Flirten met de bolsjewieken

Nuttige idioten

Talloze academici, kunstenaars en schrijvers flirtten in de vorige eeuw met Lenins revolutie. Was het idealisme, stompzinnigheid of zelfhaat?

‘NUTTIGE IDIOTEN’ zou Vladimir Lenin de buitenlandse sympathisanten van zijn nieuwe sovjetmaatschappij hebben genoemd. De benaming is toepasselijk. Veel fellow travellers waren ongetwijfeld nuttig voor het sovjetregime, al was hun ideologische houdbaarheid soms van korte duur. En er zaten nogal wat idioten tussen.
De veronderstelling dat Lenin zelf het etiket heeft bedacht is echter in 1987 ontzenuwd. In zijn column in The New York Times stelde William Safire op gezag van diverse deskundigen vast dat de benaming niet in Lenins gepubliceerde geschriften en toespraken voorkomt. De term werd pas sinds de late jaren veertig gebruikt door anticommunisten. De vermelding dat hij door Lenin zelf was gemunt moest extra gewicht aan de beschuldiging geven.
Hoe dan ook, het concept ‘nuttige idioot’ paste wonderwel bij het cynisme waarmee de jonge bolsjewistische staat elke vorm van buitenlandse steun aangreep, of die nu afkomstig was van de Duitse generale staf, van etnische opstandelingen en criminele bendes of van individuele westerse wetenschappers, kunstenaars, filosofen en journalisten. Zolang de laatsten bruikbaar waren, werden ze voor propaganda en spionage ingezet.
Het was Leon Trotski die het begrip ‘fellow traveller’ in 1924 introduceerde in zijn boek Literatuur en revolutie, al gebruikte hij de term uitsluitend voor de schrijvende papoetsjiki, de Russische ‘reisgenoten’ van de Oktoberrevolutie wier namen vandaag goeddeels zijn vergeten. Trotski had geen hoge pet op van de meesten, laat staan van de zogenaamde Proletkult-aanhangers die de literatuur vervingen door bolsjewistische agitatie vermengd met sinterklaasrijm. Proletarische kunst had volgens Trotski sowieso geen bestaansrecht; welke kunstvormen bij de klassenloze samenleving pasten, kon alleen de toekomst uitwijzen. Hij had meer vertrouwen in de burgerlijke dichters Alexander Blok en Vladimir Majakovski, die elk een apart hoofdstuk toebedeeld kregen. Zij verwelkomden volgens de auteur de revolutie als doorbreking van het inerte, decadente bestaan onder het oude regime, al waren ze niet bereid of in staat poëtisch uitdrukking te geven aan de ‘nieuwe wereld’ die voor hun ogen ontstond. Dat laatste was ook niet nodig. De schrandere Trotski wist dat het geen zin had om te trachten een Blok of Majakovski te indoctrineren. Juist hun authenticiteit – dat wil zeggen het feit dat ze geen communisten waren – maakte hen tot perfecte breekijzers voor de revolutie. Dit zou tot in de jaren negentig van de vorige eeuw het uitgangspunt blijven voor de Russische benadering van fellow travellers.

OVER HET ‘MISPLAATSTE IDEALISME’ van de fellow travellers is veel gezegd en geschreven. Toch blijft het onderwerp interessant omdat, in de woorden van Paul Cliteur, ‘het estafettestokje van het communisme is overgedragen aan het islamisme’. Tegenwoordig wordt gesproken over de dhimmi (Arabisch voor ‘beschermeling’) die als fellow traveller van het islamitisch terrorisme en de orthodox islamitische staten in het Midden-Oosten optreedt. En wederom zijn het vooral academici, schrijvers, kunstenaars en filosofen die als zodanig worden aangemerkt. Alvorens we de estafettemetafoor van Cliteur accepteren, is het de moeite waard opnieuw te bezien wat de fellow travellers van weleer bezielde. Een belangrijke component van de symbiose tussen terreurstaat en sympathisant is zonder twijfel ‘pure stompzinnigheid’, zoals George Orwell zich eens liet ontvallen in zijn bespreking van een boek over het wereldcommunisme. Maar het gehalte van de prominentste fellow travellers van de Sovjet-Unie sluit uit dat zij door domheid alleen werden gedreven.
Voor hun namen kunnen we onder meer terecht in het gastenboek van La Closerie des Lilas in de Parijse wijk Montparnasse. Sinds haar oprichting in 1847 was deze brasserie gefrequenteerd door schilders en auteurs als Cézanne, Verlaine en de gebroeders Goncourt. Na de eeuwwisseling werd ze tevens een pleisterplaats voor Europese en Amerikaanse intellectuelen die Lenins revolutie verwelkomden. In de eerste plaats voor Lenin zelf, die er tijdens zijn Parijse ballingschap schaak speelde tegen de dichter Paul Fort of achter een glas bier moed vatte voor zijn dodenritten op de fiets naar de verafgelegen Bibliothèque Nationale – het Parijse verkeer was ook toen al hectisch. Voor het partijcongres van 1910 kwam de hele Russische sociaal-democratische elite naar de lichtstad: Trotski, Kamenev, Zinoviev, Loenacharski. En allemaal namen ze het er goed van, als we de memoires van Lenins vrouw Kroepskaja moeten geloven.
Het is niet onbelangrijk dat de bolsjewistische aanvoerders de sfeer in het West-Europese uitgaansleven opsnoven. Net als andere succesvolle totalitaire leiders van de twintigste eeuw hadden zij een voortreffelijk inzicht in de psyche en met name in de psychische zwaktes van hun medemensen. In gelegenheden als La Closerie met zijn seringentuin en notenhouten betimmering, serviele bediening en alomtegenwoordige, plafondhoge spiegels die de nadruk legden op burgerlijk zelfbewustzijn, kleding en uiterlijk vertoon konden ze die zwaktes in vitro bestuderen. De ondergangsstemming zat er al goed in; niemand wilde nog langer behoren tot de verstarde, tot de ondergang gedoemde oude orde van Europa. Net als de protagonisten van Marcel Proust of Romain Rolland Gard gaven de stamgasten van La Closerie zich daarom graag af met bohémiens, revolutionairen, homoseksuelen en artiesten die er ook niet toe wilden behoren.
Aan de tafels van talloze vergelijkbare etablissementen in Parijs, Wenen, Londen en Berlijn sloeg de haat van jonge kunstenaars en andere marginalen tegen de bourgeoisie, tegen haar macht en geld en seksuele hypocrisie, over op de bourgeoisie zelf. ‘Uit democratie geboren en dankzij haar welvarend geworden, sloeg deze haat over op de bourgeoisie en werd zelfhaat’, schrijft de briljante historicus van het communisme François Furet in Le passé d’une illusion (1995). Het was hun zelfhaat die sommige schrijvers, schilders en artistiek angehauchte kleinburgers bruikbaar zou maken voor Lenins revolutie, niet als bouwmateriaal voor de nieuwe orde maar als brandhout om de oude in lichterlaaie te zetten. En ze zochten elkaar op. Vanaf de jaren twintig schonk La Closerie aan André Breton, Ernest Hemingway, Louis Aragon, Pablo Picasso, John dos Passos, André Gide, Jean-Paul Sartre en een rits mindere goden uit het cryptocommunistische pantheon der twintigste eeuw.

ZOALS BEKEND is de lijst van fellow travellers van de Sovjet-Unie naar believen aan te vullen. Herbert George Wells, Maurice Merleau-Ponty, Arthur Koestler, George Bernard Shaw of de ‘Rode deken van Canterbury’ Hewlett Johnson – allen werden gedreven door afkeer van de maatschappelijke orde die hen had voortgebracht en die roemloos ten onder leek te gaan in economische depressie, stuurloos leiderschap en oprukkend fascisme. De Eerste Wereldoorlog had hen verlost van hun natuurlijke afkeer van geweld; ze gingen de zuiverende werking ervan zelfs wenselijk achten. Wanneer Aragon werd gewezen op Stalins misdaden antwoordde hij steevast met de uitspraak van graaf Pahlen, die in 1801 de zwakke tsaar Paul I liet vermoorden: ‘Mijne heren, men kan geen omelet maken zonder eieren te breken.’ De surrealisten rond Breton beschouwden zichzelf letterlijk als een militaire voorhoede (vandaar: ‘avant-garde’) in de kunst. In hun zuiverheidsrazernij kwamen de meesten van hen ten slotte uit bij het communisme, de grote wreker die de verrotte burgermaatschappij zou verpletteren met middelen waarover zij, kunstenaars, qualitate qua niet beschikten.
Vanuit Moskou werden de sympathisanten zorgvuldig gemanipuleerd en aangestuurd door een man die hiervoor speciaal op gezag van – alweer – Trotski was aangesteld: de Duitse persbaron Willi Münzenberg. Hij ontwikkelde de subtiele agitprop-technieken die ons inmiddels vertrouwd zijn, zoals het zogenaamd neutrale expert-comité, de zogenaamd humanitaire handtekeningenactie, het politieke cultuurfestival, het ‘schrijverscongres’, het particuliere tribunaal en het ‘onafhankelijke’ zwartboek als politiek strijdmiddel. Hij werkte bij voorkeur met zulke ‘clubs van onschuldigen’, zoals hij ze noemde, die koste wat het kost onwetend moesten worden gehouden van het feit dat ze de sovjetdiplomatie dienden. Juist door hun onschuld waren ze immers bruikbaar. Münzenberg bezat de gave om politieke problemen te reduceren tot morele vragen die met een simpel ‘ja’ of ‘nee’ konden worden beantwoord: bent u voor oorlog, fascisme, hongersnood, censuur, economische crisis of niet? Vragen die de mensheid in twee kampen leken te verdelen: de goed- en de kwaadwilligen, waarvan uiteraard de eersten vooral na de opkomst van Hitler zich, zoals het heette, ‘oriënteerden’ op de Sovjet-Unie.
Met dit vangnet wist hij zelfs brave Britse sociaal-democraten en onafhankelijke Amerikaanse kunstenaars binnen te trekken. Want al was de Angelsaksische wereld niet zelf het strijdtoneel geweest, toch had de wereldoorlog ook daar een diepe intellectuele crisis veroorzaakt. ‘Abstracte woorden als glorie, eer, moed of gewijdheid waren obsceen naast de concrete namen van dorpen, de nummers van wegen, de namen van rivieren en de nummers van regimenten en de data’, schreef Hemingway in de beroemde slotpassage van A Farewell to Arms. De stugge antihelden uit zijn romans behielden hun onafhankelijkheid, maar de schrijver zelf neigde na zijn huwelijk met de strijdbare Martha Gellhorn en vooral na 1933 steeds meer naar het communistische kamp. Het leidde in 1937 tot een breuk met John Dos Passos, die inmiddels was genezen van zijn eigen Münzenberg-infectie.

DOS PASSOS’ VADER was rond de eeuwwisseling een prominent advocaat van grote Amerikaanse bedrijven geweest. John bezocht als kind elitescholen, maakte kunstreizen in gezelschap van een privé-onderwijzer en studeerde architectuur aan Harvard. De slechte relatie met zijn vader, die hem wel geld maar geen emotionele warmte of erkenning schonk, was ongetwijfeld verantwoordelijk voor de revolutionaire bevlieging van zijn jeugd. Tijdens een reis naar de Sovjet-Unie in 1928 kreeg hij zijn bekomst van de nieuwe heilstaat: die was manipulatiever en onderdrukkender dan alle fabrieksdirecties die hij ooit aan de zijde van zijn vader had bezocht. Des te groter was zijn ontnuchtering toen hij in 1937 naar Spanje afreisde om met Hemingway een film over de burgeroorlog te maken. Hemingway was nog geheel in de ban van Münzenberg. Hij liet zich in zijn Madrileense hotel fêteren door de Komintern en had geen belangstelling voor de misdaden door de stalinisten achter het Republikeinse front. ‘Burgerrechten, shit’, zei Hemingway: ‘Hoor je bij ons of ben je tegen ons?’
De zelfhaat van de Britse elite ontsnapte niet aan de genadeloze blik van waarnemers als Orwell of John Maynard Keynes. Keynes merkte eens op dat zijn economiestudenten in Cambridge gefascineerd waren door de rampzalige ‘successen’ van de sovjeteconomie: ‘Als een manier om onze economische toestand te verbeteren is het communisme een aanfluiting van de intelligentie. Maar als manier om de economie te verslechteren heeft het een subtiele, bijna onweerstaanbare aantrekkingskracht. En die zoeken ze juist op.’ Ook Fabians als Shaw en het echtpaar Sidney en Beatrice Webb, gekweld door de uitblijvende successen van de Labour Party, verwachtten een soort verlossing van de sovjet-vijfjarenplannen, alsof het Russische economische voorbeeld louter door zijn veronderstelde rationaliteit en common sense de wereld zou veroveren. Daarbij was Shaw allerminst marxistisch beïnvloed. Hij was een geboren dwarsligger wiens verlangen tot épater le bourgeois sterker was dan de aandrang tot politieke consistentie. Hij ging daarin zo ver dat hij niet alleen openlijk bewondering uitte voor Stalin, maar ook voor Mussolini en Hitler.
Münzenbergs propaganda sprak ook minderheidsgroepen aan die hun eigen appeltje met de heersende orde hadden te schillen, zoals zwarte Amerikanen, feministes en homoseksuelen. Voor leden van de Bloomsbury groep als Anthony Blunt, Stephen Spender en Guy Burgess werkte de heimelijke band met de Sovjet-Unie als een ‘wonderbaarlijk versterkend middel’ dat hun maatschappelijk precaire seksualiteit compenseerde, aldus Stephen Koch in Double Lives: Stalin, Willi Münzenberg and the Seduction of the Intellectuals (1994). Zelfs een briljante geest als André Gide, die aan zijn reizen door koloniaal Afrika een diepe afkeer van onderdrukking en politiek geweld had overgehouden, sprak rond 1930 de hoop uit dat hij ‘de voltooiing van het Russische plan’ kon meemaken. Het is bijna onvoorstelbaar dat iemand van zijn statuur zwichtte voor de lompe charmes van Stalins Rusland. Ook bij Gide was het zijn seksualiteit die, in weerwil van zijn enorme succes als schrijver, zijn maatschappelijke status fragiel maakte en de behoefte aan een grote broer opwekte. Hij was (openlijk) homoseksueel en droomde van een land waarin die eigenschap niet problematisch meer zou zijn. Des te groter was de ontnuchtering toen hij op uitnodiging van Moskou naar de Sovjet-Unie afreisde. ‘Ik betwijfel of vandaag in enig ander land, afgezien van Hitlers Duitsland, de geest minder vrij, meer beteugeld, vreesachtiger (geterroriseerder) en onderhoriger is’, is de vernietigende conclusie van zijn Retour de l’URRS (1936).
Het communisme was een ‘god die faalde’, zoals de titel luidt van het beroemde boek dat Gide en vijf andere voormalige ‘nuttige idioten’ in 1949 uitbrachten. Maar het was niet enkel een god van liefde en idealisme, het was ook een wrekende god die werd gevoed door de zelfhaat van westerse elites en door de geslepen wijze waarop die door Moskou werd uitgebuit en omgezet in de gedachte dat het Russische communisme in al zijn barbaarsheid niettemin de voorafspiegeling was van een nieuwe mens in een betere wereld. Met inachtneming van alle voor de hand liggende verschillen is er zeker een parallel te zien met hedendaagse dhimmitude zoals die bijvoorbeeld tot uiting komt in de uitspraak van het Vaticaan dat islamitisch bankieren de ‘ethische’ oplossing voor de huidige kredietcrisis is. Wie hierin een overeenkomst wil zien met het vertrouwen van de Webbs in de Russische planeconomie kan er niet heel ver naast zitten.