Selahattin Demirtaş

‘Nu moeten Europese ministers druk uitoefenen’

Begin februari stond de Koerdische politicus Selahattin Demirtaş voor het eerst weer voor de rechter sinds het Europees Hof voor de Rechten van de Mens afgelopen december zijn vrijlating had gelast. Via een videoverbinding sprak hij vanuit de gevangenis de rechter toe: ‘Ons gevangen houden is een ernstige misdaad. Het is een coup.’

Een HDP-aanhanger met een foto van Selahattin Demirtaş tijdens een demonstratie vorig jaar. © ANP/AP Photo/Emrah Gurel

Selahattin Demirtaş sprak grote woorden tijdens de zitting, en niet ten onrechte, want met zijn gevangenschap is de grondwet in het geding. Want daarin staat, zoals bij alle landen in de Raad van Europa die zich committeren aan de Europese Conventie voor de Rechten van de Mens, dat uitspraken van het Hof bindend zijn en wetgeving die voortvloeit uit internationale verdragen boven nationale wetgeving gaat. Tot december kon Turkije nog inbrengen dat de Europese uitspraak dat Demirtaş vrijgelaten moest worden nog niet definitief was, maar nu was het de Grand Chamber die sprak. Definitiever wordt het niet. Elke dag dat Demirtaş langer achter de tralies zit, wordt in feite de Turkse grondwet buiten werking gesteld. Zie daar de coup.

Demirtaş werd opgepakt op 4 november 2016. Hij was toen de co-leider van de HDP, de linkse partij die voortkomt uit de Koerdische politieke beweging. Tegelijk met hem werd ook een aantal andere HDP-parlementsleden in de kraag gevat. Ze werden beschuldigd van lidmaatschap en leiderschap van en het maken van propaganda voor een terroristische organisatie.

In werkelijkheid verdween Demirtaş in de gevangenis omdat hij Erdoğan’s machtspositie ondermijnde. De leider was niet alleen onder zijn traditionele achterban van Koerden geliefd, zijn populariteit nam ook onder Turken toe. Dankzij steun van die laatsten haalde hij als kandidaat in de presidentsverkiezingen in 2014 bijna tien procent van de stemmen. In juni 2015 kreeg Erdoğan de grootste electorale klap te verduren sinds hij in 2002 aan de macht kwam: door het succes van de HDP, die dertien procent van de stemmen kreeg, opnieuw door steun van Turkse kiezers, raakte Erdoğan’s AKP de meerderheid in het parlement kwijt.

Dat was niet waar Erdoğan op had gegokt toen hij een paar jaar eerder, in 2013, een vredesproces begon met de Koerdische gewapende PKK. De HDP trad op als intermediair tussen de regering in Ankara, de levenslang gevangen PKK-leider Öcalan en het PKK-leiderschap in de bergen in het noorden van Irak. De kans op vrede had Erdoğan voorgoed moeten verzekeren van de Koerdische stem, maar het pakte anders uit. Vooral door de strijd om Kobani, de Koerdische stad nét over de grens in Syrië die in de herfst van 2014 werd belegerd door IS.

De Koerden in Syrië streden om hun stad in handen te houden, terwijl Koerden in Turkije zich in de dorpen langs de grens positioneerden om hun solidariteit met Kobani te betuigen. Erdoğan gokte erop dat de Syrische Koerden, die hij net als de PKK als terroristen beschouwt omdat ze dezelfde ideologie aanhangen als de PKK, geen stand zouden houden. Omdat de strijd zich aanvankelijk in het voordeel van IS ontwikkelde, riep de HDP in een serie tweets op tot solidariteitsacties, en riep Demirtaş mensen op de straat op te gaan. Aan de oproep werd gehoor gegeven, maar het liep uit de hand. Vooral in de grootste Koerdische stad in het zuidoosten, Diyarbakır, waar tientallen doden vielen. Wat zich precies afspeelde, is nog steeds onduidelijk: herhaalde oproepen van de HDP in het parlement om de gebeurtenissen grondig te onderzoeken, worden steevast door de AKP weggestemd, wat te denken geeft.

In juli 2015 sprak Erdoğan profetische woorden: HDP-leiders zouden ‘de prijs betalen’ voor hun ‘terroristische daden’. Hij stuurde aan op nieuwe verkiezingen, die in november 2015 gehouden werden en waarin de AKP de meerderheid in het parlement terugwon, onder meer doordat het vredesproces voorbij was en hernieuwd nationalisme veel kiezers aansprak.

Er werd meteen een procedure voor een grondwetswijziging in gang gezet, waarmee parlementariërs hun onschendbaarheid afgepakt kon worden. In de zomer van 2016 – de zomer van de mislukte coup – was het zover: een groep HDP’ers verloor zijn onschendbaarheid. De openbare aanklager riep Demirtaş op het matje, maar die gaf geen sjoege omdat hij vond dat hij als parlementariër mocht zeggen wat hij wilde en niets strafbaars had gedaan. Daarop werd hij in de vroege ochtend van 4 november in zijn woonplaats Diyarbakır van zijn bed gelicht. Hij zit vast in Edirne aan de Griekse grens, 1600 kilometer verderop. Dat doet Turkije vaak, Koerden opsluiten in steden in West-Turkije, ver van hun familie.

Dat hij inderdaad niets verkeerds deed en op oneigenlijke gronden werd vastgezet, werd in december bevestigd door de Grand Chamber van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De uitspraak was historisch. Voor het eerst werd artikel 18 van de Conventie voor de Rechten van de Mens in stelling gebracht in een Koerdische zaak, in combinatie met artikel 10. Artikel 10 regelt de vrijheid van meningsuiting en de gronden waarop die niet geldt (zoals bescherming van de openbare orde of gezondheid, of ter bescherming van de rechten van anderen). Artikel 18 maakt expliciet dat de grondrechten niet geschonden mogen worden op enige andere grond dan de genoemde in artikel 10. De uitsluitingsgronden waren op Demirtaş niet van toepassing en hij had dus nooit als verdachte aangemerkt mogen worden. Hij is puur en alleen vastgezet om hem als oppositieleider het zwijgen op te leggen.

De uitspraak geldt automatisch ook voor andere HDP-politici die vastzitten voor politieke toespraken, inclusief zij die zijn opgepakt in het kader van het ‘Kobani-onderzoek’ naar de oproep van de HDP in oktober 2014 om in solidariteit de straat op te gaan. In een poging Demirtaş gevangen te houden wordt hij in dat onderzoek sinds 2019 ook zelf vervolgd. Daarmee heeft de uitspraak, zei hoogleraar internationaal recht Başak Çali in een interview, ‘een belangrijk probleem met de Turkse rechtsstaat geïdentificeerd’. Op lagere niveaus had het Europees Hof nog geoordeeld dat Demirtaş in eerste instantie wél terecht was gearresteerd.

Overigens is een behandeling door de Grand Chamber niet zomaar een vorm van hoger beroep. Alleen als aannemelijk wordt gemaakt dat de zaak eerder niet is erkend als grove schending van de Conventie en bovendien een groter belang dient, houdt de Kamer een zitting. Om dan ook nog een uitspraak te krijgen die verder gaat dan ooit in vergelijkbare zaken (en onderschat de caseload Koerden in Turkije bij het Hof niet) mag een succes genoemd worden – en een drama, natuurlijk.

In theorie is nu door de uitspraak van het Hof vervolging van politici op grond van publieke uitspraken (die geen uitsluitingsgrond rechtvaardigen) onmogelijk. Maar in praktische zin – Hof koerst met sleutelbos naar Turkije om cellen te openen – valt de uitspraak niet af te dwingen. Volgens Ramazan Demir, één van de advocaten van Demirtaş, neemt nu het Comité van Ministers van de Raad van Europa, dat waarschijnlijk in maart bijeenkomt, het stokje van het Hof over. ‘Zij moeten druk op Turkije uitoefenen. In het uiterste geval kan Turkije worden geschorst als lid van de Raad van Europa.’ Zover zal Turkije het niet willen laten komen, als lid van de Raad sinds oprichtingsjaar 1949. Maar tot dan toe zit Demirtaş nog steeds vast.

Daarmee is ook blootgelegd waarom het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een land als Turkije onmogelijk in bedwang kan houden. De premisse van het Hof is dat lidstaten er in principe naar streven de mensenrechten van hun burgers te respecteren en de rechtsstaat te beschermen, en uitspraken van het Hof zullen opvolgen. Zo’n land is Turkije niet, en nooit geweest.