed het begin van zijn intellectuele einde hebben betekend. Als Larbaud al een vervolg overwogen heeft, dan is dat door het lot verijdeld; in 1936 raakte hij door een beroerte verlamd en was tot zijn dood in 1957 gedoemd tot zwijgen.
BARNABOOTH IS een hoofdpersoon die onvermijdelijk de vraag oproept hoe het hem verder is vergaan, dat is een kenmerk van zijn type, dat bovendien uitnodigt tot vergelijkingen met soortgenoten. Ik noemde Mijnheer Teste, onwillekeurig doet hij aan Ulrich in De man zonder eigenschappen denken en aan andere 'experimentelen’ als Meneer Cogito van Zbigniew Herbert, Marcovaldi en Palomar van Italo Calvino of Monsieur Songe van Robert Pinget, stuk voor stuk bespiegelende naturen, proefpersonen die de schrijver in allerlei situaties test maar evengoed ook proefpersonen voor zichzelf: ze stellen zichzelf op de proef om te zien hoezeer ze hun bestaan naar eigen inzicht kunnen inrichten, om te beginnen door vragen te stellen en voor eigen rekening te denken. Het leven van de jonge miljardair bestaat uit oefeningen in helder zien, zoals hij dat in het begin van zijn dagboek formuleert wanneer hij in een gemoedscrisis besluit om na jaren van gedweep met adel en hogere kringen nog alleen op zelfkennis uit te zijn, wat in eerste instantie neerkomt op zelfverachting en niets ontziende zelfontleding, althans naar eigen zeggen. Maar wat Mijnheer Teste op eigen kracht doet, daarvoor heeft Barnabooth anderen nodig en dat tekent hem.
Barnabooth heeft, wanneer zijn logboek begint, al zijn onroerend goed verkocht en met meer dan tien miljoen pond sterling rente per jaar is hij vermoedelijk de rijkste man ter wereld, en als drieentwintigjarige zeker de jongste onder de miljardairs. Uit Duitsland arriveert hij in Florence en het eerste Cahier begint hij aldus: 'Ik ben nu bijna vier uur in deze merkwaardige Amerikaanse stad, gebouwd in Italiaanse renaissancestijl, en met te veel Duitsers.’ Dit soort relativerende opmerkingen over het toeristische Italie - we schrijven het eerste decennium van deze eeuw - vormen krenten in de pap van het dagboek: Florence en Venetie heten provincieplaatsen en de Fransen blijken Italiaanser dan de op geld beluste Italianen; en al even genadeloos haalt Barnabooth uit naar de leden van zijn kaste, de bourgeoisie en in het bijzonder de koopman-koning: 'mijn gelijken, de koningen - van de asbest, van de petrolie’. Daarentegen benijdt hij de adel - zijn eigen titel heeft hij gekocht - en idealiseert hij het Volk zoals hij ook Europa hoog heeft zitten.
DIT IS ZIJN eerste reis als vrij man, schrijft hij, omdat hij zich heeft losgemaakt van zijn sociale verplichtingen en ontsnapt is 'aan de kaste waarin het lot mij wilde opbergen’. Aan inzicht ontbreekt het hem niet wanneer hij vaststelt dat mensen als hij denken hun karakter te ontleden maar in werkelijkheid uit van alles en nog wat een romanpersonage samenstellen; de eigenschappen die hij heeft zijn geleende. Daarvan levert hij het ene bewijs na het andere. Barnabooth teert op zijn vrienden, onder wie een Ierse estheet, een Franse bonvivant en een Russische prins de belangrijksten zijn. Dank zij zijn vermogen tot imiteren vereenzelvigt hij zich telkens met hun ideeen en levenshouding tot hij ontdekt dat er achter hun karakter een andere persoon schuilgaat. De vrouwenjager blijkt last van zijn geweten te hebben en keert tenslotte naar zijn eigen vrouw terug; de gevierde kunstcriticus ziet de ijdelheid van alles in; de jeugdvriend in Rusland, die Kharzan van patriottische tirannen heeft gezuiverd, blijkt een gelovige te zijn geworden met een adellijke elitetheorie. In elke vriend oefent Barnabooth zich in een andere levenshouding om uiteindelijk te besluiten een nieuw leven te beginnen, voor zichzelf en door zichzelf, niet langer door anderen gestuurd. Hij wil rustig in een gerieflijk huis leven, zich in niets onderscheidend van de zwijgende meerderheid. Zo eindigt zijn crisis. Als een burgerman in spe laat hij de stuiptrekkingen van de adolescentie achter zich en daarmee ook de idealen die hij kort tevoren nog zo hevig koesterde, smachtend naar het absolute, zoals hij het noemde.
ALS DEZE laatpuberale crisis niet als een grote farce is bedoeld, weet ik het niet; serieus kun je Barnabooths hoogdravende gedachtenvluchten en pathetische zielepijn moeilijk nemen met uitspraken als: 'O, ik wil de geweldige activiteit van het kwaad nastreven’, of: 'Nog nooit hadden mijn zelfverachting, de afkeer van en de schaamte over mijn verleden, mijn onmacht ten aanzien van de toekomst en de leegte van mijn leven mij zo wreed gekweld’ - woorden, woorden, woorden. Maar, wat schrijft deze gekwelde ziel nog geen halve pagina na deze laatste declamatie: 'Geveinsde gevoelens, de laatste sporen van de ondankbare leeftijd. (…) De jongeman die die bladzijden had geschreven, was ik al niet meer.’
Het is maar de vraag of met deze satire op de jeugdige hybris niet tevens een cynisch commentaar is bedoeld op elke vorm van idealisme. Kiezen immers niet alle personages uiteindelijk, sadder and wiser, voor het klein geluk, al neemt dat niet altijd de ridicule vorm aan van een Barnabooth die bij het zien van de schouders van een jonge vrouw onvermijdelijk droomt van het stichten van een gezin; de vrouwen in het boek blijven wel zichzelf, misschien omdat ze geen hogere pretenties koesteren. Ook in Larbauds dagboekroman speelt het grote thema van de literatuur in de eerste helft van deze eeuw: het conflict in de mens tussen sociale persoon en individueel bestaan.
Interessanter dan deze globale typering is te zien hoe Larbaud dat thema benadert. Met zijn dagboekvorm probeert hij hetzelfde te doen als wat anderen met de inwendige monoloog beoogden - de beweging van denken en voelen tot uitdrukking te brengen en innerlijke verandering uit te beelden - maar het resultaat is veel minder eendimensionaal. Behalve voor de registratie van handelingen en gemoedsgesteldheden dient het dagboek, wanneer Barnabooth het aan zijn Russische vriend laat lezen, als mogelijkheid om commentaar op zijn innerlijk leven te laten geven, en als de literaire dilettant het zelf herleest om achter zijn geschreven leven een punt te zetten, is het afgelopen met de puberale maskerade - en o ironie: door dat boek te laten uitgeven ontdoet hij zich ervan: 'het boek is af, ik begin’. En de lezer heeft mooi het nakijken.