O als eieren zo groot

Laatst nam ik deel aan een symposium over een onder neerlandici beroemde, dode, schrijver en liet een andere spreker met lichtbeelden zien hoe erg het gesteld was met de verkoopcijfers van betrokkene (straks onthul ik diens naam).

De zoon zat op de eerste rij, niet zozeer te glimmen als wel een beetje verbaasd de boel aan te horen. Kind van een onder neerlandici beroemde schrijver zijn moet ook geen sinecure zijn, al is het misschien voor sommigen een welkome levenstaak.

We bevonden ons in een spectaculaire ambiance, het Glaspaleis te Heerlen, waarbij vergeleken het Rietveld Schröderhuis een muf koekblik is. Maar waarom altijd het ene afzetten tegen het andere? Waarom Mulisch een douw geven in de hoop dat die andere schrijver er levender van af komt, zoals mijn mede-spreker een paar keer deed?

Mulisch is al dood, wilde ik zeggen. Je hoeft hem hier niet meer om te brengen. En over tien jaar kunnen we met lichtbeelden laten zien dat er ook van hem niks meer wordt verkocht. Wat maakt het allemaal uit. Maar voor een symposium is het beter dat je je wel druk maakt.

Ik had me er sowieso in vergist. Diep in mij, waarschijnlijk niet eens zo heel diep, zit altijd nog het meisje dat haar taakje zo goed mogelijk uitvoert. De meester schrijft op het bord wat we volgende week gelezen moeten hebben. En ja hoor, ik heb het dan niet alleen gelezen, maar ook een uittreksel gemaakt, ik heb er dingen over opgezocht, kijk meester, alstublieft. Wat? Nu een referaat erover houden, voor de klas? Nou nee, dat liever niet.

‘Wat jammer toch’, zei na mijn optreden de vriendin die ik mee had genomen naar het symposium.

‘Wat is er jammer?’ vroeg ik, en ik probeerde niet al te agressief te klinken.

‘Dat je zo verkrampt’, zei ze. Kennelijk was ze even vergeten dat zij daar zat, op de eerste rij, om hoe dan ook voor mij te applaudisseren.

‘Verkrampt?’ Als er een -s- in het woord had gezeten, had ik het gesist.

‘Ja, dat je niet wat meer geniet.’

Genieten, lastig. Ik had genoten van de lunch, dat wel. Ook in het Spiegelpaleis, op de bovenste verdieping. Van de bordjes – ontworpen door een kunstenaar – tot het brood – zelfgebakken – het beleg – eigen gebraad – tot en met de versierselen – een viltje met de afbeelding van de schrijver aan wie het symposium was gewijd. Zo precies gemaakt, zo liefdevol bereid. Op tafel stonden kannen met water waaraan rozenblaadjes en kardemom een subtiele smaak en geur hadden gegeven. Van de weeromstuit ging ik meer van de schrijver om wie alles vandaag draaide houden dan ik ooit had gedaan. Oké, we hadden het over Louis Paul Boon.

Mij was gevraagd iets te vertellen over zijn eros. Zoals iedereen wist ik dat Boon een verzamelaar was van blote plaatjes, maar ik had nooit de aanvechting gehad daar nader kennis van te nemen. Zo min als ik me van nature had verdiept in de erotische tekeningen die hij zelf had gemaakt. Je kunt niet alles doen, laten we het daarop houden. Maar als de meester mij iets vraagt, ik doe mijn huiswerk. En dus zocht ik van alles op en hield een verhaal over zijn dubbel­talent, en dat hij er wel productief maar niet gelukkiger op was geworden.

Gaande mijn voordracht voelde ik mijn mond trekkeriger worden, de woorden draderig. Ik zag de zoon zitten, naast hem zijn vrouw, en ik vroeg me af: waar heb ik het over. Ik vertelde over de eivormige gevaarten die Boon placht te schilderen, waarvan niet uit te maken was of het broze stenen dan wel reusachtige eieren waren. Ik had erover gelezen, nooit echt de schilderijen of tekeningen gezien omdat die alleen maar in Aalst te zien waren. Tot deze dag dus. Een paar verdiepingen lager, in hetzelfde Spiegelpaleis, was een expositie ingericht met zijn beeldende werk. Vlak voor ik mijn lezing moest houden stond ik oog in oog met die eieren, wit en schilferig, in alle maten, imposant en fragiel tegelijk. In een door gordijnen afgeschermde ruimte – de expositie grensde aan de jeugdafdeling van de bibliotheek – waren Boons erotische tekeningen tentoongesteld. In zijn laatste levensjaar tekende hij met meticuleuze toewijding gapende vagina’s, waarbij vergeleken de ‘miraculously unguarded vagina’ van een van de hoofd­personen in J.K. Rowlings eerste roman-voor-volwassenen een tam diertje is. Boon laat gedienstige mannetjes zich in de gekste bochten wringen om ze volkomen leeg te slurpen.

Opeens zag ik dat die voorstellingen niks met seks te maken hadden, en ook niet met opwinding. Maar wat was het dan wel? Een eredienst aan iets wat groter was dan de maker zelf.

Ik was te ‘verkrampt’ om iets van mijn verse gewaarwordingen in mijn oorspronkelijke voordracht te verwerken. Na afloop kwam de zoon van de schrijver naar me toe met pretogen. Zijn vader schilderde alleen nog maar eieren vanaf het moment dat hij een liesoperatie in het vooruitzicht had en bang was dat zijn eieren beschadigd zouden worden. Zolang huiswerk hem tekortdoet, is een schrijver niet dood.


Lees ook: Marja Pruis Leest