‘nuttig wil ik zijn’

“Aletta Jacobs: Het hoogste streven” heet de film van Nouchka van Brakel, dier tijdens het Nederlandse Filmfestival deze week in premiere gaat. In deze Groene alles over de film, over Aletta, over wat er van haar streven terechtkwam, en over haar nagedachtenis in het hoge noorden. Maar eerst: Wie was Aletta Jacobs?
DE NUTTIGHEIDSGEDACHTE is Aletta Jacobs letterlijk met de paplepel ingegoten. In haar Herinneringen beschrijft ze dat ze regelmatig van haar vader dezelfde schrijfopdracht kreeg: “Kennis vergaren om die daarna voor het algemeen nut aan te wenden, moet het hoogste streven zijn.” Het was slechts een van de pedagogische lessen waar vader Jacobs zijn kinderen op trakteerde. Elke dag moesten ze onder zijn leiding in de gang van het ouderlijk huis loopoefeningen doen: hoofd rechtop, ellebogen naar achteren, borst vooruit. De kinderkamer stond vol gymnastiektoestellen. Op winteravonden verzamelde hij zijn kinderen rond de haard en vertelde hij de levensverhalen van beroemde mannen en vrouwen of liet hij een geschiedkundig tijdperk de revue passseren. De volgende dag moesten de kinderen het vertelde in eigen woorden weergeven.

Nut, kennis, streven naar het hoogste, verantwoordelijkheidsgevoel - het waren de pijlers waar de opvoeding van de kinderen Jacobs op was gebaseerd. De opvoeding van de jongens en de meisjes. Ze ontvingen hetzelfde zakgeld, bezochten dezelfde dorpsschool en werden op dezelfde manier met het netelige vraagstuk van de beroepskeuze geconfronteerd. Het is dan ook geen wonder dat Aletta Jacobs zich niet in het corset van de toen geldende vrouwelijkheid - de vrouw uit gegoede burgerlijke kringen was niet meer dan een handelingsonbekwaam luxe-poppetje - kon persen.
Toen ze na de dorpsschool naar een deftige jongedamesschool werd gestuurd, waar ze werd onderricht in handwerken, een pietsje Frans en veel goede manieren - hoe een heer decent een hand te geven, hoe een bekoorlijke buiging te maken, hoe de ogen bedeesd neer te slaan als haar op straat een heer passeerde - kon ze de noodzakelijkheid van al die lessen niet inzien. “Was het geen zonde”, schreef ze later in haar autobiografie, “met dergelijke beuzelarijen de tijd zoek te brengen?” De jongedamesschool werd haar nachtmerrie, na veertien dagen gaf ze er de brui aan.
Na dat onverhoedse vertrek zou het nut haar leven blijven bepalen. Aletta Jacobs zou de eerste vrouw worden die in Nederland aan een universiteit studeerde, de eerste vrouw die als arts een praktijk voerde, de eerste en felste die voor vrouwelijk kiesrecht zou strijden. De kennis die ze bij haar werk als arts opdeed, kennis over armoede, wantoestanden en onrechtvaardigheid, zou ze inderdaad aanwenden voor het algemeen nut. Met de ijzeren zelfdiscipline die ze van huis had meegekregen, zou ze vechten op vier belangrijke fronten: onderwijs, geboortenregeling, prostitutie en kiesrecht. Ze was een vrouw als een slagschip - vastberaden, ongenaakbaar en niet te stoppen. Haar heldere verstand was haar kompas. Omdat ze anders dan mrs Pankhurst, de leidster van de Engelse suffragettes, geen hysterische gevoelsuitbarstingen vertoonde, werd ze door mannen al snel als een serieuze gespreksgenoot gezien.
ALETTA HENRIETTE Jacobs werd op 9 februari 1854 geboren als achtste kind in een joods doktersgezin in Sappemeer. Alle kinderen mochten een wetenschappelijke opleiding volgen, ook de meisjes. Van de vijf meisjes werd de oudste onderwijzeres, de tweede - Charlotte - de eerste vrouwelijke apotheker in Nederland, en de jongste, Frederique, de eerste vrouw die het MO-examen wiskunde en boekhouden deed. Aletta wilde vanaf haar zesde, net als haar vader en oudste broer Julius, arts worden.
Na het fiasco van de jongedamesschool kwam ze bij haar moeder in de huishouding werken, kreeg ze thuis privelessen Frans, Duits, Grieks en Latijn, en ging ze bij een plaatselijke modiste in de leer. Bevredigen deed dit alles haar geenszins. “Wat geeft het of ik mijn best doe? Ik mag immers toch niets worden omdat ik een meisje ben”, beet ze een vriend van haar vader toe. Toen hoorde ze dat een meisje had deelgenomen aan het examen voor leerling-apotheker. Ze besloot hetzelfde te doen. Ze ging daartoe als eerste meisje naar de plaatselijke jongens-HBS, slaagde voor het examen en zette haar zinnen op de medicijnenstudie.
Op 22 maart 1871 schreef ze eigengereid, achter de rug van haar vader om, de liberale minister Thorbecke een brief om toestemming te vragen zich in te schrijven als student aan de Groningse hogeschool. Thorbecke richtte zijn antwoord, tot haar woede, aan haar vader en legde de beslissing bij hem. Ze mocht, na nogal wat tegenstribbelen van haar moeder, een jaar op proef studeren. Om haar vrouwelijkheid te bewaren moest ze zich in de vakanties bekwamen in de huishouding.
In april 1872 naaide Aletta een eenvoudige zwarte jurk en maakte ze haar entree aan de universiteit van Groningen. “Ik had de verre strekking van mijn daad allerminst voorvoeld”, zou ze later in haar Herinneringen schrijven. Toch zorgde haar daad onmiddellijk voor de nodige consternatie in de pers. Juffrouw Jacobs studeert alleen om op een gemakkelijke manier met mannen in aanraking te komen, wisten de kranten. Haar eenvoudige kleding droeg ze om op te vallen. Ondanks alle weerstand gaf Thorbecke Aletta Jacobs op zijn sterfbed permissie om door te studeren. Het was, zo wil de overlevering, een van de laatste ambtsbezigheden van de minister.
NA HAAR ARTSEXAMEN en promotie in de medicijnen begon Aletta Jacobs een goedlopende dokterspraktijk in Amsterdam. Naast haar reguliere praktijk hield ze ook een gratis spreekuur in de Jordaan voor onbemiddelde vrouwen en hun kinderen. Tijdens haar studie al was haar belangstelling voor de zieke even groot als voor de ziekte. In het Groningse gasthuis dat ze als studente bezocht, hing aan het bed van een wegkwijnende patiente het raadselachtige opschrift “meretrix”. Een zoektocht door verschillende woordenboeken en naslagwerken leerde haar dat het om een prostituee ging. Ze leerde gelijk welke ellende en vernedering het oudste beroep van de wereld met zich meebracht.
In Amsterdam, waar ze andermaal met ongeneeslijke geslachtsziekten en onterende controles werd geconfronteerd, zou ze een fervent tegenstandster worden van prostitutie, dat “noodzakelijk kwaad” omdat “het voldoen aan zijn geslachtdrift bij de man een eis van de gezondheid was”. Haar standaardantwoord aan de gegoede heren was: “Indien dat werkelijk uw mening is, bent u zedelijk verplicht uw dochters voor dit doel beschikbaar te stellen.” Ze pleitte voor regelrechte afschaffing van het kwaad, of op z'n minst voor een goede hygienische voorlichting. En ze streed tegen de dubbele moraal die prostituees als zondig bestempelde en hoerenlopers niet. Wederom ontmoette ze zelf volop weerstand: ze moest wel “diep zedelijk gevallen” zijn om zich met deze onvrouwelijke materie bezig te houden.
Naast het prostitutievraagstuk richtte ze zich op de lasten van het moederschap. Het leven van vrouwen uit de volksklasse bestond hoofdzakelijk uit baren en zogen. Tijdens een reis naar Londen was ze in aanraking gekomen met de zogenaamde “neomalthusianen”, die zich inzetten voor geboortenbeperking. Aletta Jacobs introduceerde het pessarium in Nederland. Ze maakte er niet openlijk reclame voor, maar zorgde wel voor verspreiding ervan. Natuurlijk was opnieuw een storm van verontwaardiging haar deel. In haar Herinneringen hekelt Aletta Jacobs de hypocrisie van haar tegenstanders: de vrouwen van de predikanten die zich met hand en tand tegen voorbehoedmiddelen verzetten, bezochten ongegeneerd haar spreekuur.
VOLGENS HAAR Herinneringen was Aletta Jacobs al vanaf haar veertiende voorstander van het vrouwenkiesrecht. Haar vader had het in 1869 gepubliceerde pamflet van John Stuart Mill Subjection of Women aangeschaft. Aletta las het boek, dat in het Nederlands de veelzeggende titel De slavernij der vrouw droeg, stiekem. In 1883 ging ze voor het eerst tot actie over: ze voerde, op aanraden van de liberale politicus Van Houten, een proefproces om kiesrecht te krijgen. Naar de letter van de wet waren vrouwen namelijk niet van kiesrecht uitgesloten, maar uiteraard sloeg “Nederlander” en “ingezetene” alleen op mannen. Althans, op mannen die voldoende belasting betaalden, want algemeen kiesrecht voor mannen was ook nog lang niet aan de orde. De aanvraag van Aletta Jacobs werd niet eens serieus genomen. Wel werd in de volgende kieswet van 1887 vrouwen expliciet het kiesrecht ontzegd.
In 1893 vond in het Amsterdamse cafe Suisse de oprichtingsvergadering van de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht plaats, in 1895 werd Aletta Jacobs presidente van de afdeling Amsterdam, in 1902 algemeen leidster. Om minder had ze ongetwijfeld niet meegedaan: ze was een politica pur sang. Ze was de ongekroonde koningin, een generaal van nature. Als presidente van de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht reisde ze stad en land af om leden te werven, organiseerde ze demonstraties, schreef ze ingezonden brieven en discussiestukken. Ze trok over de hele werd om contacten te leggen met medestrijdsters in het buitenland en om adviezen te geven aan vrouwen in “minder ontwikkelde” landen.
Toen het doel in 1919 was bereikt kon Aletta Jacobs op haar lauweren rusten. De overwinning die in het Concertgebouw in Amsterdam werd gevierd, was, zo schreef ze in haar Herinneringen, “in hoofdzaak een huldebetoon aan mij”. De generaal kon tevreden zijn.
Hoezeer de pionierster Aletta Jacobs ook is te bewonderen, “de nuttigheidsgedachte” - en de ijdelheid - waar elke pagina van haar Herinneringen in is gedrenkt, maakt haar autobiografie tamelijk onverteerbaar. Haar huwelijk was een politieke partij. Met haar man, de radicale politicus en feminist C. V. Gerritsen, discussieerde en werkte ze bovenal. Aan een brochure over het prostitutievraagstuk, aan het programma van zijn politieke partij, aan het vrouwenkiesrecht. Reizen deed ze louter om te leren. Met Gerritsen trok ze door heel Europa, maar voor het natuurschoon had ze geen oog; ze bezocht fabrieken, mijnen, onderwijsinstituten, ziekenhuizen en sociale instellingen.
Tijdens de wereldreis die ze maakte met mrs Chapman Catt, de presidente van de internationale bond voor vrouwenkiesrecht, schreef ze twee maal per week een stuk voor een Nederlandse krant en hield ze bijna dagelijks lezingen en werkbijeenkomsten. Zelfs aan boord van de Prinses Juliana, op weg naar Ceylon, sprak ze de passagiers toe over het vrouwenvraagstuk.