Nuttig tegengif

In zijn veel geprezen werk Kapitaal in de 21ste eeuw toont Thomas Piketty zich zowel een verfrissend econoom als een begaafd historicus en politiek criticus. Hij biedt een helder alternatief voor het vocabulaire van financiële tovenaars.

De hoeveelheid reacties die Thomas Piketty heeft losgemaakt met Capital in the Twenty-First Century en de status die hij en zijn boek hebben verkregen, vragen om een verklaring. De meest genoemde reden voor de populariteit van het boek is dat Piketty een wetenschappelijke onderbouwing aandraagt voor het vermoeden dat de allerrijksten de afgelopen decennia steeds rijker zijn geworden, op kosten van ‘de 99 %’, of op z’n minst negentig procent van de bevolking, die juist heeft ervaren dat hun inkomen niet meer is gegroeid of zelfs is gedaald. Ik denk dat er nog een andere, even belangrijke reden is voor de populariteit van Piketty: hij brengt de economie weer terug naar het volk. In de inleiding draagt hij het boek expliciet op aan degenen ‘die beweren dat ze niets van economie weten’. Hij biedt een alternatieve economische wetenschap, zo niet een alternatief voor de economie als wetenschap. Die staat er, ondanks bezweringen van het tegendeel, ronduit beroerd voor. Dat is niet alleen het gevolg van het onvermogen van economen om de huidige crisis te voorspellen en met een overtuigende oplossing te komen, maar ook van het gebrek aan zelfinzicht van de economische masters of the universe, die ogenschijnlijk zonder krasje op hun blazoen uit deze crisis te voorschijn zijn gekomen. De populariteit van Piketty kan worden gezien als reactie op zijn poging om de economie terug te geven aan degenen die met hun blote handen, of op z’n minst met hun nederige dienstverlening en zorg voor hun medeburgers, de rijkdom van de natie voortbrengen. Het kopen van het boek van Piketty is in feite een daad van verzet van diegenen die zich niet langer willen laten ringeloren door financiële tovenaars die hun beloften niet zijn nagekomen.

Het boek is uiteraard veel meer dan louter een blijk van onvrede met de economie en de economen, en het is ook veel meer dan alleen een boek over de economie. Zoals Piketty zelf expliciet verklaart, is het ‘net zozeer een werk over de geschiedenis als over de economie’. Maar Piketty vertelt niet alleen verschillende verhalen naast elkaar, hij hanteert ook twee nogal uiteenlopende logica’s – enerzijds de logica en de taal van structurele economische processen en mechanismen, anderzijds de stijl en het vocabulaire van politieke geschiedenis en politieke kritiek, die niet altijd goed met elkaar te verenigen zijn. Hoe meeslepend Piketty’s Capital ook is, die tweespalt in zijn betoog ondermijnt uiteindelijk zijn overtuigingskracht.

Een van de indrukwekkende aspecten van dit boek is het longitudinale onderzoek naar de ontwikkeling van inkomens en vermogen. Dat materiaal is niet alleen relevant voor de empirische onderbouwing van Piketty’s betoog, maar ook voor de aard van zijn argumentatie. Zijn database stelt Piketty in staat op een paar opmerkelijke empirische regelmatigheden te wijzen. Hij lijkt evenwel meer te willen en spreekt op verschillende plaatsen van ‘fundamentele economische wetten’, uitgedrukt in een paar krachtige formules. Maar bij nader inzien bieden de drie belangrijkste formules in zijn betoog weinig dat als wetmatigheid opgevat kan worden:

α=rxβ, het aandeel van de inkomsten uit kapitaal in het nationaal inkomen staat gelijk aan het rendement op kapitaal maal de verhouding tussen kapitaal en inkomsten; dus als r bijvoorbeeld 5 % is en β 600 %, dan is α 30 % – wat feitelijk geen wet is, maar een ‘zuiver boekhoudkundige identiteit’, waarin de onderlinge afhankelijkheid van deze drie variabelen wordt uitgedrukt;

β=s/g, de verhouding tussen kapitaal en inkomsten is gelijk aan de spaarquota gedeeld door het groeipercentage, dus als s 12 % is en g 2 %, dan is β 600 % – ik weet niet zeker hoe ik dit moet duiden, maar het lijkt sterk op nóg een boekhoudkundige equivalentie, oftewel een onderlinge afhankelijkheid van variabelen, en niet op een of ander oorzakelijk verband, laat staan een fundamentele wet;

r>g, het rendement op kapitaal is groter dan de groei van het nationaal inkomen, opnieuw volgens Piketty een wet, maar zoals hij elders aangeeft eigenlijk niet meer dan ‘een historisch feit’ of ‘patroon’.

Toch is het geen verschrijving als Piketty het over ‘fundamentele wetten’ heeft. Wat hij wil zeggen is dat, als alle andere zaken gelijk blijven, het groeipercentage van het kapitaal het groeipercentage van het nationaal inkomen zal overtreffen. Zelfs als er geen wet bestaat die zegt dat r groter is dan g (wat overduidelijk het geval is, want anders dan natuurkundige wetten die altijd en overal gelden, zijn er wel degelijk periodes waarin r kleiner is dan g – dat is het hele punt van Piketty’s betoog), wil Piketty niettemin betogen dat r>g de normale verhouding weergeeft tussen de groei van het kapitaal en die van het inkomen. En bovendien dat – als gevolg van dit historische feit – de verhouding tussen kapitaal en arbeid in het nationaal inkomen, als er geen correctie plaatsvindt, zal veranderen ten gunste van het kapitaal. En ten slotte dat de sociale ongelijkheid zal toenemen tussen de kapitaalbezitters en degenen die alleen hun eigen arbeid kunnen verkopen.

Dergelijke marxistische terminologie is hier op zijn plaats. Piketty wil niet alleen de ijzeren wetmatigheden overbrengen die Marx vóór hem naar voren heeft gebracht, maar ook betogen dat we bezig zijn terug te keren naar de tijden van Marx, in de negentiende eeuw. Dat was een periode waarin het nationaal inkomen slechts langzaam groeide, terwijl er tegelijkertijd sprake was van een gestage en substantieel grotere kapitaalaanwas, en dus van een toenemende macht van het kapitaal ten koste van arbeid. Er zijn op z’n minst twee redenen om de logica van Piketty te aanvaarden. De eerste is het empirisch goed onderbouwde argument dat het rendement op kapitaal (het deel van het nationaal inkomen dat afkomstig is van winsten, huren, dividenden, rente, royalty’s, enzovoort) met alle historische slagen om de arm, dus op de langere termijn en gemiddeld, rond de vijf procent heeft gelegen.

Piketty wil ook betogen dat we bezig zijn terug te keren naar de tijden van Marx, in de negentiende eeuw

De tweede reden is dat de economische groei, opnieuw op de langere termijn en gemiddeld, onder de twee procent heeft gelegen, en op de heel lange termijn zelfs nog lager, tussen de nul en de één procent. Een zeer overtuigend argument voor deze stelling is dat economische groei voor een belangrijk deel afhangt van de bevolkingsgroei. En omdat er weinig reden is om te twijfelen aan het argument van de ‘demografische transitie’ (wat wil zeggen dat de bevolkingsgroei na verloop van tijd weer naar nul terugloopt), lijkt ook dit deel van de verklaring van het lage groeicijfer overtuigend. Het zou kunnen dat de hogere productiviteit als gevolg van technologische innovatie deels de kleiner wordende bijdrage van de demografische groei zal compenseren, maar de nadruk die Piketty legt op de normaliteit van een laag groeicijfer is buitengewoon verfrissend.

Om te beginnen is ook al een klein beetje groei op de langere termijn heel ingrijpend. Als gevolg van de wet van de cumulatieve groei leidt ook een laag groeicijfer op de langere termijn al tot dramatische sociale en ecologische veranderingen, die lang niet altijd wenselijk zijn. Piketty’s scenario van weinig of helemaal geen groei is ook verfrissend in vergelijking met al die economen die lijken te denken dat een steeds hoger groeicijfer het ultieme doel is van iedere sociale orde. Ten slotte is het betoog van Piketty een nuttig tegengif tegen de morele paniek over de neergang van Europa ten opzichte van de rest van de wereld – want op de langere termijn is er niets vreemds aan het huidige groeicijfer van Europa, in tegenstelling tot de belachelijk hoge groeicijfers in een paar andere delen van de wereld.

Dit brengt me op de tweede logica van Capital, die van Piketty als historicus en politiek criticus. Hier citeert hij uit romans, verwijst hij naar tv-series en beroept hij zich op de geschiedenis van politiek en oorlog. Dit is niet alleen een manier om een economisch minder onderlegd publiek te bedienen met aansprekende voorbeelden, maar brengt ook een cruciaal punt van Piketty’s betoog voor het voetlicht, namelijk het ontwikkelen van een alternatief voor het dominante economische discours. Zoals Ewald Engelen en anderen hebben betoogd in After the Great Complacency: Financial Crisis and the Politics of Reform, moet het gemak waarmee financiële instellingen de laatste jaren de samenleving een economisch doodlopende straat in hebben gestuurd worden verklaard uit hun discursieve strategie: het zeer succesvolle verhaaltje dat de economie een zaak is van deskundigen met esoterische kennis van wiskundig onderbouwde zekerheden. Als we onze huidige economische problemen willen aanpakken, hebben we geen betere economen nodig, maar alternatieven voor het vocabulaire dat economen vandaag de dag gebruiken. Piketty biedt letterlijk zo’n alternatief door de economische verhalen uit de negentiende en twintigste eeuw, die onze morele verbeelding verrijken, opnieuw de revue te laten passeren.

Het verhaal dat hij te vertellen heeft toont historisch terugkerende patronen, maar ook uitzonderlijke omstandigheden. Hij vestigt onze aandacht op de negentiende eeuw om te laten zien hoe het was om te leven in een samenleving met weinig groei. Dat is de samenleving van Balzac en Austen, toen het inkomen uit arbeid niet alleen zó laag was dat je er nauwelijks van kon rondkomen, maar ook nog eens tot het begin van de twintigste eeuw nauwelijks groeide. Aan de andere kant genoten degenen met een enigszins substantieel kapitaal een uitzonderlijk hoog inkomen uit de verpachting van hun land en de rente op aandelen en obligaties. Ook al is de aard van het kapitaal sindsdien drastisch veranderd, de lage groei en de toenemende rijkdom van de allerrijksten van de laatste tijd leiden ons terug naar de situatie van de negentiende eeuw. De geschiedenis herhaalt zich niet, maar volgens Piketty zijn er terugkerende patronen, die hij ons helpt te begrijpen door een krachtige historische vergelijking neer te zetten.

Maar hij vertelt ook de geschiedenis van een exceptionele periode, die tussen het eerste en het derde kwart van de twintigste eeuw. Piketty schetst daar een verontrustend beeld van. Het is enerzijds de periode van de ‘zelfmoord’ van Europa, niet alleen in de zin van de barbaarse en genocidale oorlogen die het continent verwoestten, maar ook in termen van de neergang van de bezittende klassen van Europa, die tussen 1910 en 1950 een groot deel van hun rijkdom kwijtraakten. Dit was niet louter het gevolg van de materiële verliezen van de oorlog, maar ook van de inflatie, van een weigering een luxueuze levensstijl op te geven, en van een overheidsbeleid gestoeld op nationalisatie, progressieve belastingheffing en andere maatregelen bedoeld om de sociale gelijkheid te bevorderen. Dat alles ging gepaard met de invoering van het algemeen kiesrecht, een meritocratische sociale structuur, ondersteund door een expansief onderwijssysteem en een sterke verzorgingsstaat.

Na 1970 kwam dit onder druk te staan, resulterend in het terugtreden van de staat, grotere sociale ongelijkheid, een verlies van vertrouwen in de meritocratie als de maatstaf voor succes, en een toenemende ontevredenheid over het onvermogen van democratische instellingen om deze problemen op te lossen. Het is de ineenstorting van de naoorlogse meritocratische consensus die de woede jegens de één procent lijkt te hebben aangewakkerd. Niet het feit dat zij excessief hoge salarissen verdienen of voortdurend rijker worden dankzij hun kapitaal is de bron van de grieven; het gaat hier vooral om de bijkomende verdenking dat ze hun fortuin hebben gemaakt zonder enige aantoonbare vaardigheid of buitengewone inspanning, behalve het hebben van hooggeplaatste vrienden.

Het verhaal van Piketty wordt hier zeer verontrustend, omdat hij lijkt te suggereren dat alles waar we zoveel belang aan hechten – democratie, meritocratie, egalitarisme, een verantwoordelijke en responsieve staat – slechts een tussenfase is in een geschiedenis die wordt gemarkeerd door grote sociale ongelijkheid, autoritaire bestuursvormen en gebrek aan waardering voor individuele talenten of verdiensten.

Het is ook op dit punt dat de twee logica’s, die van de economie en van de geschiedenis, lijken te botsen. De wetmatigheid van r>g contrasteert pijnlijk met de toevalligheid van politiek en geschiedenis – er bestaan daar geen fundamentele wetten, er is slechts sprake van pech en rampen, van oorlogszuchtige regimes, hebberige aandeelhouders, handige politici en weerbarstige kiezers. Die tegenstelling tussen economische wetmatigheid en politieke contingentie leidt er ook toe dat de oplossingen die Piketty voorstaat – een progressieve inkomensbelasting en hogere belasting op erfenissen en vermogens – zo machteloos overkomen. Het boek mondt uit in een paradox: hoe overtuigender zijn economische betoog is, hoe minder uitzicht Piketty biedt op ons politieke vermogen om het tij van het kapitaal te kunnen keren.


Ido de Haan is hoogleraar politieke geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Vertaling: Menno Grootveld