Nuttig

Koken is het leukst zonder recept. Improviseren. Net als schrijven. En lezen.

Je kunt de televisie niet aanzetten of er staat iemand van wie je denkt: hé, een kapper, die dan deelnemer aan een kookwedstrijd (?) blijkt te zijn en koken een kunst vindt.

Nou kan koken een wedstrijd zijn, of op z'n minst een strijd, maar dan vooral als je in de Sahel woont en bij God niet weet waar de volgende maaltijd vandaan moet komen. In die situatie is het ook kunst. Maar voor ons, met boodschappen die worden thuisbezorgd door Albert, voorgesneden en -gewassen sla en Italiaanse, Thaise of Hollandse roerbakmix, is het wat het is.
Zelfs de culinaire acrobatiek van driesterrenchefs, met hun torentjes van pastinaak, geconfijte ottertepels en Siciliaanse lamsham, is geen kunst. Het is vaardigheid. Het is techniek. Het is uit de hand gelopen dagelijks brood.
Ik begon als dertienjarige te koken, toen mijn vader een paar fazanten kreeg bij wijze van relatiegeschenk (ja, wij woonden in de provincie) en mijn moeder het vertikte die te bereiden. Mijn moeder was sowieso niet van het eten. Ik geloof dat ze het eens zou zijn met Reve, dat de maaltijd het best van een oude krant kan worden genuttigd, achter een dichtgetrokken jute gordijn.
Twee fazanten op het aanrecht en de teleurgestelde blik van mijn vader, die, ook al had hij ze zelf niet geschoten, toch iets over zich had van de rendierjager die dagenlang op pad was geweest en nu met de prooi terug was gekeerd naar het kamp.
Ik beloofde prompt, stotterend van overmoed, dat ik ze zou klaarmaken. Een paar uur later zat ik kokhalzend op de drempel van de bijkeuken te doen wat ik nog nooit had gedaan: gevogelte plukken. Ik had er de vergeelde Baedeker voor de vrouw (delen vier tot en met zeven: ‘De weg tot het hart’) voor opgeslagen om te kijken hoe het moest. Na het plukken verwijderde ik de ingewanden en vulde de vogels met ontpitte druiven. Tijdens het braden gooide ik er ook nog een halve fles Riesling tegenaan.
Het recept kwam niet uit de Baedeker. Dat was een improvisatie die voortkwam uit wanhoop en fantasie.
Koken is het aardigst als er geen recept wordt nagevolgd.
Het zal de schrijver in mij zijn, die liefst met een leeg vel begint.
Of het is zo dat ik mij in de keuken een god in het diepst van mijn culinaire gedachten waan, natuurlijk.
Dat laatste zou goed kunnen. Ik heb lange tijd, bij gebrek aan werkend fornuis, gekookt met een verfbrander. Daar kun je ver mee komen. Ik heb er nog even over gedacht om een boek te schrijven: Koken met de verfbrander, honderd ver®assende recepten.
Toen de keuken in mijn nieuwe huis onverwacht lang op zich liet wachten hebben we twee weken lang maaltijden bereid met behulp van niets dan een waterkoker. Ook daar had een kookboek in gezeten.
Tegenwoordig sta ik aan een keukeneiland van vier bij twee en heb de keuze uit een obscene set Ittala-pannen (ze zijn het geld waard en de kinderen hebben zo ook nog iets te erven), hypermoderne gaspitten, een wokbrander, blini-, grill- en gezellige omapannen.
Toch grijp ik af en toe terug op de verfbrander. Ik ben waarschijnlijk minder een kok dan een knutselaar. Maar met de kanttekening dat ik vooral veel niet weet en eigenlijk alleen beschik over het talent voor serendipiteit. Zo heb ik ooit in een vlaag van verveling en woede een broodplank uit een klomp hout gehakt met de halve heggenschaar. Niet omdat er dringend een broodplank nodig was, niet omdat het moest, maar omdat ik het in mijn kop had dat dat moest gebeuren. Heel vermoeiend.
Soms denk ik dat het de boeken uit mijn jeugd zijn die mij zo gemaakt hebben: Robinson Crusoe, Willy van der Heide’s Bob Evers-serie (waarvan de eerste drie delen zwaar leunen op Defoe), Bram Vingerling. Van die boeken waarin handige types overal wel iets op verzinnen. Boeken, zeg maar, van het 'Houston, we have a problem’-type.
Ik ben daar overheen gegroeid, maar de meeste mannen zoeken in een boek nog steeds iets 'waar je wat aan hebt’.
Daarom bestaat 84 procent van de lezers van romans uit vrouwen. Het is het Mars van het oplossingsgerichte tegenover het Venus van het begrip.
Ooit las ik in een villa in Leiden voor een gezelschap dames uit het kapitaalkrachtige segment. De meesten hadden niet alleen een man met een carrière maar ook nog zelf een baan. En gezin en huishouden, want hun mannen hadden daar natuurlijk geen tijd voor met hun werk. Voor lezen ook niet, zeiden de dames, toen ik vroeg wat voor een boeken hun mannen lazen. Allemaal intelligente vrouwen die huishouden, opvoeding, een baan en een ongetwijfeld veeleisende man combineerden met zoiets als culturele ontwikkeling, en ondertussen geloven dat hun mannen het te druk hebben voor het diepere en hogere.
'Mannen houden niet van verhalen’, zei een van de dames. 'Ze willen alleen lezen als ze er iets aan hebben.’
Op de een of andere manier vond ik dat veel verklaren.