Nu ik dit opschrijf

IJzersterk is Van Hassels scène met een reiger © Buiten-Beeld / HH

In haar zevende verhalenbundel richt Sanneke van Hassel zich opnieuw op het leven van ‘gewone’ mensen. Geen intellectuelen, geen benarde studenten, geen aankomende talenten met een probleem, geen gefnuikte ambities, geen cafétijgers met verborgen liefdesverdriet. Hollands realisme uit de buurt. Haar personages zie je zo voor je uitlopen, maar bedenk wel dat je op straat voor een ander net zo iemand bent. Van Hassel is haar eigen personages. De mythes van het gewone, daar werkt ze al jaren mee en in deze bundel laat ze – ik vind dat gelukkig – al te veel mededogen en empathie met haar figuren minder expliciet doorschemeren. Ze komt zelf de verhalen binnen, meer dan anders, ze laat al te grijs realisme zelfs varen, ze zet af en toe een geestige bril op (die miste ik in vorig werk) en dat maakt deze bundel indrukwekkender dan anders. Minder bewerend, meer tonend.

Neem het eerste verhaal. De ik, een bezorgde schrijfster, maakt een kleine ruzie mee. Een paar jongens uit de buurt brengen per ongeluk een scooterrijder ten val. Er is schade, geen gewonden. Klein bier, maar toch. Direct springt de vertellende ik in een reflectieve modus die ik uit Van Hassels vorig werk niet kende. ‘Nu ik dit opschrijf denk ik: een Marokkaanse Nederlander, geen Marokkaan.’ Geestig, dat ‘nu ik dit opschrijf’, het probleem van schrijven aldus in vier woorden gevangen. Wat een onzin: ‘nu ik dit opschrijf’. Hoezo: ‘nu ik dit opschrijf’. Wat een rare zin. De absurditeit van schrijven, het geconstrueerde daarvan ineens zichtbaar gemaakt.

Stilistische kruldraaierij of intellectuele 'name dropping' is er bij Van Hassel niet bij

Vervolgens maakt de ik-verteller, de schrijfster dus, een probleem van het gebruik van de term ‘Marokkaan’. Want dat woord ‘(maakt) het niet makkelijker als je als schrijver losjes een personage wilt neerzetten’. Zo komt het schrijven zelf haar verhaal en haar bundel binnen. Niet nadrukkelijk, maar het werkt. Het maakt dit verhaal geestig, het wordt eerder een zelfanalyse dan de zoveelste beschouwing over hoe mensen in een buurt met elkaar omgaan. Ik bedoel: ze laat de mythes van zo’n kleine buurtkwestie zien, de rare (voor)oordelen die in elke beschrijving daarvan zitten, zonder dat het een essay wordt over de wereld als schiettent van visies. Echt geestig wordt Van Hassel als ze een buurvrouw zich ermee laat bemoeien. De ik beschrijft die buurvrouw in pakkende woorden: bietenrood geverfd haar, spreekt goed Nederlands dat hoorbaar is in het ‘bataljon scheldwoorden’ waarover ze beschikt. Ze is vaak laat thuis, er gaan geruchten over een nachtclub of een animeerbar. Maar direct daarachter een paar relativerende opmerkingen: ‘Misschien, dacht ik, werkt ze wel op het vliegveld of bijvoorbeeld in een sportschool die tot laat open was.’ Ik vond dit geestig. Geestig tot en met, ja werken op een vliegveld, of in een sportschool, dat kan natuurlijk ook.

Er zijn meer verhalen met een duidelijk aanwezige verteller. Bijvoorbeeld in: ‘Ik hoor het wel als we gaan inpakken’, over een echtpaar dat besluit ‘buiten’ te gaan wonen omdat het leven daar beter is. De ingrediënten uit dergelijke geschiedenissen zijn bekend, je ziet de ondergang al voor je, maar Van Hassel slaagt erin valkuilen te vermijden. ‘Ben en Anita vertelden enthousiast over het nieuwe huis, dat ze volledig gingen verbouwen.’ Het punt is dat dit verhaal wordt verteld door de buurvrouw van Ben en Anita. Ze ziet het allemaal met lede ogen aan, ze peinst erover, ze mist haar vrienden, al zijn het rare opscheppers die zelf limoncello maken en dat nog uitserveren ook. Even denk je dat de zoveelste satire over de middenklasse wordt gepresenteerd en de vertelster zeker met enig afgrijzen en ironie kijkt naar hoe verschrikkelijk het daar is in het nieuwe huis van Ben en Anita. Maar haar blik is niet misprijzend, ze kijkt niet op hen neer. Hier bereikt Van Hassel een hogere vorm van schrijfkunst. Steeds duidelijker wordt dat de vertelster zelf ook naar een ander leven verlangt. Dit gevoel van weerzin en verlangen zet Van Hassel ijzersterk en emotionerend neer in een scène met een reiger. ‘“Die wonen hier ook veel”, zei Anita. “Laatst zag ik er eentje een hele kikker verslinden. Hap, slik, weg.” De reiger draaide zijn kop een fractie opzij. Toen spreidde hij zijn vleugels uit en vloog met korte, krachtige slagen weg, hoog boven de bomen.’

Pijnlijk geestig is het verhaal ‘Zaal twee’, waarin de advocaat van de onverbeterlijke veelpleger Dicky zich met haar cliënt moet zien te redden. ‘Als ik Dicky nu te veel vertel, wordt hij onzeker en dan gaat hij juist rare dingen doen.’ We zitten in het hoofd van de advocaat, ze ziet en hoort hoe de verschrikkelijke Dicky steeds gehakt maakt van alle gemaakte afspraken en daar uiteindelijk toch mee wegkomt. Misverstand en onheil: de betere slapstick.

Van Hassel werkt met verhalen die zich in Rotterdam en omstreken afspelen. Het is fijn om eens een keer Rotterdamse straten en pleinen voorbij te zien komen. Ze zet realistische schrijfmiddelen in en ze brengt de ziel en het verlangen van ‘gewone’ mensen in beeld. Stilistische kruldraaierij of intellectuele name dropping is er bij haar niet bij, ze zoekt het in de woordloze stilte tussen de zinnen en de blikken. Je ziet vergelijkbare strategieën bij andere Rotterdamse schrijvers zoals Bianca Boer, Alex Boogers en Ernest van der Kwast. Laten we dit de Rotterdamse School noemen.