Perquin

Nuttig

Sinds een aantal maanden hangt er een gedicht van mijn hand op het tijdelijke, knalblauwe stationsgebouw van Rotterdam Centraal. Een lel van een ding is het, eerlijk gezegd. Er kwam een hoogwerker aan te pas om het, plakletter voor plakletter, te bevestigen - twee weken later dan gepland, dat wel. Problemen met de regen. Of met de wind. Of met de voorschriften. Maar uiteindelijk hing het er toch echt en mocht ik er gaan kijken. Dat deed ik, gespannen speurend naar spelfouten, misschien iets te aandachtig. Een passerende man hield zijn pas in. Hij volgde mijn blik en kwam toen naast me staan. Ik keek opzij. Hij las mijn gedicht: zijn lippen bewogen mee met de woorden. Toen keek hij me aan, met droevige, vermoeide ogen. ‘Vindt u dat nou nuttig?’ vroeg hij. Dat was een goede vraag. Een heel relevante ook. Vond ik het nuttig? Ik aarzelde even en de man trok zijn wenkbrauwen op, alsof hij vermoedde dat ik iets achterhield. 'Jawel’, zei ik tenslotte. 'Voor sommige mensen.’ Ooit, bedacht ik, was het toch mijn diepste wens iets nuttigs te doen voor heel veel mensen. Toen ik klein was wilde ik dokter worden. Of uitvinder. Toch ben ik dichter geworden.
'Sommige mensen’, herhaalde de man. Zijn neusvleugels bewogen op een manier die mij de indruk gaf dat hij niet zo veel op had met die doelgroep. Ik moest aan mijn oude wiskundeleraar denken, aan diens blik vol bezorgdheid en weerzin wanneer ik tegen beter weten in mijn vinger opstak om een antwoord te geven. Van sommige mensen weet je gewoon dat het geen zin heeft ze iets bij te brengen. Maar je moet toch steeds een poging wagen, dat is je vak. Als je geluk hebt eindig je je loopbaan met je handjevol bekeerlingen, meer niet. De man keek nog eens op naar het gedicht. 'Ach’, zei hij. 'Het is weer eens wat anders dan reclame.’ Toen draaide hij zich om, stak nog even zijn hand op en slofte naar een kaartjesautomaat. Ik had het merkwaardige gevoel dat ik, tegen alle verwachtingen in, zojuist een voldoende had gekregen.