Maarten

O, beest, beest, beest…

Maarten ’t Hart

Lotte Weeda

De Arbeiderspers, 270 blz., € 17,95

Maarten ’t Hart schreef met zijn nieuwe roman een volstrekt hybride boek. Het uitgangspunt is leuk: fotografe Lotte Weeda maakt foto’s van inwoners van het Zuid-Hollandse dorpje Monward en binnen de kortste keren overlijden ze. Zo’n gegeven kan gemakkelijk een verhaal opleveren over «de magie van de fotografie» of over «duistere krachten» en «goena goena», zeker omdat de fotografe «oogde als een meisje van amper duizend weken, maar met zulke griezelig gracieuze Balineesjes of Celebeesjes kun je je enorm vergissen». Aan het woord is de verteller die in veel opzichten zijn best doet op Maarten ’t Hart te lijken of die in ieder geval allerlei eigenschappen bezit die we van Maarten ’t Hart menen te kennen. Hij is bioloog, op wachtgeld gezet toen zijn afdeling op de universiteit werd weg bezuinigd, speelt orgel, het liefste Bach, is snel verliefd, houdt er uitgesproken meningen op na over muziek, ecologie, make-up en tuinverzorging en is schrijver. Niet van romans maar van de verhandeling De roekeloze buiteling waarin buitenissige ideeën over seks worden geventileerd. Met deze figuur parodieert ’t Hart zichzelf, op verschillende plaatsen beschrijft hij zichzelf ook en je kunt niet zeggen dat hij er mooier van afkomt dan hij is. «Zeg zelf, willen jullie zo’n vader? Is wegbezuinigd bij de universiteit. Is nog altijd, zijn atheïsme ten spijt, een zuinige, steile, onbuigzame, onverdraagzame, angstvallige calvinist. (…) Ziet er op de televisie uit als een knoestige, kale gnoom.»

Misschien had hij genoeg van de vertedering die zich gewoonlijk van zijn bewonderaars meester maakt wanneer zijn eigenaardigheden weer eens de revue passeren en creëerde hij daarom dit merkwaardige alter ego. ’t Hart als romanfiguur, het kan altijd weer gekker, en nog gekker is dat deze held verschillende keren in een ongewoon banale sekstoestand belandt. Hij vat een geweldige lust op voor ene Sirena die later transseksueel blijkt te zijn, die hij met kracht bezit en die hem de volgende weinig hartiaanse liefdeskreten toevoegt: «‹O, o›, zei ze, ‹die harde lul van jou, die harde lul, wat fantastisch. Sinds die zondag denk ik er de hele tijd aan, toe maar, doe maar, ja, ja, o, beest, beest, beest…›.» Hier heb ik langdurig om geschaterd. Ongetwijfeld heeft ’t Hart gedacht: ik heb nu wel genoeg van die softe seksscènes in mijn werk, er moet nu maar eens iets pittigers gebeuren, en voordat hij het wist stonden de woorden «harde lul» op papier, twee keer nog wel, en leidde de held verderop «mijn pik door die enorme bos zwart schaamhaar heen». Maar tegelijkertijd kan hij tussen de gepeperde sekstoestanden door ook ineens een mooie, verliefde waarneming neerzetten over de vrouwelijke dominee in Monward: «‹Doe je ogen dicht›, zei ik zacht tegen mezelf, ‹niet kijken. Als ze bidt val je om van vertedering, en vertedering is het epicentrum van de emotionele aardbeving verliefdheid, dan ben je voorgoed verloren›.»

Deze roman schiet alle kanten op. De geschiedenis met de foto’s wil maar niet van de grond komen, er spelen allerlei verhaallijnen doorheen die niet zijn uitgewerkt, zoals die van een merkwaardig slangachtig dier dat in Monward opduikt zonder dat duidelijk is wat die met het verhaal te maken heeft, of die van de opruiming van dieren in verband met de vogelpest.

’t Hart heeft er deze keer verhaaltechnisch een potje van willen maken, niet omdat hij niet beter kan, maar het lijkt erop dat hij uit balorigheid deze keer geen zin had een rechtlijnige roman op de planken te brengen. Laat ze allemaal de zenuwen maar krijgen, zoiets straalt deze roman uit en ik moet toegeven dat ik daar ook wel begrip voor kan opbrengen. Maar soms is het geheel zo flauw en melig dat de lol van dit project me af en toe begon te ontgaan. Om alle straten van Monward namen te geven van rooms-katholieke gebruiken of kerkvorsten, zoals het Paus Leo XIII-slopje, de Kaarsenmakersdam en de Kruisherenweg, dat gaat wel wat ver. En dat gedoe met het halve en hele Fries dat te pas en te onpas opduikt, krijgt maar geen echt geestige context. Gewoon flauw, meer niet.

Wel weer mooi is de ware encyclopedie van termen voor doodgaan die ’t Hart in zijn boek verwerkt. Voor een koud gaatje liggen, fort gaan, hemelen, de pijp uit gaan, als een rijpe appel vallen, er tussenuit gaan, kisten, tot heerlijkheid bevorderen, ontslapen, heengaan, afvinken, met de pootjes omhoog gaan. Dit is nog maar een eerste opsomming van het doodbiddersjargon dat door het hele boek ademt. Misschien is dat het hoofdthema van dit wonderlijke, ongelijke, balorige boek: een satire op wat mensen zich aan illusies aanpraten wanneer ze zich hun dood proberen voor te stellen.