De opstand tegen het Argentijnse junglekapitalisme

Nu nog de badkamertegels

In Argentinië zijn meer dan honderd fabrieken en bedrijven in bezit genomen door de werknemers. Niet om te staken, maar om de productie en verkoop op gang te houden. Het junglekapitalisme van de laatste jaren moet hiermee worden gekeerd.

Neuquén — Een plastic zak waait over het verlaten perron van station Neuquén. Een stofstorm beneemt het zicht op de eindeloze Patagonische vlakte. De trein rijdt hier al lang niet meer. Neuquén is een stad om nooit te komen. Elke discussie over economische verbetering geeft slechts aanleiding tot schamper gelach. Toch gloort volgens velen in deze stad een betere toekomst. De hoop is gericht op de Ceramica Zanon, een tegel- en plavuizenfabriek die sinds twee jaar wordt bezet door haar werknemers.

Aan de poort verwelkomt Alberto Esparza zijn gasten. Hij is woordvoerder van de pers- en actiegroep, een nieuwe carrière voor de dertigjarige keramist die twee jaar geleden nog zwoegde aan de glazuurovens. Hij wil niet meer terug naar de lopende band. Collega’s van hem stapten over naar het comité voor hygiëne en bewaking en de groep financiën en administratie. Allemaal tegelaars die de afgelopen twee jaar een ander vak hebben geleerd. «Onze ideologie is simpel: fabrieken sluit je niet als er geen ander werk is», zegt Esparza. «Vakbond en regering doen niets voor ons en dus vechten we om de fabriek in bezit te krijgen. Bij demonstraties loopt de hele fabriek mee. Maar het belangrijkste blijven de productielijnen. Alleen de verkoop van tegels garandeert ons voortbestaan.»

De teloorgang van Ceramica Zanon is illustratief voor de Argentijnse crisis. Met buitenlandse leningen moderniseerde de familie Zanon begin jaren negentig haar tegel fabriek in Neuquén. De regering stelde gratis land ter beschikking en hief nauwelijks belasting. Het provinciaal bestuur leverde water en energie tegen afbraakprijzen. In een mum van tijd exporteerde de fabriek naar dertig landen en veroverde een derde van de binnenlandse markt. Er werkten toen zevenhonderd mensen en de fabriek zette veertig miljoen peso om. Van de winst kocht Zanon marmergroeven en richtte een vliegmaatschappij op. Toen de economische zeepbel knapte, stortte de export in elkaar. De schuld van 75 miljoen dollar werd nooit afbetaald. Een molensteen. Ontslag na ontslag volgde. In 2001 bracht Zanon het familiekapitaal in veiligheid en liet de fabriek vallen.

Alberto Esparza: «In oktober van dat jaar vroeg Zanon het faillissement aan. We hadden maanden achterstallig loon te goed. Door een blokkade voorkwamen we dat de fabriek werd ontmanteld. De bazen en de chefs hadden het terrein al verlaten. Ook stapten we naar de rechter. Na drie maanden wees die ons veertig procent van de voorraad tegels toe als genoegdoening. We kondigden in de stad een open bare verkoop aan en van de opbrengst kochten we grondstoffen. We startten de ovens en na een maand haalden we anderhalf procent van de productiecapaciteit. Helemaal niets natuurlijk, maar we draaiden. We gaven een groot feest om het te vieren.»

De terminologie van de jaren zeventig domineert: «strijd», «kameraden», «massa». Er heerst een baldadige sfeer onder de veelal jonge mensen. Iedereen wijst een andere kant op als een chauffeur vraagt waar hij zijn lading moet afleveren. In de ontvangstkamer hangt een felicitatietelegram van de vakbond van Fiat-arbeiders. Ernaast hangen kinder tekeningen. Gele zonnetjes boven de fabriek met aandoenlijke teksten in hanenpoten: «Dank je wel dat jullie mijn papa’s baan verdedigen. Felicia, 5 jaar.»

In de enorme fabriekshal staat overal hypermoderne apparatuur. Robotwagens rijden door de ovengangen, arbeiders bewaken de kwaliteit van de tegelpasta. De emballage is volautomatisch en levert pallet na pallet af aan een heftruck die een dieplader bevoorraadt. Een volcontinue bedrijf. Volgens de lijst bij de prikklok draaien 75 mensen de ochtenddienst. Alleen de hokjes van de afdelingschefs zijn leeg. Er hangen talloze oproepen voor collectieve vergaderingen. Irina voert steekproefs gewijs de eindcontrole uit. Ze kijkt of de tegels haaks zijn. Ze steekt lachend haar duim op. Enorme kitschmotieven, dat wel. Maar dat is mode in Argentinië.

Esparza: «Als alles voorspoedig blijft lopen, halen we deze maand driehonderdduizend vierkante meter tegels. We hebben de helft van de productielijnen in gebruik en er zijn inmiddels 349 mensen in dienst, negentig meer dan toen we begonnen. Oude tegelaars zijn teruggekomen en we hebben werklozen omgeschoold. We hebben het gered door losse verkoop en doordat een grote winkelketen ons het voordeel van de twijfel gaf.»

Iedereen verdient achthonderd peso per maand, zo’n 250 euro. Niet veel, maar genoeg om van te leven. De winst zou omhoog kunnen als er weer badkamertegels verkocht gaan worden. Maar daarvoor ontbreken de grondstof en de technische kennis. De grondstof werd voorheen geleverd door een dochterbedrijf dat Zanon nu weigert te bevoorraden. Zanon moet het doen met een mindere kwaliteit.

Overal in de fabriek worden mislukte tegels aan de kant geveegd. Een technicus moppert dat de basispasta de verkeerde verhouding heeft, waardoor de tegels niet vlak zijn. Balend zet hij de lopende band stil. Niet alles is dus koek en ei, maar het enthousiasme van de werknemers is aanstekelijk. Trots toont Esparza de nieuwste aanwinst: een kartonnen verpakking voor de vloertegels met het bedrijfslogo Fasinpat, Fabrica sin patrones, fabriek zonder bazen.

«Dat is het einddoel, dat de fabriek rechtmatig in handen komt van ons collectief. We hebben geen bankrekening, onze leveringen worden betaald via de Moeders van de Plaza de Mayo. Die stelden een stichtingsrekening ter beschikking. Het belangrijkste nadeel van de huidige situatie is dat we geen krediet krijgen voor export en het broodnodige onderhoud. Zo blijft het opstarten van de badkamertegels een droom. We overleven, meer niet.»

bUENOS AIRES — Dagelijks trekt een leger werklozen uit de arme voorsteden protesterend door de pompeuze avenidas van Buenos Aires. De Moeders van de Plaza de Mayo en globaliseringsactivisten ondersteunen de protesten. In de bonte stoet wordt gelachen. Oog in oog met gefrustreerde automobilisten jongleren goochelaars met hun kegels. De urenlange verkeersopstoppingen, begeleid door onverstoorbare motoragenten, leiden tot verhitte debatten in het parlement. De regering weigert hard in te grijpen. President Kirchner beseft maar al te goed dat de rellen tijdens de zogeheten pesocrisis twee voorgangers de kop kostten. Het is een balanceeract. Meer werk is onder de huidige omstandig heden een droom. Tegelijkertijd houdt de dagelijkse rituele dans de regering bij de les.

Een van de demonstranten is Elvira Ocampo, een nette vrouw van middelbare leeftijd. Ze werkte dertien jaar bij textielfabriek Brukman. Ook die ging tijdens de crisis aan de schuldenlast failliet. De naaisters en strijksters van Brukman werden een symbool van verzet in hartje Buenos Aires. Na zes maanden werden de werkneemsters op last van de rechter uitgezet. Dat was medio 2002. Sindsdien houdt Ocampo met zestig volhouders beurtelings de wacht voor de fabriek. Levensgrote spandoeken en haveloze tenten zorgen voor wat schaduw. Het gebouw zelf is afgezet met manshoge hekken. Daarachter staat permanent een peloton van de Mobiele Eenheid. Aan de kant van de weg walmt een parilla, de traditionele Argentijnse barbecue. Er liggen grote lappen vlees op, een gift van de slager om de hoek.

Elvira Ocampo woont in Berezategui, een van de armenwijken die als een te nauw zittende gordel de hoofdstad omringen. Kilometers leegstaande fabrieken en gekraakte krotten terreinen rijgen zich aaneen. Het is het rijk van de cartoneros, die in de avond met honderden over de hoofdstad uitzwermen, op zoek naar karton en plastic. Beelden die bekend zijn uit Bolivia en Peru, maar nieuw en schokkend voor de Argentijnen. Begrijpelijk dat iemand als Ocampo zich vastklampt aan de fabrieksblokkade: «Vóór de crisis kregen we steeds minder loon. Op het laatst betaalde de eigenaar nog slechts zeventig peso voor zeven dagen werk. Alleen de bus is al vijf peso per dag. Toen Brukman vroeg om tien uur per dag te gaan werken, was voor mij de maat vol. We vechten nu al zo lang. We verdienen het om de fabriek terug te winnen.»

Het volhouden lijkt beloond te worden. Bij het faillissement nam de gemeente het pand en de inboedel over. Vlak voor Kerstmis wees een rechter alles toe aan de werknemers. Een krediet van de gemeente is nu het volgende actiedoel. Ocampo is blij met het vooruitzicht weer aan het werk te gaan. Makkelijk zal het niet worden. Veel machines zijn kapot en de software van de elektra en stoomregulatoren is verdwenen.

Voor mensen als Elvira Ocampo vormt president Kirchner een bron van hoop. Tot zijn verkiezing in mei stond hij bekend als een politieke meeloper die weinig op had met arbeiders. Maar sinds zijn aantreden ontpopt Kirchner zich als een man met oog voor de onderkant van de samenleving. Hij kritiseerde ondernemers en zette corrupte rechters af. Zelfs een aantal geprivatiseerde bedrijven werd de wacht aangezegd. Velen hopen dat Kirchner doorzet en fabrieken gaat nationaliseren.

Zo ver is het in de provincie in elk geval nog niet.

neuquén — De stad wordt al veertig jaar geregeerd door dezelfde partij, dictatuur of geen dictatuur. In de kantine van Zanon zit de ochtendploeg uit te blazen. Ook hier wordt het eten betaald van spontane giften uit de stad. Er is kip met friet en sla. Aan de muur hangt een statistiek met de productiestijging. Daarnaast elektriciteitsrekeningen van het provinciale bestuur. In 1999 betaalde de volledig draaiende fabriek minder dan de bezetters anno 2004 ophoesten.

Alberto Esparza schuift aan. «Ik zie weinig reden voor echt optimisme», zegt hij. «De strijd is hier ook simpel. Gouverneur Sobich is van de oude stempel. Tijdens een demonstratie vorige week beschoten zijn agenten ons met rubberkogels. Vijf gewonden. Drie dagen later werden we beroofd van dertigduizend peso. De dieven wisten dat de kluis twee sloten had en droegen politierevolvers. De provinciale overheid probeert ons kapot te maken. Kirchner zei tijdens zijn verkiezingscampagne: ‹Als ik gouverneur was, zou ik de arbeiders van Zanon steunen.› Op de televisie! Nou, hij is president en er gebeurt nog niets. Ik vertrouw alleen op onze eigen kracht.»

Aan het einde van de rondleiding neemt Esparza plaats in de rij bij het administratiekantoor. Het is uitbetaaldag. Vorige week is lang vergaderd over het beloningssysteem. Vanaf januari gaat het aantal dienstjaren meetellen. Als je langer dan zes jaar bij Zanon werkt, krijg je straks 890 peso. «Daar hoor ik ook bij», lacht Esparza tevreden.