Nu is er niemand meer die jou behoedt voor het gevaar

‘We zijn ons hele leven bezig mens te worden’, zei de troostdichter in zijn troosthuisje.

Op jonge leeftijd worden knikkers en kraaltjes uit je handen gegrist, word je op tijd weggetrokken van tafelranden, kaarsen worden uitgeblazen, kokend water wordt op het aanrecht gehouden en eten wordt in verteerbare brokken geprakt. Nu is er niemand meer die die taak op zich neemt, jou behoedt voor het gevaar van vandaag: gedoemde liefdes, al je angsten, de duivelse verleidingen. Je moet op je eigen benen staan. Alleen, het lijkt alsof het leven niet went, je het nooit onder de knie krijgt.

‘We zijn ons hele leven bezig mens te worden’, zei Boudewijn Betzema tegen me.

Ik interviewde Betzema begin dit jaar. Twee dagen per week werkte hij als ‘troostdichter’, geheel vrijwillig, in het centrum van Deventer. Hij schreef gedichten en ontving mensen met verdriet in zijn ieniemienie ‘troosthuisje’.

Mensen met klein en mensen met groot leed liepen bij hem naar binnen. De deuren stonden open voor eenieder. Het leed kon van alles zijn: de liefde die niet wil lukken, dat je gewoonweg niet meer weet hoe vooruit te komen, dat je al een tijd geen geluk ervaart. Hij luisterde en verpakte hun verdriet soms in een versje. ‘Eenvoudig hè?’

Hij deed me denken aan mijn docent Nederlands uit de vierde, inmiddels gepensioneerd. Hij had als een van de weinigen een eigen lokaal, op de 200-gang, een teken van status. Hij had iets geheimzinnigs. Ik stelde ‘m weleens vragen om te begrijpen wie hij nou was, maar het leek alsof hij ervan hield om halve antwoorden te geven. Hij was een socialist, kende Den Haag en de geschiedenis van onze middelbare school tot in detail. We vroegen hem om onze toekomst te voorspellen: wat zullen we studeren, waar zullen we belanden? Hij zou het wel weten.

Zoals Betzema had ook hij een krans van wit haar om zijn hoofd, en een rond brilletje.

Net een dorpsoudste bij wie men even zijn ei kwijt kon. Niet omdat Betzema zelf het leven zo goed begreep, maar hij verstond andermans pijn. En alleen al het luisteren naar een ander werkt helend, vertelde hij.

En na afloop kreeg je een gedichtje mee, soms speciaal voor jou geschreven. Voor in je hand- of rugtas bijvoorbeeld, zodat je er altijd even naar kunt kijken. Net zoals er mensen zijn die in de binnenzak van hun jas of in hun portemonnee een pasfoto van hun kinderen dragen – weet waarvoor je er nog altijd bent! Of een kruis om hun nek – Hij beschermt je, Hij is gestorven voor je zonden!

In ‘Glans’ schrijft Betzema: ‘Achter de glans in haar ogen/ zag ik een andere glans/ de glans van een traan/ die zat er nog van vorige keer/ en wilde maar niet drogen./ Het is de glans van binnenkant/ die je niet ziet als je niet kijkt/ de matte glans/ van eenzaamheid.’

Nu ik aan mijn bezoek aan Betzema denk, ontroert dat wat hij zei me opnieuw. Al weet ik niet wat hij er echt mee bedoelde, ik had niet verder doorgevraagd. Ik vermoed iets in de trant van: we leren elke dag weer, elke dag verslaan we een nieuwe angst, elke dag vrezen we weer, ontdekken we iets nieuws, proeven we een voorheen onbekend beetje schoonheid van het bestaan. En we hebben minstens ons hele leven nodig om erachter te komen wie we zijn en waarom we in hemelsnaam bestaan. De crux is wel: al ben je stokoud of aan het einde van je Latijn, je zal nooit helemaal mens zijn, helemaal af, het allemaal weten, begrijpen en kunnen. Tegelijkertijd is dat allemaal misschien wel het fijne van het leven. Een geruststelling. Eigenlijk, dringt nu tot me door, is het bestaan een groot geschenk.