Nutteloos

Het is niet J.J. Voskuil die mijn ergernis wekt. De schrijver van de autobiografische roman Het bureau kan moeilijk arrogantie worden verweten. Hij is geen blaaskaak en pretendeert geen moment de wereld te verbeteren. Integendeel. Voskuil is grijs, nederig en fatalistisch. Zijn hele leven heeft hij geen andere ambitie gekoesterd dan zich zo nutteloos mogelijk te gedragen. Volgens deze logica heeft hij dertig jaar lang, naar eigen zeggen en waarneming, volstrekt zinloze werkzaamheden uitgevoerd op het Amsterdamse Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde. Een soort lijkenhuis waar miereneukers het verschijnsel miereneukerij met een vergrootglas gadeslaan.

Hoewel hij zich wel degelijk bewust was van de nulliteit van zijn bestaan, heeft Voskuil er voor gekozen zich in zijn lot te schikken. Zijn enige daad van verzet pleegde hij meestal na zonsondergang, wanneer hij zijn pyjama aangetrokken had en veilig in de veren was geplonsd. In het holst van de nacht droomde hij dan vrijuit van het ontslag dat hij tussen negen en vijf op werkdagen nooit zou durven nemen.
Op zich niets bijzonders. Er zijn tal van Voskuils om ons heen die dagelijks kokhalzend naar hun baas sluipen maar nooit op de onbevlekte bureau-onderlegger van hun hiërarchische superieur over hun nek zullen gaan. Het verschil tussen hen en Voskuil is dat laatstgenoemde al die jaren een dagboek vol futiele handelingen en zinloze dialogen heeft bijgehouden. Toen de kust veilig was - dat wil zeggen toen enkele collega’s onder de grond hun plek hadden gevonden en hij er met pensioen was uitgebonjourd - begon Voskuil zijn notulen in een gigantisch evaluatierapport te gieten dat de spannende naam Het bureau draagt. Een slimme uitgever en wat volgzame recensenten deden het publiek onmiddellijk geloven dat het omvangrijke rapport literatuur was, wat trouwens hun goed recht is.
Om mij hiervan te overtuigen grijp ik regelmatig naar een exemplaar van Het bureau als ik een boekhandel binnenloop. Een gevaarlijke bezigheid, want na nog geen pagina gelezen te hebben, ontstaat in die winkels iedere keer groot tumult rond mijn persoon: ik val namelijk knorrend en snurkend op de grond en moet door de verkopers naar buiten worden gedragen.
Bij het verschijnen van het eerste deel van Voskuils afrekening met zichzelf maar ook vooral met zijn oude maatjes, heb ik me nogal opgewonden en, ergens anders dan op deze plek, de auteur voor ‘rancuneus kasplantje’ uitgemaakt. Ik dacht de ergernis van me af te hebben geschreven, maar bij het uitkomen van het derde deel van Het bureau dat voor een autobiografisch zelfportret de toepasselijke naam Plankton draagt, weet ik dat het tegendeel waar is. Zodra ik het zuinige lachje of de emotieloze stem van de auteur hoor, kleurt mijn gezichtsveld groen en geel.
Toch is het niet, paradoxaal genoeg, J.J. Voskuil die mijn ergernis wekt. Nog steeds vind ik dat men niet met insuline op wilsonbekwamen mag schieten. Het zijn de lezers die een giftige knop in mijn buik leggen. De junks die deze dagen met trillende handen 69 gulden neertellen om hun portie bedrukt coma te scoren. In een gezaghebbende avondkrant, afgelopen vrijdag, vroeg de recensente zich vertwijfeld af waarom zij en duizenden andere Nederlanders met haar de 'saaie levenswandel’ van een 'kleurloze zeur’ blijft volgen in een letterzee waar geen enkele zin vanwege zijn 'schoonheid of zeggingskracht blijft hangen’. Goede vraag.
De recensente kon het raadsel niet helemaal ontrafelen en gooide het op fascinatie. En wat de identificatie betreft, hoef ik alleen een zin uit Herman Pleijs boek Het Nederlands onbehagen te citeren: 'We willen geen helden, en als ze er ongemerkt zijn dan dienen ze te excelleren in gewoonheid.’
Bij mij geen fascinatie en vanzelfsprekend geen identificatie. Bovendien heb ik weinig op met suïcidaal gedrag verpakt in pseudoliteratuur. De existentie is verre van zinloos en in tegenstelling tot katten hebben wij maar één leven en geen negen om er iets van te maken. Tussen Sartre en Voskuil is mijn keus dus snel gemaakt. Iedereen is natuurlijk vrij om bij het Instituut voor Dialectologie enzovoort te gaan solliciteren om de volgende drie decennia rustig aan te doen. Maar de cultus van de zinloosheid die met het verschijnen van deel één van Het bureau luidruchtig is geproclameerd, vind ik lichtelijk gênant, een tikkeltje pervers en uiteindelijk zeer ongezond.
Er zijn trouwens geen zinloze levens maar alleen laffe boeken. Allo jongens en meisjes, wakker worden! De zon schijnt en er zijn nog heel wat dingen links en rechts om voor te knokken. Ook kan ik desnoods voor u op bestelling leuke cultussen verzinnen. Bijvoorbeeld die van de uiteindelijk ingediende ontslagbrief. Dus sla de deur van dit muffe bureau dicht en loop morgen resoluut en vastberaden naar de personeelsafdeling van uw eigen instituut voor de nutteloosheid.