Brexit-dagboek

‘Nu zullen de mensen jullie weer haten’

President De Gaulle was tegen Britse toetreding tot de Europese Gemeenschap, omdat de Britten, zo zei hij, geen gemeenschapsgevoel hadden. Ons ‘patriottische’ Fuck Off Europe laat zien dat hij gelijk had.

Medium 21 03 17 brexit may 1
© Joep Betrams

Toen Anita Brookner bijna een jaar dood was, moest ik terugdenken aan mijn ontmoetingen en gesprekken met haar. Waar we over praatten: kunst, boeken, de literaire wereld, Frankrijk, vrienden in het algemeen. Waar we niet over praatten: haar beginjaren, haar persoonlijke leven, politiek (ik heb nooit geweten of en hoe zij stemde), of praktische zaken. Geen uitwisseling van recepten. Geen aandacht voor sport.

Op een keer bespraken we Simenon. Ik had voornamelijk de Maigret-verhalen gelezen; zij voornamelijk de romans durs, waar zij veel bewondering voor had. Ik vroeg haar mij er een aan te raden. Ze was, zoals in alles, vrij resoluut. Chez Krull. Ik herinner me dat ik de roman op een paar vakanties heb meegenomen, maar er nooit aan ben toegekomen. Iets in de titel hield me daarvan af: dat gezellige Franse ‘chez’, gevolgd door een hardvochtiger, dubbel-buitenlandse achternaam. Maar ik moet er toch ooit aan begonnen zijn, want er zat een stukje van een boarding-card aan het eind van het eerste hoofdstuk. Twintig jaar later was het eindelijk tijd om Anita’s advies op te volgen.

Die wrange, botsende titel blijkt voor een deel het punt te zijn. De roman speelt zich af in een klein stadje in het noorden van Frankrijk, richting België; het moet eind jaren dertig zijn. De oorspronkelijke Krull, Cornelius, was Duits, maar heeft vier vijfde van zijn leven doorgebracht in Frankrijk, en werd vóór de Eerste Wereldoorlog genaturaliseerd; hij spreekt nauwelijks Frans en is bezig zijn Duits kwijt te raken. Hij schraapte een bestaan bijeen door manden te maken; het grootste deel van de tijd zwijgend en pijp rokend doet hij dat nog steeds, met een gebochelde en eveneens zwijgende assistent naast zich. Hij is gehuwd met de buitenechtelijke dochter van een ‘vrouw uit het Zuiden’, die een bar aan het kanaal runde en was bevrucht door een langsreizende man uit de Elzas.

De Krulls – er zijn twee dochters, Anna (30) en Elisabeth (17), en één zoon, Joseph (25), geboren vóór en na de Eerste Wereldoorlog – hebben de bar uitgebreid met een kruidenierszaak voor schippers. Ze wonen aan het uiterste randje van de stad, bij een sluis, waar de gele trams omkeren. De complexe genealogie, de wettelijke status en de tijdlijn zijn belangrijk. Ondanks verscheidene decennia van een nauwgezet eerlijk bestaan – Joseph heeft zijn Franse militaire dienst gedaan – worden de Krulls nog steeds als buitenstaanders gezien; zij bevestigen dit zelf door iedere zondag de stad in te lopen naar de protestantse kerk.

Ze overleven grotendeels dankzij de handel van de passerende schippers, die – ook al zijn die niet bepaald verlicht – niet behept zijn met de vooroordelen van de stad, en maar al te graag ‘chez Krull’ inkopen doen voor de volgende fase van hun reis. Het precaire bestaan van de Krulls contrasteert met dat van hun enige vrienden, een andere familie van Duitse immigranten, de Schoofs, die een winkel in boter en kaas hebben. Zij zijn beter geassimileerd: in hun winkel wordt alleen Frans gesproken, en het lijkt erop dat het stadje heeft besloten – voor een deel op grond van de naam – dat de Schoofs Nederlanders zijn. Van zulke nuances hangen levens en levensomstandigheden af.

Op de eerste pagina arriveert neef Hans uit Duitsland, voorafgegaan door een brief van zijn vader. Hans beschouwt zichzelf als een ‘pure’ Krull en is alles wat de niet-pure Krulls niet zijn: hij is cynisch, leugenachtig, bietst en is luid in de mond. Zijn eerste daad bij aankomst is het botweg verleiden van de minderjarige Elisabeth. Hij leent geld van zijn tante en intimideert de schuchtere Joseph, die studeert voor zijn medische examens. Hij gaat op bezoek bij Pierre Schoof, lapt de winkelregels aan zijn laars door luidkeels Duits te praten, en vraagt, als hij in een achterafkantoortje wordt gezet, of hij geld kan lenen; hij onthult dat een groot deel van zijn vaders fortuin in België vastligt, en dat hij onmiddellijk vijfduizend franc moet storten om het vrij te kunnen maken. (Tegenwoordig vindt dit soort zwendel regelmatig zijn weg naar onze mailboxes, en het werkt nog steeds; het is goed om hier de originele, face-to-face-versie tegen te komen.)

Er is uiteraard helemaal geen geld in België; Hans geeft de lening vrijelijk uit in het stadje en heeft het nooit over de terugbetaling. Zijn gedrag alarmeert de ‘Franse’ Krulls. Hij liegt terloops, en bekent zijn leugens even terloops; hij heeft ook de introductiebrief van zijn vader vervalst, die al vijftien jaar eerder blijkt te zijn overleden. Maar erger dan dit alles is dat hij openlijk en doelbewust de eerste wet van de immigrant schendt: niet de aandacht op jezelf vestigen. En door dat wél te doen, vestigt Hans Krull tevens de aandacht op die ‘niet-pure’ verwanten van hem die naast het kanaal wonen, waar de stad ophoudt.

***

Simenon laat met meedogenloze precisie zien hoe zelfzuchtige, gewetenloze hebzucht misbruik maakt van bescheiden, gastvrij fatsoen – wat, zo besef ik, nu ik dit opschrijf, een frequent terugkerend thema van Brookner was. Dat geldt ook voor de bredere notie dat degenen die – net als Hans – het leven minder serieus nemen dan anderen beter toegerust zijn om te overleven. Maar dit is Simenon, dus hier is minder binnenwereld en méér geweld: ik kan me niet herinneren dat in Anita’s werk ooit het lichaam van een verkracht en vermoord meisje uit een kanaal wordt gevist. Maar ook al is dit een ‘roman dur’, we zijn nooit ver van Brooknerland: de wereld van de immigrant, van behoedzaam navigeren in een vreemd land – vreemd, ook al ben je er geboren en heb je er je militaire dienst gedaan.

De politie is slechts ten dele behulpzaam: de ene inspecteur zegt tegen de andere: ‘Het ruikt hier naar mof’

Ik kan me voorstellen hoe Anita bewondering koesterde voor Simenons greep op de rusteloze dynamiek tussen autochtoon en immigrant, vooral als er iets misgaat. Een tyfusuitbraak? Zelfs al is Joseph zelf slachtoffer, hij wordt gezien als de verspreider ervan. Deugd verandert in ondeugd: als de immigrant niet hard werkt, is hij een bietser; als hij wel hard werkt, is hij alleen maar uit op geld en gierig. Simenon begrijpt goed wat de oorzaak is van een aanzwellende golf van racistische verontwaardiging. Een steen wordt door het raam gegooid, een piketlijn wordt georganiseerd door kinderen, een dronken vrouw komt met een verzonnen verhaal, een drempel wordt volgesmeerd met stront, een dode kat wordt hangend aan het belkoord gevonden, de woorden ASSASSINS (‘moordenaars’) en A MORT (‘ter dood’) worden op het zonnescherm van de winkel gekladderd. De politie is slechts ten dele behulpzaam: de ene inspecteur zegt tegen de andere: ‘Het ruikt hier naar mof.’

De Krulls beslissen – niet geheel ten onrechte – dat Hans de brenger, of op z’n minst de versterker van hun tegenspoed is, en proberen hem terug te sturen naar Duitsland. Maar Hans weigert de rol van zondebok, dus de roman stevent af op een sombere conclusie waarvan ik, hoewel ze emotioneel gezien logisch is, betwijfel of je die kunt raden (en die ik hier niet zal verklappen).

Small 30 06 16 boris johnson
© Joep Bertrams

Simon Leys, de wijze Belgische sinoloog, criticus en romanschrijver, wijst in The Hall of Uselessness terecht op Simenons vermogen om ‘met gewone middelen onvergetelijke effecten te bereiken. Zijn taal is karig en kaal (zoals de taal van het onderbewustzijn) (…) Het is moeilijk een anthologie te maken van zijn beste pagina’s: hij heeft geen beste pagina’s, hij heeft alleen betere romans, waarin alles naadloos met elkaar samenhangt.’ Wat doorgaans helpt deze onvergetelijke resultaten te bereiken is een nauwe eenheid van plaats en tijd: in de meeste van Simenons boeken is het zelden van belang wat er in Parijs gebeurt, laat staan in de wereld daarbuiten.

Chez Krull wijkt af van die norm: de buitenwereld laat zich hier met kracht gelden. Er worden grenzen overgestoken (de roman eindigt zelfs in Italië); we horen over Hans in België en over Hans in Duitsland. Wat is de reden die hij opgeeft voor zijn weigering om daarheen terug te keren? Mijn hoofd schoot erdoor naar achteren. ‘Er was sprake van dat ze me in een concentratiekamp wilden zetten.’ De woorden ‘camp de concentration’ komen vier keer in de roman voor (in een andere leugen is de reeds lang overleden vader van Hans onlangs in een concentratiekamp terechtgekomen). Ik keek naar de datum van het boek: Simenon heeft het op 27 juli 1938 voltooid in La Rochelle. Was het niet zo dat de meeste mensen pas na de oorlog van de concentratiekampen wisten? Toch staat het daar, in de populaire literatuur van destijds.

Boeken reizen op een vreemde manier door de tijd. Soms blijven ze gewoon zichzelf, soms krijgen ze extra lading en gewicht door de omstandigheden waarin ze gelezen worden. Ik las Chez Krull niet lang na het Brexit-referendum en wat daarvan de meest onmiddellijke sociale repercussies leken te zijn: de op muren geschilderde teksten, de toename van raciaal geweld, het gooien van stront naar ‘buitenlandse’ vrouwen, de brandstichting bij een halal-slager, de oogluikend toegestane agressie van ‘Britse patriotten’, de moord op een Pool in Harlow. Zelfs in het deel van Londen waar ik woon, dat overwegend voor het ‘Remain’-kamp heeft gestemd, merkte ik een paar van de gevolgen op: bijvoorbeeld de manier waarop Oost-Europese bouwvakkers nu stilletjes met elkaar praatten in plaats van naar elkaar te schreeuwen in hun opgewekte Slavische tongval.

Ik ben oud genoeg voor een 65-plus-pas, maar ben groot en overduidelijk wit, en voelde mij beschaamd toen ik op straat nerveuze blikken opving van kleinere, minder witte vrouwen. De wereld van Chez Krull is een gemeenschappelijke, een gedeelde wereld. En een paar van die Poolse bouwvakkers zijn hier misschien (zij het om meer commerciële redenen) vanuit dezelfde regio terechtgekomen als de ouders van Brookner vóór ‘Hitlers oorlog’, zoals sommigen die noemden.

***

Referendum Day viel op een vreemde manier precies tussen de verjaardag van mijn francofiele vader (22 juni) en mijn francofiele moeder (24 juni), die allebei al lang dood zijn. Die avond, nadat de stembussen waren gesloten, dineerden we met z’n achten; iedereen had ‘Remain’ gestemd, hoewel we weinig enthousiasme konden opbrengen voor degenen die onze zaak publiekelijk hadden bepleit: Cameron, Osborne en de Onzichtbare Man die aan het hoofd van Labour stond. Maar beide campagnes waren vreselijk leugenachtig geweest, en gebaseerd op angst. Tegen het einde van het diner vroeg ik aan de aanwezigen: ‘Als het allemaal de verkeerde kant op gaat, wie haten jullie dan het meest: Gove, Johnson of Farage?’

Gove kreeg geen enkele stem, Johnson zeven, en ik bracht mijn eigen stem uit op Farage. In de context van de Brexit leek Johnson mij louter een opportunist; Farage had de bron daarentegen al jaren vergiftigd, met zijn namaak-pub-verhalen, zijn witte paranoia en niet al te zachtzinnige racisme (hoor je vandaag de dag nog wel eens iemand Engels spreken in de trein?). Zonder Farage’s heimelijke en openlijke steun zou het smeulende vuur van de xenofobie op 23 juni niet zijn opgelaaid. Na de moord op Arkadiusz Józwik in Harlow was er op televisie een groep rouwende Polen te zien. Ze spraken zacht en betamelijk – vooral geen aandacht trekken! – maar ik was blij toen een jonge Pool zei: ‘En er is één andere persoon verantwoordelijk. Ik zal zijn naam niet noemen. (Pauze). Ja, toch wel. Zijn naam is Nigel Farage.’ Na het referendum maakte Farage trots bekend dat we onze onafhankelijkheid terug hadden gekregen ‘zonder dat er ook maar één kogel is afgevuurd’. Ja – behalve dan de drie kogels die op het parlementslid Jo Cox werden afgevuurd, uit het zelfgemaakte geweer van een ‘Britse patriot’.

Niet dat ik niet bijna op Johnson had gestemd (tijdens dat etentje, bedoel ik). Jarenlang heb ik ergens een zwak voor hem gehad. Hij was enig in zijn soort (zoals hij het ongetwijfeld ook zelf zou zeggen), en niet pompeus. Als burgemeester van Londen had hij niet veel gedaan, behalve het rodefietsenproject van Ken Livingstone veranderd in het blauwefietsenproject van Boris Johnson, maar als cheerleader voor de stad had ik weinig bezwaar tegen hem. En hij kon onmogelijk een racist zijn, want hij was toch zelf voor een deel Turks? Als iemand hem in mijn aanwezigheid afbrandde, zei ik: ‘Nou, mijn broer heeft zo’n twintig toekomstige parlementsleden lesgegeven toen hij docent was in Oxford, en hij heeft me verteld dat Boris de aardigste en de slimste van hen allemaal was.’ Destijds leek dat een goed antwoord, maar nu niet meer. Mijn broer woont inmiddels in Frankrijk, zijn Britse pensioen is tien procent in waarde gedaald, en hij is wisselgeld geworden. Misschien kan zijn ex-leerling hem wat fondsen sturen.

Toen Johnson nog correspondent in Brussel was voor The Daily Telegraph maakte hij deel uit van een decennialange perscampagne, waarvan de voornaamste kenmerken waren dat het om kaarsrechte bananen ging, niet-gekozen bureaucraten (heeft iemand het ooit over de niet-gekozen bureaucraten in Groot-Brittannië gehad?) en hoge kosten (terwijl onze eigen parlementariërs louter declaraties indienen voor eendenkooien, het baggeren van slotgrachten en gigantische televisietoestellen). En net zoals antizionisme vaak een excuus is voor antisemitisme is eurofobie een handige dekmantel voor een veel verder gaande xenofobie.

Maar uiteraard was het niet alleen de schuld van de pers. Weinig premiers uit de jaren nadat Edward Heath ons de eeg binnenloodste hebben het politiek opportuun geacht zich enthousiast te betonen over Europa. Ik werd het beu om eerst Major en daarna Blair te horen beweren dat we ‘tot de kern van Europa’ behoorden, terwijl we niet eens de euro hadden ingevoerd of het Schengen-akkoord hadden ondertekend. Politici hebben nooit geprobeerd Europa aan het Britse publiek te verkopen als iets anders dan een voordelige commerciële joint venture. We zijn louter om pragmatische en nooit om idealistische redenen lid geweest. We hebben Europa nooit gezien als een groots project, of zelfs maar als een uitdrukking van broederschap. Dit alles maakt het voor velen hier moeilijk te geloven dat het idealisme jegens de EU in Europa nog steeds leeft.

Wellicht worden we een soort Groter België met quasi-Amerikaanse waarden – en net als België verscheurd in aparte naties

Vóór 1973 heeft De Gaulle de toetreding van Groot-Brittannië tot de Europese Gemeenschap tot tweemaal toe tegengehouden. De Britten, zo zei hij, mochten niet toetreden omdat ze niet ‘communautair’ waren – geen gevoel hadden voor de gemeenschap. En nu, tientallen jaren later, kunnen we zien dat hij gelijk had. We zijn zeer onbevredigende Europeanen geweest, de opgeschoten jongens die in een hoekje scheten lieten. ‘Geef ons een uitzonderingspositie, we willen ons geld terug.’

In 2011 ging ik voor de eerste en enige keer naar het Europees Parlement. Ik was de voorzitter van de Europese Boekenprijs. Destijds stond het Europese project onder grote druk en werd gevreesd dat de euro zou kunnen instorten. Zelfs ik, als buitenstaander, kon de angst ruiken. Tijdens het diner zat ik naast een hooggeplaatste Duitse politicus wiens naam me was ontgaan. Hij had een verstandige kijk op de dreigende gevaren. Op een gegeven moment vroeg ik hem: ‘Kunt u zich in de afgelopen twee of drie jaar van deze crisis iets herinneren wat de Britten hebben gedaan of hebben gezegd waar Europa iets aan had?’ Hij dacht een tijdje na over deze vraag en schudde ten slotte zijn hoofd, eerder bedroefd dan wat anders. ‘Nee’, antwoordde hij. Later kwam ik erachter wie hij was: Martin Schulz, die nu namens de spd de handschoen heeft opgenomen tegen Angela Merkel. In oktober, toen hij nog voorzitter was van het Europees Parlement, zei hij: ‘Ik weiger me een Europa in te beelden waar vrachtwagens en hedgefondsen vrijelijk grenzen kunnen oversteken, maar burgers niet.’

***

De dagen dat ministers hun ontslag indienen lijken voorbij te zijn. Mensen blijken als nooit tevoren aan het pluche te kleven. Kijk maar naar Boris Johnson: ontslagen door The Times omdat hij iemand iets in de mond had gelegd, ontslagen door een partijleider van de Conservatieven omdat hij had gelogen, openlijk liegend tijdens de referendumcampagne (de nhs-‘belofte’, de talloze Turkse ‘immigranten’ die op weg zouden zijn naar Groot-Brittannië), en toch wordt hij minister van Buitenlandse Zaken. Het is waar dat Sir Henry Wotton de beroemde uitspraak heeft gedaan dat een ambassadeur ‘een eerlijke gentleman is die naar het buitenland wordt gezonden om te liegen ten behoeve van zijn land’, maar dat lijkt niet te impliceren dat de man die het bewind voert over al die ambassadeurs van Hare Majesteit zó vaak professionele leugens hoeft te debiteren.

Ik herinner me een gesprek met een Tory-insider, uit de tijd dat Cameron en Johnson werden gezien als concurrenten voor het leiderschap van de partij. ‘Boris vindt David een lichtgewicht, en David vindt Boris een ongeleid projectiel’, zei mijn bron. ‘En het probleem is dat ze allebei gelijk hebben.’ Nu zijn Johnson, Liam Fox en David Davis, nog twee van wie de carrière in een doodlopende steeg leek te zijn beland, belast met de Europa-onderhandelingen.

Aan de vooravond van het referendum beweerde Johnson dat Europa’s ‘plan’ voor ons leek op dat van Hitler (ook Gove bediende zich van nazi-analogieën). Johnson is een groot pleitbezorger geweest van het ‘prosecco en kaas’-argument: de Italianen en Fransen zouden zó bang zijn om de Britse markt voor deze producten te verliezen dat zij zich wel verplicht zouden voelen ons tegemoet te komen. Johnson beweerde dat de Britten driehonderd miljoen liter prosecco per jaar drinken. Helaas bedroeg de totale prosecco-productie vorig jaar 450 miljoen liter, waarvan de Britse omzet 35 miljoen liter voor zijn rekening nam. Nu hij promotie heeft gemaakt, maar nog steeds weinig op heeft met de feiten, blijkt hij zowel een lichtgewicht als een ongeleid projectiel. En zijn opgewonden etoniaanse charme werkt niet zo goed buiten Angelsaksische landen. Zoals Guy Verhofstadt en Wolfgang Schäuble het verwoordden, in bezorgd ongeloof, na hun eerste officiële ontmoeting met hem: ‘We zijn er allebei aan gewend een grote mate van respect te hebben voor ministers van Buitenlandse Zaken.’

***

Hans Krull maakt geen toespelingen op nazi’s, of op de algemene politieke situatie in Duitsland, maar hij praat wél over de joden. Het is de moeite waard hier wat langer op in te gaan. Joseph beklaagt zich er tegenover Hans over dat iedere keer dat er iets slechts gebeurt in het stadje de Krulls de schuld krijgen, ‘alleen maar omdat wij buitenlanders zijn’. Hans houdt staande, ‘als een man die de waarheid in pacht heeft en er geen twijfels over heeft’, dat Joseph het bij het verkeerde eind heeft: ‘Het is niet omdat jullie buitenlanders zijn (…). Het is omdat jullie niet buitenlands genoeg zijn (…) of omdat jullie té buitenlands zijn.’

Joseph is verbijsterd: ‘Zijn we niet buitenlands genoeg?’

Hans legt verder uit: ‘Of té buitenlands. Jullie zijn er niet open genoeg over. Jullie schamen je ervoor buitenlander te zijn. Net zoals jullie je ervoor schamen protestants te zijn. Jullie komen hierheen en willen net als alle anderen zijn. Jullie imiteren hen onhandig, maar weten dat het nooit zal werken. En zij voelen dat. Ik wed dat jullie op 14 juli méér vlaggen laten wapperen dan wie dan ook, en dat jullie op Sacramentsdag rozenblaadjes in de straat strooien. Mensen haten dat méér dan als jullie niets doen, als jullie gewoon de luiken zouden sluiten.’

Joseph brengt daar tegenin: ‘Maar als we agressiever zouden zijn, zou dat het erger maken.’

Hans antwoordt: ‘Het is geen kwestie van agressief zijn, maar van zeker van jezelf zijn. Net als wanneer de joden ergens anders gaan wonen. Zij schamen zich niet voor hun namen of voor hun neuzen. Zij schamen zich niet voor hun ondernemersgevoel of voor hun hebzucht. Dat is hoe het is, en niet anders. Jammer dan voor andere mensen en wat zíj denken. Zij wonen bij elkaar en geven er niet om als kinderen op straat gekke bekken naar ze trekken.’

Kunnen we alsjeblieft korte metten maken met de met plechtige stem uitgesproken mantra ‘het volk heeft gesproken’?

Simenon voltooide zijn roman vier maanden vóór de Kristallnacht; en Hans heeft vooral zijn eigen waarheid in pacht. Maar de verbijstering van Joseph weerspiegelt het onoplosbare dilemma van de immigrant: het maakt niet uit of je ‘probeert zoals zij te zijn’ of niet, of dat je probeert een middenweg te kiezen, het is altijd verkeerd. Hier in Groot-Brittannië is de officiële stellingname vandaag de dag troosteloos helder. Je redt kinderen uit een brandend huis – je moet vertrekken; je zorgt al tientallen jaren voor je Britse echtgenoot en Britse kinderen, maar brengt ook tijd in het buitenland door om voor je verwanten te zorgen – je moet vertrekken; je zet een komma verkeerd bij het invullen van een formulier van 85 pagina’s, of kan een oude gasrekening niet meer vinden – je moet vertrekken. Sommigen vertrekken inmiddels al uit zichzelf, bang of vol afkeer, om hun gezinnen bij elkaar te kunnen houden.

Maar hier is beslist geen sprake van beleidsverandering: het ministerie van Binnenlandse Zaken ging onder Theresa May ook al steevast in beroep in alle immigratiezaken die door het ministerie verloren werden. Nu is het alleen alsof het Brexit-referendum hun expliciet toestemming heeft gegeven het land te zuiveren, tenzij er in een bijzonder geval sprake is van massaal verzet onder de bevolking.

En hoe ziet de visie van de Brexiteers op ons toekomstige, gezuiverde land eruit? Dat lijkt een mengeling te zijn van Merrie England, Toytown en Singapore. Naar buiten gericht in de zin van ‘open voor het bedrijfsleven’, wat doorgaans betekent ‘te koop’. Naar binnen gekeerd in andere opzichten. Moreel uitgeput door ons van Europa af te keren en onder de geurige oksels van Trump te schuilen.

Small 17 05 16 brexit johnson
© Joep Betrams

Hoe zal dit alles eindigen? Wellicht worden we een soort Groter België met quasi-Amerikaanse waarden – en eveneens, net als België, verscheurd in aparte naties. Denken we serieus dat degenen die voor de Brexit stemden het onder deze krimpende overheid beter gaan hebben? (Ik kan me niet herinneren dat de slogan ‘Armer maar Gelukkiger’ werd gebruikt.) Dat de nhs goed gefinancierd zal worden? Dat het toenemende aantal nul-urencontracten niet verder zal oplopen? Dat de oude winnaars de nieuwe, zelfs nog grotere winnaars zullen zijn? Denken we serieus dat May zal gaan bouwen aan ‘een land dat voor iedereen werkt’? In plaats van de piëteiten van onze huidige politieke elite heb ik liever het oude Portugese gezegde: ‘Als stront waardevol zou zijn, zouden de armen zonder poepgat geboren worden.’

***

In de aanloop naar het referendum marcheerden ‘Britse patriotten’, vermomd als voetbalsupporters, door Marseille, terwijl ze riepen: ‘Fuck Off Europe, We’re All Voting Out’. Op dezelfde manier houdt May niet van al te veel kosmopolitisme: ‘Als je denkt dat je een wereldburger bent, ben je een burger van niets of nergens.’ Simon Leys, die als Pierre Ryckmans in België werd geboren en via Taiwan, Singapore en Hongkong is verhuisd naar Australië, waar hij woonde van 1970 tot zijn dood in 2014, begreep zowel de paradox van de provinciaalsheid als het gevaar van de ‘nationale cultuur’. Die paradox werd goed verwoord door Borges: ‘De schrijver die in een groot land is geboren dreigt altijd te geloven dat de cultuur van zijn geboorteland zal voorzien in al zijn behoeften. Paradoxaal genoeg loopt hij daardoor het risico provinciaals te worden.’

Leys borduurde hierop voort: net zoals Goethe in Weimar woonde – destijds ‘een stadje dat nog iets kleiner was dan Queanbeyan’ – en niettemin op de hoogte bleef van de literaire wereld van Groot-Brittannië en Frankrijk, maar ook van de laatste Chinese romans, kun je ‘kosmopolitisme makkelijker verwezenlijken in een provinciaalse setting, terwijl het leven in een metropool op bedrieglijke wijze kan resulteren in een vorm van provincialisme’. Hij concludeert: ‘Cultuur komt voort uit uitwisseling, en kan bloeien dankzij verschillen. In deze zin is “nationale cultuur” een contradictio in terminis en “multiculturalisme” een pleonasme. De dood van de cultuur is gelegen in naar-binnen-gekeerdheid, zelfgenoegzaamheid en isolement.’

Net als veel ‘Remainers’ heb ik ingewikkelde gevoelens over de Brexit, net als over de Irak-oorlog. Degenen van ons die tegen de oorlog waren, wilden dat Bush en Blair, en de parlementsleden die vóór de oorlog hadden gestemd, het mis zouden blijken te hebben en voor hun hoogmoed gestraft zouden worden, terwijl we tegelijkertijd hoopten dat er niet al te veel Britse soldaten en onschuldige burgers (of onschuldige Iraakse soldaten) zouden omkomen; we hoopten ook dat de coalitie een overwinningsstrategie had, en dat de bredere regionale gevolgen niet al te rampzalig zouden zijn. (En kijk eens hoe dat is afgelopen.)

Op dezelfde manier hoop ik nu dat – zoals waarschijnlijk lijkt – het zelfingenomen vertrouwen van de leidende Brexiteers, en hun arrogant-agressieve opstelling van vóór de onderhandelingen, zullen botsen op de Europese werkelijkheid, en bestraft zullen worden. Dat Europa ons zal uitkleden, dat er sprake zal zijn van een harde Brexit, dat de Europese Unie ons net zo lang als Canada zal laten wachten op een handelsakkoord, en dat Trump ons een vernederend ‘America First’-aanbod zal doen. Dat de delen van Left Behind Britain die vóór een vertrek uit de EU hebben gestemd erachter zullen komen dat de mooie nieuwe toekomst zonder al die Polen, Roemenen en Bulgaren betekent dat zij nu zelf aardbeien moeten plukken, aardappelen moeten sorteren en voor demente bejaarden moeten zorgen, en dat – omdat het kapitalisme nu eenmaal zo werkt – hun lonen niet hoger zullen zijn. Dat de mensen uit Cornwall en Ebbw Vale, die voor het merendeel vóór ‘Leave’ hebben gekozen, ondanks grote EU-subsidies uit het verleden, en wier vertegenwoordigers onmiddellijk een verzoek hebben ingediend bij de centrale regering om die verloren gegane ‘buitenlandse’ subsidies te compenseren, te horen zullen krijgen dat het geld op is. Enzovoort. Maar ik hoop ook dat mijn land zonder al te veel bijkomende schade uit dit alles te voorschijn zal komen. De Irak-oorlog is echter geen bemoedigende vergelijking.

Small 02 05 17 eu brexit onderhandelingen
© Joep Betrams

En dan nog iets anders. Kunnen we alsjeblieft korte metten maken met de met plechtige stem uitgesproken mantra ‘het volk heeft gesproken’? Het volk werd een vraag gesteld door een overmoedige politieke elite en mocht slechts een zeer eenvoudig antwoord geven, waarop een enigszins andere versie van diezelfde elite ervoor kiest dat antwoord te interpreteren op een manier die aansluit bij de eigen politieke en partijpolitieke belangen. Wat de veel aangehaalde ‘volkswil’ aangaat, die was er – overduidelijk – helemaal niet. En de ‘volkswil’ leidt maar al te makkelijk naar ‘vijanden van het volk’, die stalinistische frase die nu wordt omarmd door de Daily Mail, de rechtse Pravda. De Mail, die zijn lezers dertig pagina’s lang op belangrijker nieuws en belangrijker commentaren heeft getrakteerd alvorens zich te verwaardigen te berichten over de veroordeling van de moordenaar van Jo Cox, en die nu als betrouwbare informatiebron is verwijderd door Wikipedia. Een smerige kop leidde ertoe dat er extra beveiliging nodig was voor de rechterlijke macht. Maar het zijn tenminste Britse rechters die door Britse politieagenten moeten worden beschermd tegen Britse ‘patriotten’, dus is het in orde.

De dag na het referendum wandelde ik in het plaatselijke park, toen een man me tegemoet fietste, recht over een VERBODEN TE FIETSEN-markering heen. Ik keek hem fronsend maar zonder iets te zeggen aan, waarop hij me toeschreeuwde: ‘O jee, Flaubert, waar ben je nu?’ Een merkwaardige Noord-Londense variant op het triomfalisme van de Brexiteers. De volgende dag versloeg het Britse rugbyteam de Australische Wallabies met 3-0. Een Australische krant kwam vervolgens met deze kop: ‘Nog een continent dat jullie haat.’

We mogen dat soort reacties op onze huidige koers niet onderschatten. We koesteren een sentimentele visie op hoe anderen ons zien: als correct, humoristisch, excentriek, beleefd, tolerant, flegmatisch, enzovoort – ‘très British’. Maar van oudsher hebben ze ons net zo vaak – zo niet vaker – gezien als koud, arrogant, gewelddadig, egocentrisch, racistisch en hypocriet. Een Franse vrouw die dertig jaar in Groot-Brittannië heeft gewoond vertelde me in de dagen na het referendum dat ze erover dacht terug te keren naar Frankrijk. En hoewel zij bijzonder zachtaardig is en totaal niet geïnteresseerd is in politiek voegde zij eraan toe: ‘Nu zullen de mensen jullie weer haten.’ Let op dat ‘weer’. We gaan een paar ‘jours durs’ tegemoet.

Julian Barnes is de schrijver van, onder veel meer, Flaubert’s Parrot, The Sense of an Ending, waarvoor hij de Booker Prize kreeg, en The Noise of Time.Dit is een licht ingekorte versie van een essay dat eerder verscheen in The London Review of Books. Vertaling Menno Grootveld.