TONEEL

Nutteloze artiesten

Het zijn de kunsten… (2)

Een goed deel van de voorbije week heb ik in toneelzalen doorgebracht. Het begon bij de vermeende elitestrapatsen in Marionett door Maatschappij Discordia, een voorstelling over gooi en smijtwerk, balanceren op (of aan) slappe koorden en ondertussen je kop erbij houden, waarover een collega deze week tegen me zei: volgende keer neem ik mijn jongste kleinzoon mee, die gaat dit geweldig vinden. Daarna: Shakespeare’s strandfeest, een nieuwe Koos Terpstra, try-out in Tilburg, honderdvijftig scholieren in de zaal die ademloos keken en na afloop uit hun dak gingen. Overvolle bak ook bij Mighty Society8, waarin het actuele debat over de kunsten zichzelf snoeihard links en rechts inhaalt in een figurantenhonk bij Geert Wilders - de musical: de progressieve regisseur wordt aangevlogen door zijn eigen understudy, dat soort dingen, hoe dan ook een topavond! En tot slot Modem van Frans Strijards & Co, een vlijmscherpe komedie over marktwerking in de tennisclub van pak ’m beet Loek Hermans en Marlies Veldhuijzen van Zanten-Hyllner - de enige voorstelling waarover hier in de komende weken niet wordt geschreven, omdat ik er, zeg maar, marktwerkingstechnisch iets mee te maken heb.
Ondertussen heb ik alle bijdragen gelezen aan de discussie over de komende kaalslag in de kunstsubsidiëring. Inclusief die in Het Financieele Dagblad van Pim van Klink, ‘kunst-econoom’, die op 16 oktober de originele invalshoek van de omgekeerde bewijslast beoefende: 'In New York, cultural capital of the world, wordt minder kunstsubsidie gegeven dan in Den Haag, terwijl op federaal niveau in Amerika nog niet de helft van het Nederlandse budget aan kunst wordt besteed. Overheidssubsidie wordt daar beschouwd als cultivating mediocracy.’ Laten we als voorbeeld de podiumkunsten nemen, per slot van rekening de sector waarin onder het regime van het kabinet-Grauw I een nieuwe ijstijd zal aanbreken. Alles wat zich in de afgelopen veertig jaar in New York en omstreken qua podiumkunsten verhief boven het maaiveld van de Broadway-mediocracy - van de opera’s van John Adams en het avant-gardetheater van de Wooster Group, tot alle regies van Peter Sellars en Robert Wilson aan toe - heeft zich slechts kunnen handhaven middels gelden en uitnodigingen vanuit het Avondland Europa, waar risicovolle kunst als teken van beschaving door de overheid wordt ondersteund. Pim van Klink beweert trouwens dat Nederland in die overheidsondersteuning van kunst per hoofd van de bevolking in Europa fier voorop loopt, dus nog vóór Duitsland uit. Dit is jokkebrokkerij via de oude truc van de appels en de peren: het Rijk is in Nederland een van de grotere subsidiegevers, in Duitsland zijn dat juist de grote steden en de Bundesländer. Zou Pim van Klink de dingen werkelijk bij de naam noemen, dan kan Nederland nog niet in de schaduw staan van de Duitse kunst- en cultuurpolitiek.
Ik heb me de afgelopen weken verdiept in het gedachtegoed van Ritsaert ten Cate, toneel(circus)directeur, leraar en maestro in het denken over kunst. Ik geef u deze dagsluiting van hem cadeau, uit 1991, allerminst verouderd: 'Cultuur en kunsten zijn een rubriek geworden op de lijsten met verbruiksgoederen. Daar trekken ze onze aandacht. We vergeten de voorrang, die juist bestaat omdat kunst volledig nutteloos is: ze wordt immers nooit gemaakt omdat iemand ze wil - dát maakt het verschil tussen een leven als mens en een leven als zwijn.’