O als ik iets anders was!

Het grote tellen is terug. Zoveel mannen versus altijd te weinig vrouwen. Leeslijst, praatprogramma, wereldtop. Ik word er afwisselend miesj en vrolijk van.

Op het boodschappenlijstje in mijn jaszak staat tussen het gebruikelijke gepriegel – kefir, avocado’s, witlof, walnoten – opeens een zinnetje. Blijkbaar ben ik bang als ik het niet opschrijf, dat ik het straks vergeten ben. Dit is wat er staat: ik heb helemaal geen zin om de schrijfsters op te noemen die niet gek zijn. Lente-uitjes, champignons, kerstomaatjes… Weer een zinnetje: ik heb helemaal geen zin om steeds maar te tellen, hoeveel mannen, hoeveel vrouwen.

Dat van die schrijfsters die niet gek zijn moet ik toelichten, anders ben ik zelf een gekkin met een boodschappenlijstje. Schrijver Jan van Mersbergen, producent van knoestige mannenboeken waarin geen vrouw voorkomt, hoogstens als stoorzender op de achtergrond met deegrol in de aanslag, begon afgelopen week zijn dagelijkse blog met de mededeling dat ‘het grootste probleem van vrouwen die romans schrijven is dat ze hun karakters opbouwen aan de hand van gekte’.

Alleen al op die eerste zin kun je promoveren. We hebben het hier niet over schrijfsters, maar over ‘vrouwen die romans schrijven’. Het opsommen van alle problemen die deze meelijwekkende soort heeft zou een schier oneindige opdracht zijn, dus beperkt Jan zich tot ‘het grootste probleem’. De formulering van dat probleem, ‘het opbouwen van karakters aan de hand van gekte’, moet in al zijn krakkemikkigheid waarschijnlijk het visioen openen op een leger treurige pottenbaksters wier klei in het rond vliegt omdat hun schijf op hol geslagen is. Al sluit ik niet uit dat Jan karakters en personages door elkaar haalt, en sowieso vanuit een luie stoel er maar wat op los lult. Op dat laatste duidt in ieder geval de rest van zijn ‘betoog’, waarin willekeurig wat namen en titels worden genoemd van romans door vrouwen geschreven waarin de gekte zou zegevieren. Ik weet niet wat Jan wil, behalve een stel sloffen aan zijn voeten en wachten tot het weer carnaval is.

Er was een tijd dat het mij niet woedend genoeg kon zijn

Oké, moving on zou je zeggen, er moet nog brood gehaald worden en een portie haring bij de visboer, maar nu blijken allerlei mensen (van de vrouwelijke kunne) zich geroepen te voelen Jan die sloffen aan te reiken. Kijk eens Jan, roepen ze, je zou deze schrijfsters eens moeten lezen, die zijn helemaal niet gek. En hé, deze mannelijke schrijvers bouwen hun karakters ook op aan de hand van gekte. Die pogingen de boel recht te trekken, ik denk dat ik die nog het allerergst vind. Laat die man lekker z’n Hemingway lezen, en wie heb je verder nog.

En dan het tellen. Het doet mij denken aan vroeger, misschien is dat het. Ik zie opeens Doeschka Meijsing weer voor me, ze zat op toneel, er was een schrijversdebat gaande, was het bij de opening van een boekenweek? Iedere keer als er een vraag aan haar werd gesteld, begon ze: ‘omdat ik een vrouw ben’. Of ze nu als eerste of als laatste aan de beurt kwam, of ze het woord kreeg of juist niet, telkens klonk het: ‘omdat ik een vrouw ben’. Ze was de enige vrouw, of misschien was er nog een vrouw voor de muzikale aankleding, je hoefde niet eens te tellen. Je hebt vrouwen die dan gedijen, je hebt vrouwen die er woedend van worden.

De woede hangt weer in de lucht, denk ik terwijl ik de stronkjes witlof afweeg. Er was een tijd dat het mij niet woedend genoeg kon zijn, maar nu weet ik het niet zo goed meer. Misschien wil ik dat de kwesties inmiddels ingewikkelder zijn dan het aantal mannen versus het aantal vrouwen. Dat nog tijdens mijn leven iets zich evolueert. ‘O als ze haar leven nog eens over zou kunnen leven!’ laat Virginia Woolf haar Mrs Dalloway denken bij het boodschappen doen. ‘O als ze iemand anders zou kunnen zijn!’ Misschien ben ik er klaar mee om vrouw te zijn. Wat iets anders is dan dat ik man zou willen worden.