Muziektheater Tulpmania, over een bloem, schoonheid en hebzucht

‘O bol, verhevene van rok en rol’

Met Tulpmania willen regisseur Paul Koek en dramaturg Paul Slangen het theater dichter bij de mensen brengen. De locatie is een hal van een grote ondernemer in tulpenbollen. ‘Bij kunst die het je te gemakkelijk maakt reken je niet meer op die tik, vol op je neus.’

Medium tulp

In zijn streven naar een grotere gelijkheid tussen het publiek en de kunst heeft theatermaker Paul Koek wel eens een steekje laten vallen. In IJmuiden bijvoorbeeld, waar het ontspoorde in een stevige matpartij. Op een grasveld tussen de flats had Hollandia, de toneelgroep waarvan Johan Simons en hij de drijvende krachten waren, haar tweedehands circustent opgezet, maar het publiek liet verstek gaan. De mensen bleven op hun balkonnetjes zitten. ‘Dus ik ging naar ze toe’, herinnert Koek zich. ‘Kom nu naar beneden, kom nou naar die tent!’ Heel vriendelijk reageerden ze: ‘Nee, we zitten zo helemaal goed. We horen hier wat jullie doen. Da’s wel genoeg.’

Koek en Simons kwamen toen op het idee om met golfplaten een kroeg tegen hun tent aan te timmeren. Koek: ‘En verdomd, vroemmmm, daar kwamen ze op hun brommertjes om vijf uur, bier drinken. Maar helaas, dan begonnen wij om acht uur met spelen en zeiden zij: “Ja, begin maar, wij zitten hier prima.” En bleven ze in die kroeg. Keihard pratend, bier hijsend. Ook de tap dicht houden tijdens de voorstelling hielp niet. Dan scheurden ze weg, om na de voorstelling terug te komen en het op een zuipen te zetten.

Onherroepelijk liep dat een keer uit de hand. Een enorme vechtpartij, tussen allemaal van die enorme kerels die voor de kust van IJmuiden op een olieplatform werkten. Ik zag hoe een trottoirtegel op iemand z’n harses doormidden werd geslagen. Die man schudde alleen even met z’n hoofd, en riep dat-ie GVD zijn vader en z’n broertje ging halen. Hij kwam terug, met schuren van kerels naast zich, en ze sloegen de boel helemaal kort en klein. Ik was hartstikke bang, maar het was een van de beste knokfilms die ik ooit heb gezien.’

Met dramaturg Paul Slangen aan zijn zijde is Koek (1954), in 2009 winnaar van de Prins Bernhard Cultuurprijs, tegenwoordig artistiek leider van De Veenfabriek, een muziektheaterensemble dat hij tien jaar geleden in Leiden oprichtte. Net als Hollandia wil De Veenfabriek het theater dichter bij de mensen brengen, zonder concessies te doen aan de gelaagdheid die podiumkunst haar eigen kwaliteit geeft. Publieksvriendelijk theater betekent niet dat alle kunst, abstractie of esthetiek eruit gefilterd moet worden. Integendeel, juist dankzij de artistieke vrijheid die de kunst biedt, beschikt het gezelschap over de middelen om mensen met muziek en tekst die hun vreemd zijn in aanraking te brengen, zonder dat ze zich daarvan instinctief afwenden.

Op de boerderij van Piet en Clema van der Geest in de Boterhuispolder bij Leiderdorp opende De Veenfabriek zo het publiek de oren voor de muziek van Kees Tazelaar. In de schuur van de boerderij speelde het gezelschap in 2010 met het ensemble Asko|Schönberg Platteland als podium, over het leven van boeren en hun relatie met de stad. In een van de scènes keken de toeschouwers vanuit de schuur door een brievenbusachtige sleuf richting stad, met de damp van koeien in de neus, omringd door die muziek van Tazelaar, even abstract als mooi.

‘Ook Piet van der Geest heeft daar een avond in z’n eigen schuur gezeten’, vertelt Koek. ‘Hij zei me: “Ik heb nog nooit zo naar mijn eigen land gekeken. Nog nooit. Wat fantastisch.” Als ik alleen die muziek van Kees aan hem had laten horen, had-ie gezegd: “Mwahhh, voor mij hoeft dat niet zo.” Te abstract, te conservatoriumtechnisch. Maar nu, met dat landschap voor ons, met het zicht op de stad, met die geur, die muziek, met al die esthetische prikkels, ervoeren we allemaal een verbijsterende poëzie, Piet niet uitgezonderd.’

Ook voor Tulpmania, de muziektheaterproductie die op 1 mei in première gaat, is De Veenfabriek in zee gegaan met een tekstdichteres, Saskia de Jong, en een componist, Yannis Kyriakides, die de diepte in gaan. Tulpmania, uitgevoerd in samenwerking met Asko|Schönberg en Slagwerk Den Haag, gaat over de schoonheid van een bloem en de hebzucht die uit die betovering kan voortkomen. In de zestiende eeuw vanuit Klein-Azië naar Nederland gekomen en in 1593 voor het eerst opgekweekt in de Leidse Hortus Botanicus groeide de tulp dankzij haar schoonheid al snel uit tot een statussymbool, een hebbedingetje van de rijken. Handelaren en kwekers roken geld en dreven de prijs tot het absurde op. Op het toppunt van deze speculatiehandel, in de jaren dertig van de zeventiende eeuw, bracht één tulpenbol van de soort The Viceroy drieduizend tot 4200 gulden op, wat in die tijd overeenkwam met de waarde van een herenhuis of een boerderij met land.

‘De sin en ’t hooft is heel aen ’t hollen, door de nietighe Tulpabollen’, spotte de dichter Steven Teunisz van der Lust in die tijd. Kapitaal dat gebruikt had kunnen worden voor nuttige investeringen vloeide weg in speculatiewinsten. Tot rond 1636 de manie knapte en de eerste beurscrisis in de Nederlandse geschiedenis een feit was.

Tegenwoordig is de tulp een massaproduct. Voor supermarktketens als Jumbo wordt ze en masse geproduceerd, op een lopende band, waarop de bol in vijf weken tijd ontkiemt tot bloem. Ingrediënten te over voor Tulpmania, een voorstelling over verlangen als drijfveer van menselijk handelen. De geschiedenis van de tulp is metaforisch voor het verlangen naar schoonheid, naar rijkdom, naar identiteit, naar veredeling, naar vooruitgang.

Voor de voorstelling is De Veenfabriek neergestreken in een van de hallen van Moolenaar BV, de derde bloembollenexporteur ter wereld, in Voorhout, in het hart van de Bollenstreek. Anders dan destijds IJmuiden, waar Koek en zijn gezelschap hun tent hadden opgezet om geen andere reden dan dat daar plek was, is de locatie zorgvuldig gekozen, na een intensieve voorbereiding. Met directeur Fred Moolenaar zijn gesprekken gevoerd, mede aan de hand van een vuistdikke documentatiemap die dramaturg Paul Slangen vulde met alle mogelijke literatuur over de tulp en haar geschiedenis. Alle medewerkers van de voorstelling hebben ook zo’n map gekregen, met het verzoek die te bestuderen. De tulp en het bollenbedrijf mogen voor hen geen enkel geheim meer hebben. Samen met Slangen heeft acteur Joep van der Geest de ene na de andere handelaar, kweker en veredelaar geïnterviewd. Wat ze noteerden in die gesprekken vormt de basis voor een aantal monologen in het stuk.

Die verregaande voorbereiding dient het streven van De Veenfabriek om het theater dichter bij de mensen te brengen, zonder concessies te doen aan de artistieke waarde van de podiumkunst. Paul Koek: ‘Na IJmuiden begrepen we wel dat het spelen op locatie iets anders is dan locatietheater maken. Het eerste kun je willekeurig waar doen, maar locatietheater vergt dat je welbewust kiest voor een plek en alles daarop afstemt. Ik ben nu aan het knokken met de vormgeving van Tulpmania. We hebben gekozen voor twee behoorlijk abstracte makers, Kyriakides en De Jong, en we moeten hun werk voor het publiek aanvaardbaar maken. Dat zijn we ook verplicht aan Yannis en Saskia. Hun werk is onwaarschijnlijk mooi en verdient het om door veel mensen gehoord te worden.’

Slangen vult aan: ‘Dus we mogen Yannis en Saskia niet vragen zich aan te passen of te matigen. Het is aan ons de vorm te vinden om hun werk over het voetlicht te brengen, met gebruik van de middelen die wij als theatermakers hebben. Daarop moet je niet inleveren, anders wordt je mededeling zwakker in plaats van sterker.’

‘Irritant, fascinerend en opwindend’, oordeelde de Duitse theaterdirecteur Anselm Weber ooit over Koeks regie van Candide. Koek herkent zich in die kwalificatie: ‘We brengen kunst. Ik geloof in onze ambachtelijke kwaliteit om mensen daartoe toegang te verschaffen, maar ik ben me er wel van bewust dat de muziek en de teksten van Tulpmania de mensen in die hal wakker zullen schudden. En dat is goed, slapen doen we genoeg, ook in onze eigen sector. Ik zie wel stukken langskomen, vooral van jongere makers, op Oerol bijvoorbeeld, waarvan ik me afvraag of ze de kunst niet te klein en het sociale te groot maken.’

Dat is theater dat te veel voor het publiek door de knieën gaat, zegt hij: ‘Het is zó toegankelijk, zó expliciet, zó positief dat het al zijn stekels kwijt is. En daar is de kunst toch juist voor, om zichtbaar te maken dat de hobbels en de littekens net zo goed als de opperste geluksmomenten deel uitmaken van het leven. In ons kapitalistische systeem wordt alles positief gemaakt. Alles is erop gericht de illusie in stand te houden dat geluk een kwestie van eigen keuze is en dat tegenslag in het leven kan worden buitengesloten. Dat hoor je de godganse dag door en mensen gaan er zowaar in geloven. Goede kunst laat die andere kant zien, de complexe kant van het leven, die erbij hoort en die je compleet maakt.’

In haar optreden voor de laatste dies natalis van de Leidse universiteit heeft De Veenfabriek daarom deze tekst gebruikt van Monika Grütters, de Duitse minister van Cultuur: ‘We hebben kunst en cultuur nodig, roekeloze ongemakkelijke denkers en kunstenaars. We hebben de utopieën nodig die ze ontwerpen, de fantasie die hen aanwakkert, het verlangen naar een betere wereld. Zij zijn de doorn in het vlees van onze maatschappij, die verhindert dat intellectuele luiheid en politieke gemakzucht de democratie laten inslapen.’

In de diesviering was dit citaat op verzoek van De Veenfabriek doelbewust uit zijn oorspronkelijke taal, Duits, omgezet in het Latijn. Slangen: ‘Als mededeling krijgt het dan juist zijn kracht omdat je het intellect van het publiek aanspreekt. De kunstenaar presenteert een vorm waarin de werkelijkheid voor het moment nieuw, onbekend aandoet, om de nieuwsgierigheid te prikkelen. Je moet er wat voor doen.’

Koek legt uit: ‘Bij kunst die het je te gemakkelijk maakt reken je niet meer op die tik, vol op je neus. Toen ik op de tuinderij van mijn oom Hein werkte, zei hij nadat ik voor de derde keer te laat was gekomen: “Ze moesten jou in je eigen stront gaarkoken!” Waanzinnig, om zoiets te zeggen tegen een veertien-, vijftienjarig gassie, maar ik ben er nog steeds blij mee. Dat-ie mij dat fantastische beeld gaf! Dat ik tot mijn oksels in mijn eigen stront sta. Kokend. Dat is de hel!’

Dat soort confronterende ervaringen mist Koek in kunst die het publiek wil behagen door het naar de mond te praten. Dat heeft hij ook tegen op het theatersucces De verleiders, hoe goed geacteerd hij dat stuk over verwaten en gewetenloze bankiers ook vindt. ‘Een bankdirecteur aan de schandpaal nagelen, dat zal niet de oplossing brengen voor de crisis van dit systeem’, zegt hij.

‘Kunst moet ook het tegenbeeld bieden’, zegt Slangen. ‘Toen ik voor het eerst door die Bollenstreek reed, betrapte ik mezelf op de vooroordelen die we allemaal hebben: “Dáár wordt veel geld verdiend! Dáár zit veel vergif! Dáár worden Poolse arbeiders uitgebuit!” Maar voor toeschouwers is het helemaal niet interessant als wij Fred Moolenaar een draai om de oren geven omdat hij veel verdient. Dan staat de conclusie al vast: hij is het kwade. En dat is hij helemaal niet. Niemand denkt ’s ochtends bij het opstaan: “Ha lekker, ik ben een slecht mens.” Nee, iedereen staat op met de gedachte dat hij een goed mens is en het goede doet. Fred Moolenaar houdt van zijn onderneming. Hij doet zijn best, zoals wij allen, en dat wekt nieuwsgierigheid naar zijn perspectief op de wereld. Het is niet aan ons daar een oordeel over te hebben. Omdat we dan niks meer van Moolenaar kunnen leren. Kunst is in die zin ook een oproep tot zachtheid.’

Medium tulp2

Op de vraag of kunst dan niet mag oordelen, antwoordt Koek: ‘Natuurlijk wel! Maar het ene oordeel is het andere niet. Op het podium kunnen we heel goed laten zien dat die kapitalistische structuur zijn benauwde momenten heeft en mensen ertoe verleidt hun hele leven te geven om zich in dat systeem te handhaven. Daarin moet je de kritiek zoeken, niet in de persoon.’

Met haar bereidheid zich te verdiepen in de andere wereld van de Bollenstreek maakt De Veenfabriek Fred Moolenaar en zijn collega’s ontvankelijk voor haar theatrale verbeelding van hun bedrijf. Zo ontstaat een vruchtbare wisselwerking, is de ervaring van Paul Koek. Met zijn vrouw en enkele collega’s woonde Moolenaar onlangs een Veenproef voor Tulpmania bij, een soort openbare repetitie. Naar eigen zeggen kijkt hij sindsdien anders aan tegen het product dat bij miljoenen zijn hallen verlaat, na het horen van De Jongs poëtische, erotisch geladen tekst over de tulpenbol als een supermoeder die een bloem baart. Enkele fragmenten:

O BOL,

Verhevene van rok en rol

Een en al romp, van geestgrond vol

‘We willen een plek, en die komen we halen. Maar het doel moet zijn dat we ook iets komen brengen. We brengen de verbeelding’

O buik, o bal,

O rondedans, o kettingzang

(–)

O baar, ontgroen, ontboezem ons

O spleet, o rijp,

O boezem barst, o bom

O zaad, o spat

O sprong, o kramp

O zwel

(–)

O spruit strek uit, o spruit strek uit

O rok rol uit

O vlezig lijf ontsluit je pluim.

Koek vertelt: ‘Ja, verdomd, natuurlijk is die tulpenbol ook een moeder, zei Moolenaar me na afloop. Dus wij kunnen zijn blikveld verbreden door vanuit een ander waardenperspectief dan het economische naar zijn product te kijken. Hij zei niet: “Wat is dat voor een idiote tekst?” maar: “Goh, dat jullie zeggen dat de bast van een bol een huid is die openscheurt… Zo had ik het nog nooit bekeken!” Dat hebben wij bewerkstelligd, met onze beeldende kracht.’

Een soortgelijke wisselwerking zag hij bij Platteland als podium, zegt Koek: ‘Wij hebben met die voorstelling veel geleerd over het leven op het platteland. Over de vloed van regelgeving waarmee boeren worden geconfronteerd. Ze zeiden tegen ons: “Je krijgt gemakkelijker een emmer heroïne Nederland in dan een emmer mest Nederland uit.” Op hun beurt is voor Piet en Clema van der Geest de wereld van het theater opengegaan. Sinds wij op hun boerderij hebben gespeeld, in 2010, bezoeken zij alle voorstellingen van De Veenfabriek, maar gaan ze ook naar Shakespeare, het Appeltheater. Ze vinden theater magisch, zeggen ze.’

Koek gaat sinds hij hen kent voor Piet en Clema door het vuur, zegt hij: ‘Ze zijn vrienden voor het leven. Zij zijn zó eerlijk. En ik heb het idee dat dit gevoel wederzijds is. Ergens hebben we elkaar aangeraakt en is een intense band tot stand gekomen. In de tijd dat we op zijn boerderij speelden, werkten we samen met Frank Halmans, een beeldend kunstenaar, die 1200 overalls aan een waslijn in een weiland van Piets buurman wilde ophangen. “Dat vindt die boer niet goed”, wist Piet. Dus hij belde hem: “Je moet die jongens wel even ontvangen want zij doen zinnige dingen.” Een paar weken later wapperden 1200 blauwe overalls in dat weiland.’

Naarmate de wisselwerking met de mensen op de gekozen locatie beter uit de verf komt, kan Koek met een voorstelling dieper steken, is zijn ervaring. Zo was het in zijn tijd bij Hollandia mogelijk Griekse tragedies, geen lichte kost, op te voeren op een autosloperij in de Zaanstreek.

‘Johan Simons en ik reden een overdekt autokerkhof op en liepen naar de baas’, herinnert hij zich. ‘Een man twee keer zo groot als wij, met een enorme sigaar, een joekel van een zegelring en een bouvier naast zich. Zo’n man van wie je eerst denkt: nu omkeren en wegwezen. We zeiden: “We willen hier theater komen maken.” Hij keek ons met zúlke ogen aan, zweeg een tijdje en zei: “Theater, uit m’n neusgaten. Snot zijn jullie. Wegwezen!” We waren aan het einde van het pad toen ik tegen Johan zei dat we terug moesten. Het had ook iets goeds, die man in zijn hok. Uiteindelijk zaten we toch met hem aan de koffie, we praatten en hij stemde toe. In die eerste maand zag je ’m verbijsterd zijn over de uren die we maakten. We kwamen dan wel laat binnen, vond-ie, rond half elf, maar we gingen ook héél laat weg, na middernacht, om een uur of één.’

Het scheelde veel dat het gezelschap het bedrijf van de sloper op zichtbare wijze respecteerde en niet neerbuigend of denigrerend deed. ‘We keken enorm uit of we niet in de weg liepen. En we hadden wel eens een bos bloemen bij ons, voor zijn vrouw. Na een maand zei hij: “Ik heb een idee. Zal ik een tribune maken van gestapelde autowrakken?” Geweldig! Dat heeft-ie gedaan. Hij stond naast me toen ik in de repetitie van Prometheus aan de acteurs vroeg met ontbloot lijf op de grond te gaan liggen. Hij zei: “Dat gaan we niet doen. We gaan die meissies, die mooie meissies daar niet op de grond leggen, in die plas olie, dat water. Nee, mooi dat zij blijven staan.” Hij was aan het regisseren! Ik heb ze niet meer gevraagd te gaan liggen. In deze versie van Prometheus stonden ze. We hebben uiteindelijk vijf tragedies bij hem opgevoerd. Die plek was prachtig. Een oude blauwselfabriek van Reckitt, met dat blauw ingevreten in de muren.’

Het kan ook zo z’n onverwachte nadelen hebben om een band met de mensen op locatie op te bouwen. Het project ‘Schrijf!’ van Hollandia omvatte tien stukken van tien jonge toneelschrijvers, maar wel met telkens hetzelfde decor: een lantaarnpaal, een rol kunstgras en een levend varken. Hollandia nam met dit project onder meer voor enkele weken zijn intrek in een bejaardentehuis. Daarna wilden de bewoners het varken niet meer kwijt. Hollandia moest op zoek naar een ander.

Paul Slangen karakteriseert de wisselwerking tussen de theatergroep en de locatie die ze kiest als een proces waarin De Veenfabriek iets komt halen en iets komt brengen. ‘In eerste instantie gaan we ergens naartoe om wat te halen. We willen een plek, we willen ruimte, en die komen we halen. Maar het doel moet zijn dat we ook iets komen brengen. We brengen de verbeelding, een zienswijze op die plek die nieuw is voor de mensen die daar wonen of werken: “Verrek, zo heb ik er nog nooit tegenaan gekeken.” Dat voegt iets van waarde toe aan hun leefomgeving, aan de plek waar ze jaar in, jaar uit verkeren.’

Een probleem is, beaamt Slangen, dat De Veenfabriek aan het begin van een nieuw locatieproject al wel precies weet wat ze komt halen, maar nog niet wat ze komt brengen. ‘Dat moet zich nog vormen. We weten dat we straks iets waardevols zullen achterlaten, maar wat dat is? Vraag ons dat nu niet! Het zal tijd vergen om dat helder te krijgen. De kunst is om die tijd te bemachtigen, en het is altijd spannend of dat lukt. Essentieel is dat we niet alleen interesse tonen voor wat ons a priori nieuwsgierig maakt naar die locatie, maar bereid zijn ons te laten verrassen, door het leven van die mensen, door wat hun beroert, door hun werk, door hun kijk op het bestaan. Zij moeten echt voelen dat onze aandacht net zo eerlijk is als hun gastvrije ontvangst.’

Bij Fred Moolenaar is duidelijk dat hij waardeert wat De Veenfabriek in zijn bedrijf heeft gebracht. Voor zijn personeel heeft hij een stapeltje meegenomen van de documentatiemappen die Slangen over de geschiedenis van de tulp heeft samengesteld. Na de Veenproef, de publieke repetitie die hij bezocht, vroeg hij de historicus die daar had gesproken, Lodewijk Petram, om zijn verhaal over de zeventiende-eeuwse tulpenspeculatie op zijn bedrijf nog eens over te doen.

‘In de voorstelling Hoogwater voorheen Laagwater die we met Wim T. Schippers maakten’, zegt Slangen, ‘schrijft Wim: als je de mensen de keuze geeft, kiezen ze alleen uit dat wat ze al kennen. Zo ontstaat de weerzin tegen het vreemde. Het is dus van belang dat je altijd nieuwsgierig blijft naar wat je niet kent. Je moet bereid zijn je te laten confronteren met het onbekende, door wetenschappers, door denkers, door kunstenaars. Wij reiken daartoe de verbeelding aan. Toen wij in 2010 met Kasimir en Karoline het Theatertreffen in Berlijn openden, midden in de crisis, in aanwezigheid van Duitse politici, de directie van Siemens, Krupp, zei oud-minister van Cultuur Jack Lang: “Juist in deze tijd van een drievoudige crisis, een financiële, een economische en een morele, moeten we de kunst méér subsidiëren, omdat de kunstenaar zich nog ideeën kan permitteren die wij in onze samenleving niet meer durven.” De kunst is de plek van het filosofische, praktische experiment, en als wij dat goed doen hebben ook boeren, autoslopers en bloembollenhandelaren daar wat aan.’

Als voorproefje van Tulpmania rijdt er een praalwagen van De Veenfabriek mee in het Bloemencorso, de grote optocht door de Bollenstreek in het laatste weekeinde van april. De wagen gaat daarna terug naar de hallen van Moolenaar, om deel uit te maken van de voorstelling. Koek: ‘Hij moet wel gedurende de hele maand dat we Tulpmania spelen mee. Dus dat wordt langzaam maar zeker een wagen waarop de bloemen gaan hangen en verwelken. Ik ben overtuigd van de verlepte schoonheid van die wagen. Het kan zijn dat er straks een bloemist in het publiek zit die aanvankelijk zegt: “Joh, wat een rotzooi laat je ons zien!” Dan zal ik proberen met licht, met geluid, met het verhaal zo te toveren dat-ie opeens denkt: “Die wagen is verlept eigenlijk ook wel aardig.” Dát is onze kunst.’


Tulpmania, heel mei in de hallen van bloembollenhandelaar Molenaar; veenfabriek.nl


Beeld: Repetitie van Tulpmania van De Veenfabriek onder leiding van Paul Koek