De voorlopers van Eberhard van der Laan

‘O, ben ik burgemeester?’

Opnieuw krijgt Amsterdam een andere burgemeester dan de vertrouwenscommissie had voorgedragen. Wat staat Eberhard van der Laan de komende jaren te wachten?

ZE HAD HET KUNNEN WETEN en misschien heeft ze het ook wel vermoed, de liberale polderburgemeester Annemarie Jorritsma, die afgelopen week naast de hoofdprijs greep: het burgemeesterschap van Amsterdam ging aan haar neus voorbij. Al had de vertrouwenscommissie haar op de eerste plaats van de voordracht gezet en al wordt daar in de regel niet van afgeweken, in de weerbarstige hoofdstad lopen de zaken nu eenmaal altijd anders dan in de rest van Nederland, waar de voordracht van de vertrouwenscommissie meestal zonder slag of stoot door de gemeenteraad wordt overgenomen. Amsterdam een burgemeester van liberalen huize uit de provincie? Het lijkt een negentiende-eeuwse suggestie, maar geen hedendaagse realiteit.
Toen uitlekte dat Jorritsma - met wie het zelfs bij tegenslag altijd goed lijkt te gaan, nooit te beroerd voor een kwinkslag, vaak de lachers op haar hand, ook populair als presentator van het RTL-televisieprogramma Jorritsma blikt vooruit, type schouders eronder, vooruit met de geit - zich had gekandideerd voor het burgemeesterschap van Amsterdam, kwam het beeld op van een van haar liberale voorgangers, Antonie Roëll. Die werd precies honderd jaar geleden vanuit de provincie - hij was op dat moment burgemeester van Arnhem en was daarvoor eerste burger van Leeuwarden geweest - in Amsterdam geparachuteerd. Maar wat was die gezellige Bourgondiër, want dat was hij, op de koffie gekomen aan de Amstel. De Nieuwe Rotterdamsche Courant had hem bij zijn benoeming in maart 1910 weliswaar getypeerd als ‘een man van een opgewekte natuur, die grif en gul doet lachten. Eén die het leven beschouwt van den goeden kant’, maar dat bleek in de recalcitrante Amsterdamse burgemeesterspraktijk al snel onvoldoende. In het Prinsenhof, het toenmalige stadhuis aan de Oudezijds Voorburgwal, kon hij zich nog prima handhaven met sterke wethouders als Vliegen en Wibaut, maar daarbuiten ging het moeizaam, vooral door zijn geringe kennis van en binding met de Amsterdamse samenleving.

IN DAT OPZICHT is het misschien goed dat Jorritsma in Almere blijft en Eberhard van der Laan de burgemeestersketen krijgt omgehangen. Objectief gezien heeft hij aantoonbaar minder politiek-bestuurlijke ervaring dan Jorritsma, maar als je kijkt naar de voor Amsterdam relevante ervaring - oprichter en partner van een prestigieus Amsterdams advocatenkantoor, acht jaar gemeenteraadslid en leider van de Amsterdamse PVDA-fractie - dan heeft hij een streepje voor. En een kandidaat-burgemeester die een Amsterdamse loopbaan achter de rug heeft, daar is de gemeenteraad traditiegetrouw gevoelig voor, al is het niet ondenkbaar dat de raadsleden uiteindelijk ook voor Van der Laan kozen om het met PVDA'ers doordesemde ambtenarenapparaat op het adres Amstel 1 niet na zestig jaar opeens op te zadelen met een VVD-burgemeester, die in no time ook VVD-ambtenaren meeneemt.
Goede politieke en zakelijke connecties in de toonaangevende kringen van Amsterdam en gelijktijdige feeling met de noden van de gewone man en vrouw, autochtoon en allochtoon, zijn vooral na de oorlog steeds cruciaal gebleken bij de burgemeestersbenoeming. Toen in 1946 een opvolger moest worden benoemd van interim-burgemeester Feike de Boer, vroeg de minister van Binnenlandse Zaken aan de vertrouwenscommissie waar het profiel van de Amsterdamse burgemeester aan moest voldoen. Het antwoord was helder: 'We zoeken geen bekwaam administrateur of coryphee in het staatsrecht, maar een kenner van Amsterdam. Iemand die de handelsbelangen dezer wereldstad kent en over voldoende menschenkennis en levenservaring beschikt (…), terwijl de Amsterdamsche zakenwereld tóch de overtuiging moet hebben door een van hun eigen menschen geregeerd te worden.’ Benoemd werd de kenner van de stad en bankier - in die volgorde - Arnold d'Ailly. Toen de stad tien jaar later opnieuw een burgemeester nodig had, zocht men weer iemand 'met een sterke binding met het Amsterdamse bedrijfsleven, die daarnaast Amsterdam met haar problemen uit eigen ervaring kent’. Benoemd werd de rasechte Amsterdammer Gijs van Hall.

NU DE GEMEENTERAAD heeft gekozen en Eberhard van der Laan (55) naar voren heeft geschoven voor benoeming door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties komt de vraag op hoe hij het zal doen, hoe hij de bankiers en de gewone man op één lijn zal weten te krijgen, welke valkuilen hij onderweg tegen kan komen en wat hij moet doen - en laten - om aan het eind van zijn ambtstermijn niet onder aan een burgemeesterslijstje met kwaliteitsburgemeesters te bungelen.
Eind 2006 hield het blad Ons Amsterdam ter gelegenheid van de verschijning van het boek Een keten van macht: Amsterdam en zijn burgemeesters vanaf 1850 een verkiezing van de beste en slechtste twintigste-eeuwse burgemeesters van Amsterdam. De nu vertrokken Job Cohen deed dus niet mee, de eerder genoemde Antonie Roëll wel. Er werd apart gepeild onder vakhistorici en onder Amsterdammers boven de tachtig jaar. Wim Polak, Jan Willem Tellegen en Gijs van Hall bezetten de top-drie, waarbij Polak (1977-1983) op de eerste plaats stond, gevolgd door Tellegen (1915-1921) en Van Hall (1957-1967). Wat zou Van der Laan moeten doen om in de top van zo'n illuster kwaliteitslijstje te komen? Als we Polak, Tellegen en Van Hall als voorbeeld nemen zal Van der Laan om te beginnen snoeihard moeten werken, al zal hij de zaken af en toe ook eens los moeten laten om niet op dezelfde manier ten onder te gaan als Tellegen, die na zes jaar uitgeput en met een hartkwaal langdurig op ziekteverlof naar Italië werd gestuurd, waar hij zich als een bezetene druk bleef maken over al dan niet pietluttige gemeentekwesties. Zo iemand sterft vaak in het harnas en dat is ook precies wat er gebeurde. Ook Polak en Van Hall wisten van doorwerken, te midden van de tijdverslindende maatschappelijke onrust rond drugsgebruik, krakers, provo’s en een omstreden koninklijk huwelijk.
De regenteske bestuursstijl van Van Hall en zijn eigenwijze volharding daarin verdienen uiteraard geen navolging, maar zijn lang onder het tapijt geveegde verdiensten maken hem achteraf toch tot een goede burgemeester. Doorzettingsvermogen en dossierkennis waren sterke punten die Van der Laan tot voorbeeld kunnen dienen. Van Hall wist waarover hij sprak en had daarnaast een uitgebreid sociaal en zakelijk netwerk in financiële kringen op Wall Street. Daardoor was hij uiteindelijk in staat de tekorten voor de bouw van de IJtunnel aan te zuiveren, wat de Nederlandse overheid weigerde. Misschien een tip voor Van der Laan om achter de hand te houden mocht het rijk inderdaad volharden in zijn standpunt geen cent meer te betalen voor de kostenoverschrijdingen van de Noord/Zuidlijn.
Wat het altijd goed doet bij Amsterdammers is authenticiteit, nuchterheid en een praktische instelling. De burgemeester die zichzelf is maakt de grootste kans een goede burgemeester te worden gevonden. Wat dat betreft is er geen beter voorbeeld dan Wim Polak, journalist bij Het Vrije Volk voordat hij de politiek in ging, eerst als wethouder, later als burgemeester. 'O, ben ik burgemeester?’ 'Ik voel me anders nog steeds journalist hoor.’ Vervolgens kroop hij achter de typemachine op het burgemeesterssecretariaat en tikte tot schrik van de secretaresse eigenhandig een uit te spreken toespraak op.

VAN DER LAAN zal aantreden onder een lastig gesternte. De financiële en economische crisis heeft een groot gat geslagen in de gemeentebegroting: er moet tot 2014 een gat van 250 miljoen euro worden gedicht, een majeure bezuinigingsronde is aanstaande. Tegelijkertijd moet er worden geïnvesteerd in onderwijs, in innovatie en duurzaamheid, in veiligheid, bereikbaarheid, armoedebestrijding, achterstandswijken en openbare ruimte. Van der Laan moet leiding geven aan de uitvoering van al die plannen en maatregelen, die zijn vervat in het net afgesloten coalitieakkoord tussen PVDA, VVD en GroenLinks.
Gaat dat lukken? Hij is een gewiekste zakenman, onderhandelaar en netwerker die het politieke spel zo speelt dat hij bij een opgelost conflict iedereen het gevoel geeft winnaar te zijn. Beren op de weg zijn er uiteraard genoeg. Zo is het hoofdpijndossier Noord/Zuidlijn nog lang niet gesloten: de Gravin is pas op het Rokin en er kan nog van alles misgaan, zowel bouwtechnisch als financieel.
Of het integratiedebat. Nog lang niet opgelost. Maar waar Job Cohen jaren lang is achtervolgd door het kopje thee, lijkt Van der Laan een steviger beleid te willen voeren jegens migranten die onvoldoende integreren. 'Alle burgers zijn gelijkwaardig, maar van migranten mag een extra inspanning worden gevraagd om een plek te verwerven in de Nederlandse samenleving’, zei hij een half jaar geleden als minister van Integratie bij de presentatie van de Integratiebrief. Zijn toekomstige wethouder van Integratie en Inburgering Andrée van Es lijkt hij alvast aan zijn zijde te hebben. Zij kondigde onlangs aan 'een ruigere toon’ te zoeken in het integratiedebat.
Met een beetje mazzel kan het de stad aan het eind van Van der Laans ambtstermijn in 2016 weer voor de wind gaan: naar verwachting zal de ergste financieel-economische tegenwind zijn geluwd, de restauratie van de grote musea - het Rijks, het Stedelijk en het Scheepvaartmuseum - zal achter de rug zijn, de problemen rond de multiculturele samenleving zullen niet zijn opgelost maar wel stevig aangepakt, en als alles meezit is zelfs de Noord/Zuidlijn bijna klaar. Tel daarbij op dat Van der Laan de komende jaren wordt geassisteerd door een aantal zeer ervaren wethouders, plus zijn karakter als 'ontzettend oplossingsgericht mannetje’, zoals hij zichzelf kenschetst, en zijn burgemeesterschap zou zomaar eens succesvol kunnen worden.
Maar dan moet het allemaal meezitten. En juist dat weet je nooit in een onvoorspelbare, tegendraadse en recalcitrante stad. Er hoeft maar een koning gekroond te worden - die kans is de komende zes jaar levensgroot aanwezig - of de leuze 'Geen woning, geen kroning’ kan zo weer van stal worden gehaald door gefrustreerde krakers die zich sinds kort geconfronteerd zien met een wettelijk kraakverbod.

De auteur is schrijver van het in 2006 verschenen boek Een keten van macht: Amsterdam en zijn burgemeesters vanaf 1850