Het Stedelijk Museum: Openbaar kunstbezit

Nu nog een plan

Het Stedelijk Museum Amsterdam is ontwaakt uit zijn coma. De wereld is ondertussen totaal veranderd. Die transitie heeft het Stedelijk gemist. Aan het werk, mevrouw Goldstein.

Medium johns a 24222

Welaan, ik was een van die tienduizenden die afgelopen week het Stedelijk Museum Amsterdam zijn gaan bekijken. Ik had de lege spierwitte nieuwbouw al eens mogen zien, ik liep nu op een drafje door de heringerichte zalen. Breitner, check. Mondriaan, check. Newman, check. Liever-helemaal-geen-kunst-dan-Marc-Chagall, check. Cobra, zucht, check. Van twee grote kranten zag ik vrijwel identieke bijlagen waarin vrijwel identieke bekende Nederlanders schreven welk werk ze ’t meest hadden gemist. Youp van ’t Hek: Breitner. Paulien Cornelisse: The Beanery. Voor Avro’s Museumgasten liepen Henk Schiffmacher, Johanna ter Steege en prins Constantijn door het gebouw, bien étonnés, maar goed, best leuk, check. En bij de opening zelf heeft het me een tikje verbaasd hoe buitengewoon opgetogen en opgelucht iedereen wel niet was. Het heeft natuurlijk veel te lang geduurd. Ik weet dat er een tijdelijk smcs was, maar voor mij was dat een dooie schuur zonder licht.

Ik stond voor Jasper Johns’ Untitled, uit 1964-65. Vijf bij twee meter. Olieverf, bezem en linialen op doek. Bezem? ‘Ik vind dat een schilderij meer ervaring moet uitdrukken dan alleen maar een vooropgezet idee’, zo wordt Johns in het boekje Stedelijk Collectie Highlights geciteerd. Zo is het. Untitled is een studie in eenvoudige heldere kleuren – rood, geel, blauw, oranje, paars, een lik groen. Maar door die linialen en die bezem en al die tekenen van vegen en schrapen en duwen en trekken is het schilderij niet een plaatje, maar een ding. Een fijn ding.

Ik ken dat schilderij goed, want ik reisde als student vaak per spoor, en het schilderij was toen onderdeel van de campagne van Openbaar Kunstbezit in de trein. Er hingen discrete foto’s van kunstwerken op de wanden van de compartimenten, met titel en verblijfplaats erbij. De boodschap van Openbaar Kunstbezit was: wij tonen u het plaatje, maar dat is surrogaat voor de ware beleving. Daarvoor moet u naar het museum. Daar kunt u het ervaren, inclusief de geur en de glans, inclusief de zaal, de andere bezoekers, in dimensie drie. Dan zag je dat verf echt iets bijzonders is, en reageert op veranderend licht, en dan begreep je dat het écht wat uitmaakte dat zo’n museum daglichtdak­vensters had. En ook dat het dus écht naar was dat die Goldreyer Who Is Afraid met zijn roller zo verrinneweerd had. Daar was een museum voor.

Was. Die Jasper Johns hangt er, goed geconserveerd, kerngezond, en toch oud geworden, zoals mensen na hun zeventigste opeens lijken te krimpen. Nee, dat ben je zelf, zult u zeggen, en gelijk heeft u, maar toch. Wat is er veranderd? Eigenlijk niks. Het museum ruikt naar de nieuwe verf. De vloeren zijn stil, en hebben niet meer het levendig gekraak van dat oude visgraatparket, dat ook nog eens een rossige weerschijn had. Die Cobra-schilderijen, gemaakt met verf die niet stralend is gebleven, zijn in tien jaar nog verder weggezakt, als ouwe hondenhokken op een boerenerf. Verder hangt het er allemaal voorbeeldig bij.

De journalist Jhim Lamoree zei bij de presentatie van zijn boek over het Stedelijk dat ‘het neo-renaissance gebouw van Weissman een neo-modernistische aanbouw had gekregen’, en ik denk dat hij een waar woord sprak. Het heropende Stedelijk belichaamt een opvatting over een museum die teruggaat op Sandberg en via hem op oudere, Bauhaus-gerelateerde opvattingen over tentoonstellen. Het is een visie op ‘moderniteit’ die vóór de sluiting al dringend aan herziening toe was.

Maar nostalgie is krachtig. De film Hartslag van het Stedelijk wordt er in hoofdzaak door bewogen. Visueel is het een interessant werk – de editor is Elmer Leupen, geregelde medewerker van Peter Greenaway, die kan wat – maar inhoudelijk is het een onzinnige film. De regeringsperiodes van de vijf directeuren worden door drie kunstjournalisten – Lamoree, Tilroe, Den Hartog Jager – teruggebracht tot één door die directeuren aangekocht werk, dat bepalend heet te zijn voor hun complete periode. Dat lijkt een mooi stramien, maar in de film valt het concept als een nat suikerklontje uiteen. Natuurlijk, een museum heeft een collectie, en een goede directeur voegt daar het zijne aan toe met een neus voor kwaliteit en actualiteit, maar de werkelijke maatstaf voor het succes van een directeur is natuurlijk niet wat hij kocht, maar wat hij toonde. De waarde van Sandbergs directoraat zit ’m erin dat hij de rommelpot van de Cobraïsten en Tinguely en Rauschenberg toeliet in de eerbiedwaardige zalen, niet dat hij dat werk ook aan het depot toevoegde.

Wat de film mist is de buitenwereld en dat is een irritant gebrek aan inzicht. Zeker, de documentaire maakt melding van de opkomst in de jaren tachtig van het grote geld, en de bizarre kunstinflatie die ontstond, waardoor aankopen door musea onhaalbaar werden. Maar dat is maar een klein deel van wat er gebeurde. Sinds de jaren tachtig werd de autonomie van het museum op allerlei manieren ondergraven. Sandberg en De Wilde hadden het makkelijk; dat waren heren, en kunstenaars waren gewoon te bellen en die zeiden dan ‘ja mijnheer, graag mijnheer’, want het museum was toen nog de belangrijkste waardevermeerderaar van hun werk en reputatie.

Toen ik in die trein zat en naar dat plaatje van Jasper Johns keek had Nederland twee televisiezenders. Nederland 3 kwam in 1988. Pas sinds 1985 was er een KunstRai. Het echte experiment speelde zich buiten het museum af, tussen de musea en de galeriesector in, bijvoorbeeld in de kraakpanden. Om aan die verandering tegemoet te komen richtte Rotterdam Witte de With op (1992), en het Stedelijk de dependance, smba (1993). Maar in de jaren negentig ging het opeens heel hard. Elke zichzelf respecterende Europese, Japanse of Koreaanse stad ging met zijn kunst-infrastructuur in de weer – Stuttgart, Berlijn, Parijs, Keulen, Düsseldorf, Turijn, Barcelona, Luik, Essen, Linz, Eindhoven, Maastricht, Groningen, gevolgd door de Chinezen en de Arabieren. Veel musea transformeerden van Rustig en Beheerst naar Groot en Luid, attracties waarbij de waarde van de collectie er feitelijk niet zo veel toe deed. Guggenheim Bilbao opende in 1997. Tate Modern in 2000. En in Amsterdam hangt op het Rembrandtplein sinds 2006 een led-scherm van 114 vierkante meter, waar je alles op kunt vertonen. Dat wás er niet, toen De Wilde directeur was.

In Hartslag zie je tussen het gebabbel door hoe die ontwikkelingen Beeren, Fuchs en Van Tuyl overdonderen, hoe zij plichtsgetrouw worstelen met de collectie, met wat hun aan historie was toebedeeld, met de geestelijke armoede van de Amsterdamse politici, en altijd met die bizarre mythe van de Sandberg-jaren, toen het museum kennelijk nog vol opschudding was en de pers kolkte van woede en kunstenaars elkaar de hersens insloegen, das waren Zeiten! Met name Fuchs krijgt een vuile veeg uit de pan. ‘De bezoekersaantallen liepen terug’, en zijn aankoop, die Baselitz, was een laf stukje academie­schilderkunst. Flauw. Je had ook de aankoop van Judds Untitled kunnen kiezen, en er de tentoonstellingen van Tracey Emin en Grayson Perry bij gezet, dan had je een heel ander verhaal.

In de film is desondanks te herkennen hoe Beeren, Fuchs en Van Tuyl tegen heug en meug naar oplossingen zoeken voor dat verlies aan autonomie. Fuchs haalt met Audi en Hugo Boss sponsorgeld binnen, tot afkeer van de preutse goegemeente, en laat, op zoek naar de Avro-bezoeker, de koningin en Harry Mulisch curator spelen. Het zijn amechtige pogingen tot herstel van de positie van het museum, en de verzanding is bepaald niet alleen een manco van de directeur, die de geforceerde reuring, zoals bij Dennis Hopper, eigenlijk weerzinwekkend vindt. Ook zijn opvolger heeft geen idee waar het naartoe moet. In de tijdelijke behuizing probeert hij ‘Berlijn aan het Oosterdok’ te spelen, maar zonder enige dynamiek; ook Van Tuyl laat zich door zijn geldschieters dwingen tot een zielloze blockbuster over Andy Warhol. Hij weet het ook niet. Het gebrek aan visie wordt uiterst pijnlijk zichtbaar in die andere documentaire, De stijl van het Stedelijk van Lex Reitsma, die gaat over de selectie van de nieuwe huisstijl. Grootheden als Irma Boom mogen komen pitchen. De oude kardinaal van de Nederlandse vormgeving, Wim Crouwel, breekt al bij voorbaat de staf over de procedure: zoiets heeft alleen maar zin als je zelf een idee hebt over wat je bent, waar je voor staat, wat zo’n stijl moet uitdragen. Van Tuyl heeft geen idee, zijn commissie komt er niet uit en laat zich lijmen voor een zouteloos besluit. De obscure Fransman Pierre di Sciullo krijgt ‘de prijs’ voor het minst heldere, minst aansprekende en minst bruikbare ontwerp.

Wie nu in de trein zit wordt omgeven door medeburgers die allemaal naar een schermpje staren, en via dat schermpje elk kunstwerk, elke film, elke documentaire, elk boek, elk liedje, elke symfonie en ook nog het filmwerk van een half miljard halvegaren met een cameraatje en een YouTube-account onmiddellijk onder hand­bereik hebben. Staand voor Jasper Johns realiseerde ik mij nog maar eens wat dat betekent. Vroeger bood het fysieke kunstwerk de sensatie waar de foto in de trein alleen maar op kon preluderen. Nu is zo’n werk alleen maar een convergentiepunt, een aanwezigheid om te herkennen en af te vinken. Jasper Johns, check. Het object is bijzaak geworden. Precies in de periode dat die revolutie zich voltrok en de ‘waarde’ van ‘het beeld’ en ‘het ding’ fundamenteel veranderde was het Stedelijk Museum in handen van directeuren die zich daar geen raad mee wisten, die vastgetimmerd zaten aan een naoorlogs idee over wat kunst in de samenleving diende te betekenen, en uiteindelijk niet eens meer een gebouw hadden, om iets mee te doen.

Nu het heropent regeert de nostalgie en keert vrijwel iedereen terug naar die mythe, die onware herinnering aan een tijd dat het museum ‘een wereldspeler’ was. NRC Handelsblad en Vrij Nederland gooiden er terecht een emmer koud water over. Het Rijks en het Van Gogh zijn wereldspelers, omdat hun collectie ‘unique selling points’ heeft. Het Stedelijk niet. In het nieuwe Stedelijk is het oude opgenomen, als een museum van een museum. Het nieuwe is nog niet echt in zicht. Afgezien van de tentoonstellingen is er maar één zaal met kunst van na 1995, en één zaal met een werk van Wolfgang Tillmans. Wat te doen?

Het Stedelijk zal altijd belangrijk zijn als bewaarder van de meest interessante collectie twintigste-eeuwse kunst van ons land. Het zal echter pas werkelijk belangrijk kunnen zijn als het een visie vormt op kunst én beeldcultuur én informatie én onderzoek én interactie met de burger én politiek én wetenschap. Dat gebouw is er nu, die collectie is er ook. Nu nog een plan. Het museum is de plek voor zelfreflectie, voor experimenteren en risico’s, voor interactie, intimiteit, verwarring, aldus Ann Goldstein ten slotte in Hartslag. Waarheden als koeien. Die kennen we. Aan het werk, mevrouw.


De stijl van het Stedelijk en Hartslag van het Stedelijk zijn te zien via uitzendinggemist.nl

Beeld: Stedelijk Museum Amsterdam
Bijschrift: Jasper Johns, Untitled, 1964 - 1965. Olieverf, bezem en linialen op doek, 182.5 x 478 cm