Mijn zusters en ik blijken een zeker ongeloof in het concept ‘fysieke herinnering’ te delen, want hoewel we tijdens het uitruimen van het ouderlijk huis met enige nadruk voorwerpen aan elkaar probeerden te slijten leidde dat nauwelijks tot resultaat. Voor veel was een goede verklaring: een overjarige computer, een printer waarin de inkt was opgedroogd, serviesgoed dat wel mooi was maar waarvan we wisten dat geen van ons het ooit zou gebruiken, stoelen en banken die bij ons een mengeling van huiver en afkeer opwekten.

Starend naar de stoel waarin mijn vader de laatste jaren van zijn leven sleet, dacht ik ineens aan de mooie Italiaanse hoekbank die onze ouders in de jaren zeventig kochten, toen ze nog van De Ploeg-stoffen en Pastoe-meubelen waren. Na die bank sloeg het om. Eerst kwam er een reusachtige eikenhouten eettafel binnen, met bijbehorende oud-Hollandsche stoelen, en daarna was het hek van de dam en werd geleidelijk alles wat mooi en smaakvol was vervangen door wat ‘gezellig’ werd genoemd. Ik wijt het aan mijn vader, die mij ooit bekende dat hij in plaats van in een pak liever gekleed ging in een bombazijnen pij.

Ik heb me altijd afgevraagd hoe en waarom de goede smaak van mijn moeder plaatsmaakte voor mijn vaders idee van ‘knus’. Was de inrichting van het huis een jarenlange stille strijd geweest die zij uiteindelijk had opgegeven? Ik heb geen idee. Ik weet wel dat ik zelf lang heb gevreesd dat het een kwestie van leeftijd was en dat ook ik, op een donkere, onheilspellende dag, ineens zou gaan verlangen naar eikenhouten eettafels en overdadig gecapitonneerde stoelen. Het is nog niet gebeurd, maar ik blijf er scherp op.

We hadden alle drie moeite om de klokken mee te geven aan de opkoper. Ze hadden weinig met onze ouders te maken, hoewel ze decennialang in hun huizen hadden gestaan en gehangen. Mijn grootvader had ze verzameld en gerestaureerd of zelf gebouwd. De Friese staartklok bevrijdde hij van een boerenzolder en volgens de overlevering had het hem weken gekost om die te ontdoen van stof en paardenmest. Het Zaanse klokje bouwde hij zelf. Mijn grootvader had zich de horologie eigen gemaakt omdat hij niet graag stilzat. Laat in zijn leven nam hij zelfs nog schilderles, hoewel ik begreep dat de lessen vooral aanleiding waren voor gezelligheid in de vorm van jenever en sigaren. Maar hij was het prototype van een knutselaar. De plantenkas achter het huis had hij zelf gebouwd en daarin kweekte hij op wat hij voor zijn werk als hovenier nodig had. Van hem leerde ik stekkers aan snoeren zetten, zagen en timmeren. Het is dat we geen bloedverwanten waren – hij was de onderduikvader van mijn moeder – maar anders zou ik zeggen dat ik mijn liefde voor techniek en zelf dingen maken van hem heb geërfd.

Aan het einde van de uitruimdag ging ik naar huis met een stalen geldkistje zonder sleutel, een zakhorloge dat niet liep – beide van mijn grootvader geweest – en mijn eigen boeken. De boeken waren in uitstekende conditie, want mijn ouders hadden ze niet gelezen. Het kistje kreeg ik niet open. Ik kon horen dat er iets in zat. Een paar dagen later vond ik een slotenmaker die een sleutel in zijn verzameling had die op het kistje paste. Er zat kaartgeld in, centen, stuivers, dubbeltjes en kwartjes uit de jaren vijftig en zestig. Ik liet de slotenmaker een nieuwe sleutel vervaardigen en sindsdien staat dat kistje bij ons in de vensterbank te roesten. Op de een of andere manier is het daar nu ineens mee begonnen.

‘Ik straal blijkbaar zoveel onverschilligheid ten aanzien van erfstukken uit, dat ze in mijn nabijheid spontaan desintegreren’, zei ik toen ik mijn oudste zuster belde.

‘Wij doen niet aan dat soort dingen’, zei ze.

‘Ben je dan helemaal nergens aan gehecht?’ vroeg iemand

Mijn vrouw wel. Die heeft een theekastje met servies van haar moeder. Het staat hier in de kamer nutteloos te zijn.

‘Precies’, zei mijn zuster. ‘Nutteloos. Wat moet je er mee?’

Ik begon aan een betoog waarin de woorden ‘herinnering’ en ‘band met het verleden’ klonken, maar dat was duidelijk meer filosofische exercitie dan een serieuze poging om de intrinsieke waarde van…

Nou ja.

De kwestie bleef door mijn hoofd spoken. Erfstukken… Band met het verleden… Kennelijk zat het mij dwars dat mijn zusters en ik zo weinig waarde hechten aan de spullen van onze ouders.

‘Ben je dan helemaal nergens aan gehecht?’ vroeg iemand. Herinneringen zitten in mijn hoofd, spullen zijn ballast, wilde ik zeggen. En: ik ben iemand die graag en veel weggooit. Misschien komt het door de kleuterschool, waar we aan het einde van elke dag onze spullen moesten opbergen terwijl we zongen: ‘Opgeruimd staat netjes, dat is ons ideaal’. Dat heeft blijkbaar zoveel indruk op mij gemaakt dat het mijn levensmotto is geworden. Misschien zat George Harrison ook op zo’n school en zong hij daarom ‘All things must pass’.

Terwijl ik aan het piekeren was, herinnerde ik mij ineens iets dat ik wel heb bewaard: twee kleine stukjes papier. Het eerste is de opbrengst van een poëzieles op de basisschool toen mijn zesjarige zoon schreef: ‘Mijn vader is van glas.’ Het andere is een post-it die mijn dochtertje ooit aan de deur van mijn werkkamer hing: ‘Niet storen! Grote brein aan het werk!’ Dat hangt al vijftien jaar op de koelkast.