Nummers

Wie Arie Boomsma volgt op Instagram, kan tegenwoordig elke dag filmpjes bekijken waarin hij laat zien hoe je binnenshuis in shape kan blijven. Buikspieroefeningen met een wc-rol, push-ups met een bankstel, iets met bovenbenen en een emmer. Kan die jongen niet iets nuttigs gaan doen met al die spieren van hem, appt een vriend. Zijn plafond witten of de sloot baggeren, zoiets?

Deze weken denk ik zo’n drie keer per dag – de gezette tijden waarop ik mijn hond uitlaat in het park – aan Mark Greifs essay ‘Against Excercise’, opgenomen in de bundel Against Everything (2017). Hij analyseert de westerse fitnesscultuur, waarin alles kwantificeerbaar moet zijn, van de hartslag tot het aantal afgelegde kilometers en calorieën. Dat meetbare is een definiërend kenmerk van wat Greif ‘modern excercise’ noemt – dat wat ik in goed Nederlands zal vertalen als ‘work-out’. Het lichaam wordt voorgesteld als een set nummers die bepaalde vaardigheden moeten uitdrukken. Die nummers zijn helder, schoon en maakbaar. Iedereen heeft toegang tot de nummers, het is een tamelijk gangbaar idee dat wie ongezond is zich onttrekt aan de verplichting om, nou ja, gezond te zijn.

Het paradoxale aan die meetbare en maakbare nummers is dat ze met al hun zeggingskracht zo weinig zeggen. Je wordt wat dunner of gespierder, blijft langer houdbaar – but to what end? ‘We preserveren het levende lijk in optimale staat, niet om er iets mee te doen, maar voor het behaaglijke gevoel van eeuwige fitheid, zelfvertrouwen en veiligheid’, schrijft Greif (mijn eigen vertaling).

Maar goed, mijn park is dus veranderd in een soort openluchtgym. Eerder was dat een transformatie van de zondagochtend: bootcampclubjes, hardloopclubjes, vechtsportclubjes, zwangere-vrouwen-met-elastieken-clubjes koloniseerden het park tijdelijk met hun gehijg, muziekboxen en state of the art-lycrapakjes. De vaste parkbezoekers keken ernaar met een milde verbazing en berusting: op maandagochtend zat iedereen weer in zijn kantoortuin, werd het park weer gewoon van ons, de slenteraars en hondenuitlaters, de alcoholisten op de bankjes tegenover het hostel, de zieken uit het aangrenzende ziekenhuis die voorzichtig wat frisse lucht inademden, de junks op hun gammele fietsen.

Je wordt wat dunner of ­gespierder, blijft langer ­houdbaar – but to what end?

Nu is het elke dag zondagochtend, al zien we de diversiteit van het ecosysteem afnemen. De groepen zwangere vrouwen verdwenen als eerst. Daarop volgden de bootcampclubjes. Om de fitnessrekken naast de honderd jaar oude muziekkoepel is inmiddels, nadat een rood-wit afzetlint nutteloos bleek, een zwarte container geplaatst. Idem voor de tennisbaan, die inmiddels is afgezet met dranghekken. Duo’s met bokshandschoenen blijken onuitroeibaar, net als meisjes van begin twintig die via een app op hun telefoon een serie sprintjes trekken tussen de vijver en de bloembakken, met intermezzo’s van buikspieroefeningen. Maar de soort die alle andere soorten, inclusief de niet-sporters, domineert, zijn de hardlopers.

Hardlopen is volgens Greif de meest invasieve van alle work-outs, omdat die de publieke ruimte zo schaamteloos overneemt: ‘Met zijn snelheid en intensiteit, verstoort de hardloper de ruimte waarin gewandeld, gedacht en gepraat wordt. Hij slingert de nietsdoener uit zijn gemijmer. Hij snelt tussen voetgangers door die in gesprek zijn. De hardloper verzet zich tegen gezelligheid en eenzaamheid door er publiekelijk op te zweten.’

De breedste cirkelroute om het park is een renbaan geworden waar het recht van de sterkste geldt. Ik moest denken aan een vriendin, die lang geleden al tegen me zei dat de sterkeren op de stoep niet wijken voor de zwakkeren. In de praktijk kwam het er volgens haar op neer dat vrouwen voortdurend plaats moesten maken voor mannen. Dit leek me ongeloofwaardig, tot ik het experiment aanging waarbij ik probeerde niet als eerste te wijken voor een tegenligger… De Uitkomst Van Deze Test Zal U Verbazen!

Dat ik dit experiment in de huidige omstandigheden niet kan voortzetten, frustreert me in toenemende mate. Net iets meer dan dat ik tegen de hardlopers wil opbotsen, wil ik verschoond blijven van hun gehijg en gerochel. Hierdoor is het uitlaten van de hond veranderd van een doodgewoon wandelingetje in een slalom-uitdaging met pylonnen die je niet alleen moet zien te ontwijken, maar die een interactieve modus hebben waarbij ze zichzelf als projectielen op je afvuren. De mannen zijn het ergst en de fitte mannen het allerergst, ik kan het maar gezegd hebben. In hun blinde devotie aan de nummers hebben ze schijt aan iedereen die langzamer is, kwetsbaarder, voorzichtiger. Ze zien de moeder en dochter niet, die al drie keer het park zijn rondgegaan, hand in hand, langzaam maar vastberaden, en in tranen. Ze zijn vergeten dat er een ziekenhuis aan de westingang van het park ligt en dat bewegen meestal niets te maken heeft met nummers.